Essays

De paradox van de liefdevolle, maar onverschillige God

Home - Columns - Politiek en maatschappij - Filosofie en psychologie - Wetenschap - Cursussen - Computer - Diversen | Printversie

(nautische historie zeiltijd - historie stoomtijd - zeilcursus - motorbootcursus - evolutieleer - evolutie mens - groepsgedrag)



(Odell No.2 ©Schrijf.be copywriting)


Inleiding

In "Antwoord op Job" (1952) koppelt Carl Gustav Jung de bewustzijnsontwikkeling van de mens aan
de evolutie van het beeld dat de mens van God heeft, en plaatst zijn eigen analytische psychologie
binnen het kader van een alomvattend goddelijk bewustwordingsproces. Hij meent dat een nog on-
bewuste God goed en kwaad tegelijk is, en dus gevreesd moet worden.

In de inleiding bij een heruitgave van "Psychologie en religie" van Jung (1939) schrijft Dr. Hugo Van
Hooreweghe in 2000 over een ander werk van Jung uit 1962, "Herinneringen, dromen, gedachten":
"Cruciaal in dit leven staat de menswording van God, een mysterie dat weliswaar verbeeld wordt in
 de  figuur van Jezus Christus, maar voor Jung als levensopdracht voor elk mens is weggelegd, een
 boodschap die zijn eigen leven zin geeft." 

En tenslotte Jung zelf in "Herinneringen, dromen, gedachten" (1962, pag. 290):
"Dit is de zin van godsdienst, dat wil zeggen, - de dienst die de mens kan verlenen aan God - dat er
 licht zal ontstaan uit de duisternis, dat de Schepper zich bewust wordt van zijn schepping en dat de
 mens zichzelf bewust wordt. Dat is het doel of een doel, dat de mens een zinvolle plaats in de
 schepping geeft en daarmee ook aan de schepping zelf zin geeft."

Hoewel zelf geen "Jung-adept", beschouw ik bovenstaande als een in zijn tijd briljante nieuwe insteek
in de oude discussie over de willekeurige en met harde hand straffende God van het Oude Testament,
zelf nog niet los van het kwaad, tegenover de vergevingsgezinde liefdevolle God van het Nieuwe Tes-
stament, tegenpool van het kwaad maar soms pijnlijk terugvallend op oude gewoonten (Openbaringen
van Johannes). Een nieuwe visie, ingegeven door de mede door Jung zelf vormgegeven en toen nog
nieuwe analytische psychologie.
Maar als agnost kon ik bij het lezen van deze inleidende regels weinig anders dan vaststellen dat Jung
zonder de remmende ballast van zijn geloof en zonder zijn worsteling met het kwaad van zijn gods-
beeld, tot een andere visie zou zijn gekomen met behoud van de kern - de rijping van het godsbeeld
door de mens.
Het essay Groepsgedrag, een erfenis uit ons verleden handelt overigens mede over de oorsprong
van de religieuze beleving, maar dan vanuit een biologische invalshoek.

De bijbeltekst-gebonden paradox Niet geremd door preoccupatie met het geloof zou ik de paradox willen benaderen door te stellen dat er in het geheel geen paradox meer is als je de bijbel zou lezen zoals een willekeurige boek dat je aan een literatuurkritisch onderzoek zou onderwerpen. Er doet zich dan geen paradox meer voor omdat het bijbelverhaal helemaal niet over God blijkt te gáán. De Ilias gaat over goden, de Bijbel over mensen. De Bijbel vertelt het verhaal van de rijping van het Joodse volk, met een bijrol voor God als metafoor. Tenslotte ritselt het in de Bijbel van de metaforen, dus waarom zou God in dit prachtige epos niet be- doeld kunnen zijn te functioneren als de spiegel van zijn volk. Wanneer wij lezen dat God met harde hand optreedt, ligt het toch meer voor de hand dat wij slechts de reflectie van onbegrepen menselijke ellende zien die geen andere uitweg ziet dan de rampspoed op God te projecteren. God is dan zo slecht als de mensen hem maken. En omdat een volk rijpt als een mens, zij het veel trager, moet het ons niet verbazen als ook haar metafoor tijdens de rijping puberale trekjes vertoont, en na het bereiken van de volwassenheid af en toe een relaps beleeft en daarbij soms wat stuurs de belangstelling voor zijn schepping lijkt te ver- liezen. Het bijbelverhaal doet God, in zijn rol als metafoor, geen eer aan. Maar dat zegt niets over de morele waarde van een buiten het boek existerende God. Laat u de Bijbel vanuit dit nieuwe perspectief nog eens aan u voorbij trekken. De oudtestamentische God was het hoogste dat het toen nog vrij primitieve joodse volk zich vanuit zijn eigen belevingswereld kon voorstellen. Een wrekende krijgsheer met staf en met baard, die straft met harde hand, van zondvloed tot zoutpilaar. Het zich geleidelijk ontwikkelende joodse volk ontgroeide dat beeld natuurlijk. Te onvolwassen en te feilbaar. God moest samen met hen in intellectuele zin volwassen worden. Het scenario daarvoor vinden wij in het Nieuwe Testament: In de figuur van de wat dwarse Jezus (woekeraars en kooplieden van het tempelplein schoppend) kwam God in de pubertijd, waarna de kruisiging hem liet kennismaken met het lijden dat nodig was om het eerste stadium van de volwassenheid te bereiken, dat van de adolescent. Het proces naar de vol- wassen-wording vond uiteindelijk zijn voltooiing in de symboliek van de opstanding. Het neerdalen van de Heilige Geest schonk het volk tenslotte een abstract godsbeeld, precies wat een cultureel ontwikkeld volk van zijn God verlangt. En waar het godsbeeld dus door haar naartoe werd geschreven. Het Nieuwe Testament is het verhaal van rijping. Niet die van God, maar die van zijn volk. Begrippen als erfzonde en de schuldvereffening door de kruisdood vormen daarbij de menselijke constructies waarmee de feilbaarheid van de van de oudtestamentische God voor de volgende generaties moest worden weggewassen. Op deze wijze kon langs het pad van een zich ontwikkelend volk een grote godsdienst ontstaan. Een aan een enkel individu (Jezus) gebonden geloof zou immers gestorven zijn met haar leider. Maar anders dan de theologie ons leert, impliceert deze visie dat wij de heilige drie-eenheid niet naast elkaar, maar na elkaar moeten zien! Want ook als men meent dat het kind in de volwassene persis- teert, zou God volgens deze zienswijze immers via zijn zoon functioneel zijn overgegaan in de Heilige Geest welke laatste zich overigens gezien het wereldtoneel niet veel aan de schepping van zijn voor- ganger gelegen lijkt te laten liggen.
De niet tekst-gebonden paradox En dat brengt ons tot de vraag hoe het zit met de eerder genoemde morele waarde van een buiten de Bijbel - in het dagelijks leven - existerende God. Als de consequentie van het Nieuwe Testament zou zijn dat het scheppend deel van het godsbeeld niet meer bestaat - de "God is dood" hypothese - dan heeft hij zijn schepping volbracht als een hor- logemaker. En gezien de rampen waarvan het Oude Testament verhaalt, zelfs als een feilbare horloge- maker, wiens schepping haperend doorloopt tot de veer het definitief zal opgeven. Maar dan gaat het nog over de op de bijbeltekst gebaseerde metafoor. Wie echter gelovig is - maar de tekst daarbij loslaat in de zin dat hij openstaat voor interpretatie - en in de wereld om zich heen rampspoeden als uit het Oude Testament herkent, heeft niet veel keuze. Die kan weinig anders dan constateren dat de metafoor niet alleen de God uit de bijbeltekst blijkt te repre- senteren maar ook die uit de wereld daarbuiten. Zoals hij ook zal vaststellen dat God onmogelijk nog betrokken kan zijn bij zijn schepping. En "merkbaar niet meer betrokken" betekent in feite feilbaar en op zijn minst "effectief afwezig". Ik zou de religieuzen die hierin mee kunnen gaan de theoretische stelling in overweging willen geven of God dan niet in diepste zin de eveneens alles scheppende Big Bang is. God zou dan slechts een fractie van tijd hebben geëxisteerd, zou geen bemoeienis meer hebben met zijn schepping, en ver- wacht dus ook geen eredienst. Die eredienst dient dan als moment van bezinning alleen de gelovige. Maar als God niet meer effectief zou bestaan, is de echo van de goddelijke vonk alleen nog aanwezig in zijn schepping, en dan is het aan de vruchten ervan het geschenk van het leven te aanvaarden, en actief en vreedzaam (Nieuwe Testament) zorg te dragen voor al met wie of wat hij die schepping deelt (zie ook bovenstaand citaat uit Jungs "Herinneringen, dromen, gedachten"). God mag dan verantwoordelijk zijn voor zijn gebleken feilbaarheid, maar voor wat er in de wereld plaatsvindt is de mens zelf verantwoordelijk, meestal collectief, soms ook individueel. En voor een feilbare God geldt net als voor de mens, dat verantwoordelijk niet altijd hetzelfde is als schuldig, wat - voor wie wil - een antwoord zou kunnen zijn op genoemde paradox. Eigenlijk staat alleen degene die vasthoudt aan de letterlijke bijbeltekst voor een onoplosbaar dilem- ma. Maar niet in de zingeving, want ook hij wordt geacht het geschenk van de schepping in de zin van het Nieuwe Testament met goed rentmeester te onderhouden. In het essay Zingeving ga ik overigens ook in op de zingevings-vraag, maar dan vanuit een meer biologische invalshoek. Onze lotsbestemming en zingeving, en dat geldt in overdrachtelijke zin ook voor een agnost als ik, ligt dus in die dichtregel van Willem Kloos besloten: "Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten".
Naar boven Meer essays


# menno kater - De paradox van de liefdevolle, maar onverschillige God