Essays

Hoe betrouwbaar zijn waarneming en informatie?

Home - Columns - Politiek en maatschappij - Filosofie en psychologie - Wetenschap - Cursussen - Computer - Diversen | Printversie

(nautische historie zeiltijd - historie stoomtijd - zeilcursus - motorbootcursus - evolutieleer - evolutie mens - groepsgedrag)



(Remington No.21 Vertical Adder ©Schrijf.be copywriting)


Informatie is minder betrouwbaar, coherent, lineair en continue dan wij altijd veronderstellen, en dat
kan grote gevolgen hebben voor onze samenleving.
Maar laat ik, om u als lezer niet direct de gordijnen in te jagen, beginnen met een analyse van de
betrouwbaarheid van ons waarnemingsvermogen.

Wij zijn gewend de wereld om ons heen te beschouwen als het gevolg van een volledige waarneming
zonder "informatiegaten".
In werkelijkheid bouwen wij echter een schijnwereld op, die bestaat uit een snelle visuele scan van een
beperkt aantal beeldpunten, waarna ons geheugen en de ervaring die wij hebben met soortgelijke
omgevingen zorgt voor de verdere invulling van dit onvolledige beeld.
Vervang die rode vaas die al jaren voor het raam staat door een even grote rode theemuts, en onze
proefpersoon zal er niets van merken. Verplaats je de vaas echter naar de hoek van de kamer, dan zal
diezelfde proefpersoon ons er onmiddellijk op wijzen.
De gemaakte omgevingsscan volstaat blijkbaar met de waarneming of er al dan niet iets roods op de
juiste plaats staat, en als grootte en plaats van dat rode ding correct zijn maakt het geheugen er
doodleuk een vaas van.
Onze proefpersoon zal naderhand bereid zijn onder ede te verklaren dat hij zich met honderd procent
zekerheid herinnert de rode vaas te hebben gezien.
Aardig is dat als iets beweegt, het even wat extra aandacht krijgt omdat beweging "levend" suggereert,
en dus mogelijk gevaar. Wij onderscheiden het ook beter tegen de stilstaande achtergrond. Denk bij
dat laatste aan een kip die in korte rukjes onder zijn telkens stilstaande kop doorloopt. Als iets levends
eenmaal gecheckt en in orde bevonden is, schenken wij er geen extra aandacht meer aan, zeker niet
als het ook nog eens gaat stilstaan. Het is dan net als levenloze zaken onderwerp van invulling in
plaats van scanning.  Denk daarbij aan bedienden die in rijke families tijdens het diner doodstil langs
de muur stonden. Men vergat hen eenvoudig, zozeer zelfs dat men in hun aanwezigheid zeer vertrou-
welijke en intieme zaken besprak. Desgevraagd zou men achteraf aangeven dat zij er de hele avond
gestaan hadden, eenvoudig omdat dit altijd het geval is zodat het geheugen het als gezien onder de
waarneming zal schuiven.

Wat voor onze visus geldt, gaat ook op voor ons geheugen. Onze herinnering bestaat uit een paar
sleutelgegevens, die door ons intellect tot een schijnbaar continue herinnering wordt omgewerkt.
Een tendentieuze vraag aan een proefpersoon zal ertoe leiden dat de in de vraag besloten informatie
bijdraagt aan de invulling van de informatiegaten.
"Heeft u gisternacht dat glasgerinkel gehoord?" De proefpersoon die wel was geschrokken van enig
lawaai, zal de vraag bevestigend beantwoorden, ook als er bij dat lawaai van glasgerinkel geen sprake
was.
Onze proefpersoon zal niet meer in staat te zijn de tussengeslopen informatie als niet oorspronkelijk te
herkennen.
Een correcte getuigenis voor een rechter is dan ook principieel niet mogelijk, en zou zelfs door een
kwaadwillende rechercheur via de vraagstelling gemanipuleerd kunnen worden.

Het populaire docu-drama zal op soortgelijke wijze onze geheugenopbouw vervuilen. Wie kan met
zekerheid zeggen welk deel op werkelijkheid was gebaseerd, en welk deel op fictie? En wie zal zich
later nog kunnen herinneren dat de ingeplante informatie afkomstig was uit zoiets banaals als een
docu-drama?
Vaak geven historische films bovendien slechts terloops aangeboden informatie, die dan ook nog eens
wordt aangepast aan de waan van de dag. En natuurlijk zonder plaats- en tijdrelaties tot de historische
context.
Dit leidt ertoe dat de consument ten onrechte denkt dat hij nu alles over het verfilmde onderwerp weet,
terwijl de informatiedichtheid van beeldmateriaal ongelooflijk gering is. Wat hij gezien heeft is onvol-
ledig, bewerkt, en uit zijn verband gerukt. Maar ja, het moet natuurlijk wel verkopen...

Onze neiging tot neurotische informatieverwerking helpt ook niet echt.
Van de psyche is bekend dat zij de neiging heeft aantrekkelijke informatie te versterken, en onge-
wenste informatie te onderdrukken of te vervangen.
Wij zien slechts wat wij willen zien, ook als het tegendeel er toch echt dik op ligt.
Zoals wij ook slechts ervaren zoals onze stemming ons toestaat. Stemming die sterk afhankelijk is van
onze hormoonhuishouding (verliefdheid, pubertijd, zwangerschap, menopauze en aandoeningen van
onze endocriene klierstelsel), de geestelijke gezondheidstoestand en medicatie.
(zie het essay Additieve programmering, de strategie achter psychotherapie)

En dan het meest invloedrijke doorgeefluik voor informatie, de journalist.
Natuurlijk geldt ook voor hem dat sappig nieuws beter verkoopt. Dat kleurt zijn nieuwsgaring, maar
ook zijn presentatie. De niet onderbouwde vooroordelen van volkomen onwetende "ervaringsdeskun-
digen" krijgt soms meer ruimte dan de meerwaarde van de goed ingevoerde experts.
(zie het essay Manipulatie van het nieuwsaanbod)
En dan is een journalist ook nog eens onderhevig aan de druk die vooroordeel, massahysterie en
politieke correctheid uitoefenen op zijn integriteit. Er zit immers altijd enige ruimte in de betrouwbaar-
heid van zijn informatie, en die ruimte kan hij bespelen door interpretatie en selectie van nieuwsfeiten
en van de meegeleverde argumenten.
Deze manipulatie werpt de controversiële vraag op wie beter geïnformeerd is.
Hij die leeft in een land met een vrije pers en die in onnozelheid denkt dat deze onafhankelijk en dus
betrouwbaar is. Of hij die in een dictatuur leeft, maar die zich daarvan bewust is en daarom kritisch
staat tegenover alle informatie die hem via de officiële kanalen bereikt. Valse informatie lijkt mij
gevaarlijker dan geen informatie, omdat men er niet op kan anticiperen.

Nu eens iets geheel anders.
Het volgende fenomeen komt u mogelijk wat gezocht over, maar is in het veld van neuro-psychologen
en neuro-fysici inmiddels algemeen aanvaard.
In hoeverre voeren wij de regie over ons handelen? Nemen wij echt planmatige beslissingen waarna
wij dat plan uitvoeren? Of zijn wij een door evolutie, opvoeding en ervaring diepgeprogrammeerde
biologische computers die ons lichaam op een ontstellend complex niveau zelfstandig buiten ons be-
wustzijn om laten handelen?
Ons bewustzijn zou dan als een soort droommachine na-ijlen op ons handelen, en daarmee dit
precognitief handelen van een context voorzien die ons ten onrechte de indruk geeft dat wij er zelf de
regie over voeren. Het door ons handelen gegenereerde bewustzijn (ipv een door ons bewustzijn
gegenereerd handelen) zou een evaluatie van de uitgevoerde gedrags-reflexbogen mogelijk maken,
waardoor deze op fouten kunnen worden gecorrigeerd en met de methode van "trial and error" aan de
levenslang voortgaande programmering kunnen bijdragen (experimenten van Grey Walter in 1963, van
Benjamin Libet in 1979, van Bechara en Damasio in 1997 en van John-Dylan Haynes in 2008).
De desondanks bestaande indruk van een lineair en continu bewustzijn suggereert invulling van de
informatiegaten met informatie uit soortgelijke situaties in het verleden.
Zo'n droommachine moet wel gevolgen hebben voor de betrouwbaarheid van de informatie-verwer-
king.
(zie essay Vrije wil versus na-ijlend bewustzijn)

Historie is in feite overgedragen geheugen waarmee duidelijk wordt dat falen van perceptie en door-
gifte van informatie ook gevolgen moet hebben voor de kwaliteit van onze geschiedschrijving.
Bovendien geldt de regel dat de overwinnaar doorgaans de geschiedenis herschrijft, zodat wij elke
poging tot geschiedschrijving minstens subjectief, en soms zelfs malafide moeten noemen.

In de Middeleeuwen was de wijze waarop men de historie beleefde statisch met cyclische elementen.
De wereld leek onveranderlijk, en men kon er dus mee volstaan de bestaande kennis aan het na-
geslacht door te geven. Men kwam daardoor steeds verder van de ooit begrepen werkelijkheid af te
staan en slaagde er slechts moeizaam in zelf nieuwe kennis te verwerven. Ambachtelijk vernuft lijkt te
zijn ontkomen aan deze malaise.
Afwijkingen van de gangbare kennis werden zorgvuldig, en soms zelfs wetenschappelijk frauduleus,
weggepoetst. Zo was het niet ongewoon bij een anatomische les een orgaan zodanig te "corrigeren"
dat die met de gangbare opvatting overeenkwam. Waarom de studenten vermoeien met een overigens
hardnekkig terugkerende anomalie?

Op kleinere schaal zag men wel veranderingen, maar die ervoer men als cyclisch, en dat staat de facto
gelijk aan statisch. Ik bedoel daarmee de wisseling van de seizoenen, de loop van het leven van ge-
boorte tot dood etc.
Binnen de reikwijdte van één leven was het niet mogelijk verandering te zien, en inzicht over meerdere
generaties heen werd door de kerk verboden, of in analfabetisme gesmoord.

De Renaissance bracht een nieuw elan. Men begon de bestaande kennis te herzien en uit te breiden
door onderzoek en experimenten. De daarvoor benodigde wetenschappelijke discipline moest nog
ontwikkeld en vooral in het denken geïntegreerd worden. De mens moest zich van geleerde tot weten-
schapper ontwikkelen, en dat bleek een moeizaam en langdurig proces. Experimenten wilden nog
wel eens sneuvelden onder "wishfull thinking", en werden niet zelden bij maanlicht uitgevoerd...
Gevolg van dit nieuwe denken was dat de beleving van de historie zijn statisch karakter verloor, en een
meer lineaire beleving werd, die onstuitbaar voortging op een weg, waarop geen terugkeer mogelijk
was. Gebeurtenissen hingen niet alléén samen in plaats, maar ook in tijd.
De geschiedenis bleek zich, anders dan veel mensen zelfs nu nog denken, niet te herhalen. De kleine
cyclus van het leven bleef, maar van die rustgevende statische wereld was geen sprake meer. Het
moet de geletterde Middeleeuwer met vrees hebben vervuld.

Met de komst van de computer staan wij voor een nieuwe revolutie in de beleving van onze historie. 
Deze kenmerkt zich door een toenemende fragmentatie en door een afnemende betrouwbaarheid van
de bronnen.
Kennis wordt ons in onze moderne samenleving gefragmenteerd aangeboden, en er wordt geen lineair
verband meer gelegd tussen tijdperken en gebeurtenissen.
Als u op de computer een encyclopedie raadpleegt, blijkt alle informatie neergelegd in gezellig lezende
artikelen. Mocht u onverhoopt de juiste titel van zo'n artikel niet weten, dan bent u aangewezen op de
zoekmachine die voor u alle artikelen selecteert waarin de door u ingevoerde zoektermen voorkomen.
Als het grote aantal hits de informatie niet al onbereikbaar heeft gemaakt, dan blijkt bij openen van de
geselecteerde artikelen dat de gezochte info daar slechts terloops ter sprake komt. Vaak zal er geen
enkel artikel aanwezig zijn dat de gezochte informatie op systematische wijze samenbrengt. Men moet
die informatie dus zelf uit vele terloopse vermeldingen tot een duidelijk beeld transformeren.
Dat moet wel ten koste gaan van coherentie en volledigheid. Bovendien zullen de meeste mensen er 
snel genoeg van krijgen, en hun belangstelling verliezen. Maar niet voordat zij zichzelf al vergiftigd
hebben met onvolledige informatie. Nog afgezien van de associatie met de ergenis die het gezochte
onderwerp voortaan onbewust bij hen zal genereren.
Realiseert u zich overigens dat de markt van zoekmachines vrijwel geheel in handen is van Google, en
dat dit betekent dat wij zijn overgeleverd aan hun zoekstrategie. Hun software plaatst de sites, waar-
naar de meeste links verwijzen, bovenaan de lijst met zoekresultaten. De volgorde daarvan wordt dus
door de gebruiker bepaald. Populaire sites worden dan steeds prominenter en sites voor een kleiner
publiek verdwijnen in de obscuriteit, en onbereikbaar staat de facto gelijk aan afwezig. Zo'n zoek-
strategie leidt dus tot vervlakking en verlies van informatie.
Bovendien lopen wij met zo'n monopolie het risico van manipulatie van zulke sites die de monopolist
om hem moverende redenen (advertentie-inkomsten of mogelijk zelfs politiek motieven) op de hoogste
plaatsen wil zien. En onderzoek heeft aangetoond dat de meeste gebruikers alléén de eerste pagina's
met zoekresultaten bekijken.
Maar het kan altijd erger: Wikipedia is een interactieve web-encyclopedie, waar iedereen artikelen kan
plaatsen, en reeds opgenomen artikelen kan redigeren. Deze encyclopedie is daardoor steeds onge-
looflijk actueel en blijkt voor veelvuldig geraadpleegde artikelen ook redelijk zelfreinigend. Maar dat
geldt niet voor minder bezochte artikelen, en dat vergeet je als je er een tijdje mee werkt.
Inmiddels heeft Google de web-computer mogelijk gemaakt met data-opslag en met on-line gebrui-
kersprogramma's op een server ("computing in the cloud"), en ik kan met weemoed terugdenken aan
de tijd dat wij in Microsoft de gevreesde en almachtige Big Brother meenden te moeten zien. Zo'n
moloch kan de informatiestroom dan in meer dan één zin volledig controleren.

En dan de kwaliteit van de kennis die men aan het internet probeert te ontlokken.
Net als bij de encyclopedie zullen er bij gebruik van voorgenoemde zoekmachines te veel hits zijn,
vaak tot in de tienduizenden. Natuurlijk kunt u het aantal hits beperken door de zoekterm beter te
definiëren, maar velen van ons zullen die moeite niet willen opbrengen.
Wie volhoudt, strandt vervolgens op de vraag hoe de deskundigheid van de auteur van een artikel
moet worden ingeschat.
De mededeling dat de schrijver verbonden is aan een prestigieus onderzoekscentrum kan nauwelijks
een geruststelling zijn. Misschien gaat het wel om een pokdadige puber die zich voor de gein voordoet
als hoogleraar kernfysica. En mocht hij een paar slimme trefwoorden aan de tekst hebben toegevoegd, 
dan scoort hij veel hits en stijgt voor de argeloze consument de betrouwbaarheid van de door hem ge-
plaatste nonsens. Eénmaal in de molen van de hits, genereert zo'n systeem zijn eigen waarheid. 
Bent u in het bezit van een site-adres waarvan u weet dat de informatie betrouwbaar is, dan zal het
verder wel lukken. Toch zult u zich ook dan moeten blijven realiseren dat éénmaal bewezen betrouw-
baarheid niet tot in lengte van dagen gegarandeerd is. Gaat de wetenschapper die u vertrouwt wel net
zo zorgvuldig met zijn bronnen om als u? En waren die bronnen zelf ook zo zorgvuldig?

En hoe bevattelijk zijn wij voor desinformatie?
De werkelijkheid is altijd gecompliceerd, en daarom moeilijker aan iemand uit te leggen dan een
simplificatie, een goed liggende verdraaiing, een puur verzinsel of een regelrechte leugen. En wat zal
dan eerder geloofd worden? De saaie werkelijkheid, of die oneindig aantrekkelijker vormgegeven,
gemakkelijk te begrijpen en intuïtief aan te voelen desinformatie?

Een origineel is niet te onderscheiden van een kopie. Traceren van bron en ouderdom zal voor latere
generaties onderzoekers dus niet mogelijk zijn.
Erger is dat ook een bewerkte versie niet herkenbaar bewerkt is. Dus welke is het origineel?
En wat te denken van in oud format opgeslagen gegevens die door de evolutie van de software on-
toegankelijk of gemutileerd raakt.
Zo worden onderzoeksresultaten per definitie onbetrouwbaar voor herinterpretatie, en ongeschikt om
te gebruiken voor een vervolgonderzoek. Elk reeds afgesloten onderzoek moet dus steeds opnieuw
worden gedaan, voordat een onderzoeker er zijn eigen vervolgonderzoek op kan bouwen, of het ermee
kan verifiëren. Dat is duur, en kost veel tijd. Hoeveel onderzoekers zullen dan hun ogen sluiten voor de
mogelijke onbetrouwbaarheid van de overgenomen onderzoeksgegevens?

Informatie is in toenemende mate onjuist, onvolledig, fragmentarisch en ongerelateerd. Beeld- en
geluidmanipulatie zijn nu reeds algemeen, en de virtuele wereld zal voor velen belangrijker worden dan
de levende realiteit. Deze onoverzichtelijke en ongewisse toestand roept vele vragen op:
Moeten wij nu bang zijn voor de naderende veranderingen, of zullen wij er, net als indertijd die Middel-
eeuwer, op den duur wel aan wennen?
Is de huidige lineair-historische visie correcter dan dat wat ons wacht? Vond de Middeleeuwer dat ook
niet toen de lineaire historie zijn statische wereldbeeld begon aan te tasten?
Of zal er altijd een voldoende groot circuit binnen de samenleving blijven bestaan, waar men de voor-
keur geeft aan een wereldbeeld volgens lineaire principes en zorgvuldig beschermde informatie-
banken?
Kan de desintegratie van kennis ook een zodanige omvang krijgen dat techniek en wetenschap gaan
stagneren? Bijvoorbeeld omdat wij bij gebrek aan betrouwbare informatie niet meer kunnen voort-
bouwen op voorgaand onderzoek, of omdat wij desinformatie niet meer kunnen onderscheiden van de
echte. En zou die stagnatie ons op den duur de technologie kunnen doen vergeten die onze samen-
leving van de essentiële infrastructuur en levensbehoeften moet voorzien?

Er is momenteel geen tekort aan rampenscenario's. Toch zullen wij er rekening mee moeten gaan
houden dat, als wij dit defect niet gaan neutraliseren, onze samenleving binnen enkele generaties ook
als gevolg van de informatie-disorder zou kunnen verdampen.
Ik zou willen inzetten op lineair onderwijs, de ontwikkeling van een waarmerk-technologie en het op-
zetten van beschermde, publiek toegankelijke databanken van wetenschappelijke, technologische
en culturele aard.


Naar boven Meer essays


# menno kater - Hoe betrouwbaar zijn waarneming en informatie?