Essays

Vrijheid van meningsuiting, een kritische analyse

Home - Columns - Politiek en maatschappij - Filosofie en psychologie - Wetenschap - Cursussen - Computer - Diversen | Printversie

(nautische historie zeiltijd - historie stoomtijd - zeilcursus - motorbootcursus - evolutieleer - evolutie mens - groepsgedrag)



(Hammond Multiplex Open Ideal ©Schrijf.be copywriting)

 (de passage m.b.t. de Nederlandse Grondwet en de EVMR is deels ontleend aan Wikipedia)

Weinig onderwerpen mogen zich momenteel zo in de publieke belangstelling verheugen als onze
vermaarde "Vrijheid van Meningsuiting", en zoiets brengt altijd misverstanden met zich mee.
Vrijheid van meningsuiting zoals de Franse staatkundig filosoof Montesquieu en de Britse arts-filosoof
John Locke die zagen, bedoelde de burger te beschermen tegen willekeur van de staat, en was inder-
tijd nooit bedoeld om - zoals velen denken - elkaar vrijblijvend voor rotte vis uit te kunnen maken.

Montesquieu wordt algemeen gezien als grondlegger van de moderne staatkunde met de Trias Politica
(de scheiding der machten) en de scheiding van Kerk en Staat als kroonjuwelen van de staatkundige
verlichting. Maar die erkenning dankt hij louter aan het feit dat Frans voor de elite buiten Engeland
destijds de voertaal was waardoor zijn geschriften een grotere verspreiding kregen dan die van Locke.
En natuurlijk aan het tijdstip waarop hij zijn hoofdwerk "De l'Esprit des Lois" publiceerde, halverwege
de 18e eeuw, een kantelpunt in de tijd, juist voor de Amerikaanse Vrijheidsoorlog (1775) en de Franse
Revolutie (1789). Beide jonge staten waren hem bij het opstellen van hun grondwet dan ook in hoge
mate schatplichtig.
John Locke was eerder, maar publiceerde zijn gedachtegoed een halve eeuw te vroeg en in de ver-
keerde taal...

Om de lezer te laten proeven van het sociaal-liberale gedachtegoed van deze opmerkelijke 17e-
eeuwer, en om het concept van de vrijheid van meningsuiting van de oorspronkelijke context te voor-
zien, laat ik hier een overzicht volgen van enkele van zijn politieke opvattingen:
John Locke stelde dat de mens vrij en gelijk geboren wordt, en een onontvreemdbaar recht heeft op
leven, vrijheid, eigendom en gezondheid (mensenrechten "avant la lettre").
Hij pleitte voor verdraagzaamheid en voor meer economische en intellectuele vrijheid, en legde daar-
mee de kiem voor de vrijheid van meningsuiting en voor het liberalisme. En het sociale karakter van
dat liberalisme moge blijken uit zijn opvatting dat de staat de zwakkeren in de samenleving met regels
en wetten dient te beschermen.
Voor de vorst zag hij een rol weggelegd binnen een constitutionele monarchie waarbij deze het volk
bescherming verschuldigd was en haar wil moest eerbiedigen. Mocht hij hierbij echter in gebreke
blijven, dan zou het volk soeverein zijn en gerechtigd tegen haar vorst in opstand te komen.
En dan natuurlijk de later door Montesquieu verder uitgewerkte scheiding der machten.
Vanuit deze attitude behoort de vrijheid van meningsuiting gelezen te worden. Althans moreel, want
juridisch en in de dagelijkse omgang heeft de toepassing ervan veel van haar verdraagzame karakter
verloren.

De vrijheid van meningsuiting ligt voor Nederland verankerd in artikel 7 van de Nederlandse Grondwet
en in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Daar wordt bepaald dat niemand vooraf verlof nodig heeft (preventieve censuur) voor het openbaar
maken van gedachten en gevoelens op grond van de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoor-
delijkheid naar de wet. Dit houdt in dat het bevoegd gezag niet vooraf, maar hooguit achteraf een uit-
spraak door de rechter kan laten toetsen. De overheid mag zelfs geen druk uitoefenen op derden.
▪Het Nederlandse strafrecht beperkt de vrijheid van meninguiting (lid 3 verruimt de oorspronkelijke
 vrijheid van drukpers naar andere middelen), door het achteraf strafbaar stellen van smalend taal-
 gebruik, aanzetten tot haat, belediging van gezagsdragers en het verspreiden van leugens in de zin
 van laster en smaad, maar in mindere mate of in het geheel niet voor obsceniteit of schending van de
 goede smaak.
 Het verbod op haatspraak betreft taalgebruik dat erop gericht is een persoon of groep te vernederen, 
 of aan te zetten tot discriminatie of geweld op grond van ras, geslacht, leeftijd, land van herkomst,
 godsdienst, seksuele voorkeur, handicap, taalvaardigheid, levensbeschouwing, politieke overtuiging,
 sociaal-economische klasse, beroep, uiterlijk en dergelijke. De term heeft betrekking op geschreven en
 gesproken tekst en op bepaalde gedragingen in het openbaar. In de context van vrije meningsuiting
 geeft haatspraak soms begripsverwarring tussen bedoelde (smalende, minachtende) beledigingen en
 onbedoelde beledigingen die het gevolg zijn van vrije en oprechte meningsvorming. Mag de vrijheid
 van meningsuiting worden ingeperkt - en de strafrechtelijke definitie van smalend taalgebruik worden
 uitgebreid - voor beledigingen, die niet als doel hebben beledigend te zijn maar die door overgevoelig-
 heid of door culturele verschillen toch zo ervaren worden?
 Belediging wegens een feit kan overigens haatspraak opleveren, belediging wegens een omstandig-
 heid echter vooralsnog (2008) niet.
▪Het EVRM beperkt de vrijheid van meningsuiting bij nationale wetgeving, en voor zaken als nationale
 veiligheid, territoriale integriteit, openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare
 feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of
 de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het
 gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Vooraf verbieden is terecht een democratische doodzonde. Toch is het de overheid toegestaan niet
alleen het uitbrengen van bepaalde geschriften of informatiedragers te verbieden, maar ook het in bezit
hebben, mits dat gebeurt op basis van een rechterlijke uitspraak van ná het uitbrengen ervan. En daar
zouden wij volgens mij heel voorzichtig mee moeten zijn, zeker m.b.t. de politieke aansturing. Contro-
versiële geschriften floreren immers vooral als zij verboden worden. Je kunt ze beter vrijlaten zodat zij
door de samenleving van annotaties kunnen worden voorzien (vb. Mein Kampf).
In beide rechtsbronnen, de Grondwet en het EVRM, wordt de vrijheid van meningsuiting niet beperkt
waar anderen verontrust of gekwetst worden, en wordt ook beledigen niet expliciet uitgesloten. 
Deze interpretatie-ruimte en het gebrek aan eenduidigheid en transparantie heeft velen tot de over-
tuiging gebracht dat dit recht buiten-proportioneel ten koste mag gaan van anderen en dat de vrijheid
van meningsuiting alle verbale agressie zou legitimeren. 
Zoals het "onderbouwen" van een mening met persoonlijke beledigingen in woord en gebaar. Of zoals
ik ooit hoorde "Juf, je bent een zeik-wijf", wat na het corrigerende standje gevolgd werd door een ver-
ontwaardigd en klas-breed gedragen statement in de zin van "Dat mag hij zeggen, juf, want dat is zijn
mening" (dat wordt leuk als zij volwassen zijn).
En men waant zich toenemend door dit wetsartikel gesteund bij het ongeremd wereldkundig maken van
allerlei onderbuikgevoelens, met voorbijgaan aan wat zo'n oprisping bij een ander kan aanrichten. Men
heeft er dan blijkbaar moeite mee onderscheid te maken tussen het recht van meningsuiting en de
plicht daartoe, en motiveert die opvatting liever met de vraag "Waarom niet?" dan na te denken over de
tegenvraag "Waarom wel?". Rest ons de principiële publicisten die wij grofweg kunnen verdelen in
klokkenluiders en waarheids-fundamentalisten.

Bij de discussie hoe het nu verder moet staan wij in feite op de tweesprong van twee opvattingen, die
van de oude wereld, Europa, en die van de nieuwe, de Verenigde Staten.

De Europese opvatting van de vrijheid van meningsuiting was gebaseerd op mededogen met de kwets-
baren in de samenleving en op het besef dat de vrijheid van de één niet buitenproportioneel ten koste
mag gaan van die van een ander. Dat is geen transparant beginsel en vereiste dan ook een berg aan
jurisprudentie, maar het werkte omdat het rechtsbeginsel werd gedragen door een gedeelde cultuur.
In onze nog jonge multiculturele samenleving heerst echter geen emotionele consensus meer in de
wijze waarop wij culturele waarde beleven. De nieuwkomers delen dus ook niet het mededogen m.b.t.
oude gezamelijke wonden zoals de holocaust, net zomin als de oorspronkelijke cultuur de open zenu-
wen van de nieuwkomers herkent. Het op emotionele waarden gebouwde systeem van jurisprudentie
wordt niet meer door alle leden van onze samenleving begrepen en gekend, laat staan gevoeld, en dat
leidt over en weer steeds vaker tot ontsporingen.
En onder toenemende druk van de publieke opinie op de wetgevende (politiek) en de rechtsprekende
macht neigt het sociaal-liberale principe van vrijheid in gebondenheid er steeds vaker toe te ontaarden
in een haast autistische onverschilligheid.

In de V.S. ontwikkelde de vrijheid van meningsuiting zich volgens een andere opvatting, eenduidiger,
transparanter maar tegelijk glashard. Het Eerste Amendement op de grondwet uit 1791 maakte de vrij-
heid van meningsuiting immers vrijwel onaantastbaar.
Grove beledigingen blijven onbestraft en worden dan ook vrijwel genegeerd, zolang het motief van de
belediging een vrije keuze of een mening betreft, en geen aangeboren of onvermijdbaar kenmerk.
Sekse, seksuele geaardheid, ras of een lichamelijk gebrek zijn dus als motief niet toegestaan (denk aan
onze haatspraak) en beledigingen in die zin worden dan ook streng vervolgd. Religie wordt kennelijk als
een keuze gezien, want over religieus getinte beledigingen maakt men zich niet echt druk.
Deze opvatting leidt - daar waar beledigen juridisch toegestaan is - tot onverschilligheid, een dikke huid
en emotionele afstomping, en anders tot hysterische hypergevoeligheid en torenhoge schadeclaims.
Het verschil met de Europese opvatting lijkt terug te voeren op de pluriforme structuur van de Ameri-
kaanse samenleving, gebouwd op een traditie van pioniers en migranten uit alle windstreken en met
nauwelijks meer gemeenschappelijke beleefde cultuur dan hun geloof en de liefde voor het vaderland. 
En onder die condities voldoet slechts een eenduidig en transparant systeem, dat iedereen kan be-
grijpen en hanteren, maar dat door het ontbreken van een culturele en emotionele inbedding tevens
meedogenloos is. Voor ons is de grondwet een tool voor het behoud van de burgerrechten. Voor hen
een wapen tegen de staat en de medemens.

Mocht u niet in zo'n maatschappij willen leven en mocht u de voorkeur geven aan ons misschien wat
omslachtiger maar ook menswaardiger opvatting van de vrijheid van meningsuiting, dan doet er goed
aan zich te realiseren dat wij ons op mededogen en tolerantie berustende systeem uitsluitend zullen
kunnen behouden als wij alle deelnemers aan onze multiculturele en gefragmenteerde samenleving
kunnen overtuigen van de noodzaak van wederzijdse begrip.
Wie in deze veranderende tijden voor zichzelf een leefbare wereld wenst, zoekt die niet in aanpassing
van ons rechtssysteem, maar investeert in de maatschappelijke verhoudingen.


Naar boven Meer essays


# menno kater - Vrijheid van meningsuiting, een kritische analyse