Essays

Groepsgedrag, een erfenis uit ons verleden

Home - Columns - Politiek en maatschappij - Filosofie en psychologie - Wetenschap - Cursussen - Computer - Diversen | Printversie

(nautische historie zeiltijd - historie stoomtijd - zeilcursus - motorbootcursus - evolutieleer - evolutie mens - groepsgedrag)



(Oliver No.5 ©Schrijf.be copywriting)


Samenvatting:

Dit essay probeert eerst te duiden waarin de mens zich in essentie onderscheidt van de mensaap, en
het concludeert dan tot de "Theory of Mind", de onderscheidende culturele intelligentie in de zin van
inlevingsvermogen (empathie) en gezamenlijke aandacht (joint attention). Alleen de mens blijkt in staat
de bedoelingen van een ander in te schatten door zich in die ander in te leven in plaats van het af te
leiden uit waarneembaar gedrag.
Vervolgens legt het essay verbanden met onze neiging tot het aangaan van religieuze, maatschap-
pelijke en politieke commitments en met  onze neiging tot groepsgedrag. Na beschrijving en bio-
logische onderbouwing wordt geconcludeerd dat het in aanleg om een evolutionair nuttige aanpassing
gaat die in onze moderne muliculturele en globalistische samenleving echter niet zonder risico is.


Intelligentie en joint attention

Wat de mens in wezen onderscheidt van de hogere primaten waaruit hij voortkwam, is niet zijn
intelligentie in relatie tot de fysieke wereld, maar zijn unieke vermogen tot het aangaan van een
specifiek sociaal netwerk.

Ter ondersteuning twee onderzoeken, waarvan het eerste het vermogen tot (zelfs abstracte) intel-
ligentie bij mensapen aantoont, en waarvan de laatste laat zien waarin de moderne mens in essentie
van zijn vroegste voorouders en van de mensapen verschilt. 
 ▪Een primatologen-team van het Leipziger Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie gaf
   vijf orang oetans een plexiglas buis met een klein beetje water waarop een pinda dreef. Orangs zijn
   gek op pindas maar konden er zo niet bij.
   De orang oetans moeten haast wel langs de weg van abstractie tot hun briljante oplossing zijn
   gekomen. Na eerst op routine geprobeerd te hebben de pinda buit te maken door slaan, schud-
   den en bijten, bedachten alle vijf onafhankelijk van elkaar en binnen een tijdsbestek van gemiddeld
   slechts 9 minuten dat de pinda binnen hun bereik zou komen drijven als zij de cilinder vol water
   zouden spugen. En dat terwijl de waterbron vanaf de plek waar de proefcilinder stond niet zichtbaar
   was.
   En bij herhaling van de test gaven zij ook blijk van hun vermogen tot leren, want nu pasten zij alle
   vijf zonder aarzelen direct het ooit gevonden trucje toe.
   (NRC, 05-07-2007)
 ▪Hetzelfde primaten-onderzoeksteam ontwierp een test met mensenpeuters van ongeveer 2,5 jaar oud
   en half-vrij levende, zelfredzame maar nog onvolwassen chimpansees van gemiddeld 10 jaar oud.
   Op deze leeftijd zijn kinderen wel al redelijk zelfstandig maar nog niet beïnvloed door geschreven
   taal, symbolische rekenkunde en formele educatie. De hersengroei en -rijping is op die leeftijd nog
   lang niet voltooid, maar veel dichter bij een cultuurloze natuurstaat kun je waarschijnlijk niet komen. 
   De mensenkinderen en de chimpansees bleken ongeveer even handig als het ging om het be-
   begrijpen van de fysieke wereld, zoals een beloning vinden die geluid maakt, of één die indirect
   zichtbaar werd verwisseld, of die je alleen met een stok kon pakken. Ook bleken zij even goed te
   zijn in tellen.
   Maar het werd anders toen zij problemen moesten oplossen aan de hand van wat anderen voor-
   deden, hints waar een beloning was verborgen moesten doorzien, of moesten begrijpen wat een
   ander tevergeefs probeert te doen, laat staan als het erom ging daar hulp bij te bieden. In het over-
   nemen en succesvol toepassen van ideeën en suggesties van anderen bleken de mensenkinderen
   superieur.
   (NRC, onderzoeksverslag 08-09-2007, en interview van 25-01-2003).

Volgens de "Theory of Mind" zit het beslissende en in het laatste onderzoek zichtbaar gemaakte ver-
schil tussen mens en mensapen niet in de algemene -, maar in de culturele intelligentie in de zin van
inlevingsvermogen (empathie) en gezamenlijke aandacht (joint attention). De mens is in staat om zich 
een beeld te vormen van gevoelens, opvattingen, kennis, begrip en vooral bedoelingen van anderen,
zonder dit af te leiden uit zichtbaar gedrag, maar door zich in anderen te verplaatsen. Deze mentale
omslag voltrekt zich bij de mens vanaf de leeftijd van 9 à 12 maanden. De potentie tot "joint attention"
vormt een empathische drempelwaarde waar de mens juist boven ligt, en de overige primaten net
onder. Het verschil is gering, maar door het drempeleffect beslissend voor de ontwikkeling van beide.
Chimpansees kennen weliswaar culturele overdracht en staan ook bekend om hun sociaal-politiek
vermogen, maar toch vindt innovatief gedrag bij hen maar moeizaam navolging doordat zij elkaar door
de afwezigheid van joint attention nooit op iets attenderen door het aan te wijzen en zij elkaar niet iets
leren. Hooguit staan zij een ander toe hen te imiteren, en bij dat imiteren kijken zij dan alleen naar het
resultaat van een handeling en proberen zij vervolgens op eigen creativiteit dat resultaat te bereiken
i.p.v. de handeling die tot dat resultaat leidde af te kijken en te kopiëren.
Mensen nemen de handelingen wel (en ook vrij kritiekloos) over en blijken met deze weinig creatieve
strategie superieur in het overnemen en succesvol toepassen van ideeën en suggesties van anderen,
en dus ook ontvankelijk voor onderwijs. Door dat ene vermogen is de menselijke cognitie niet langer
een in essentie individuele affaire zoals bij de andere primaten, maar primair een sociaal-collectief
proces. Een slimme of toevallige ontdekking vindt onmiddellijk algemene navolging, zodat al gauw de
hele groep ervan profiteert. Daardoor hoeft niet iedereen hetzelfde talent te hebben, en dat doet de
pluriformiteit en dus ook de overlevingskansen van de groep toenemen, wat deze culturele intelligentie
binnen bereik van de evolutie bracht. Wellicht is dat ook de reden waarom de mens als enige diersoort
gereedschap gebruikt om gereedschap te maken.
Overigens wordt ook een "slecht" idee aanvankelijk kritiekloos overgenomen vanuit het vertrouwen dat
er wel een goede reden voor zal zijn. De niet kopiërende, maar kritisch experimenterende chimpansee
is in dat geval in het voordeel. De mens compenseert dit door achteraf evaluatie en door snel te leren
wie zijn vertrouwen waard is.

In een eerder interview sprak Tomasello, één van de onderzoekers van de Leipziger groep, al het
vermoeden uit dat in de beperkte empathie mogelijk ook de verklaring ligt voor het ontbreken van echt
taalgebruik bij de niet menselijke primaten. Door te spreken willen wij immers onze gesprekspartner op
subtiel niveau beïnvloeden, dus wie geen benul heeft van het bestaan van de geest bij anderen, zal
ook geen behoefte voelen iets te zeggen. Chimpansees blijken uit proeven met symbolen-borden en
gebarentaal wel over de aanleg voor taal te beschikken, wat moge blijken uit de compilatie van een
gebaar voor "Watermelon" uit die van "Drink" en "Fruit", en voor "Nut" uit die van "Stone" en "Fruit"
(project Washoe van het Institute for Primate Studies in Oklahoma). Maar niet over een evolutionair
"belang" voor de verdere ontwikkeling ervan in de zin van anatomie en innervatie (zenuwvoorziening).

De onderzoeksgroep vermoedt dat de fysieke intelligentie van de geteste kinderen en de chimpansees
ongeveer overeenkomt met die van hun gemeenschappelijke voorouder van zo'n 6 miljoen jaar gele-
den. En dat impliceert dat een in isolement opgegroeid modern mens zonder sociale wisselwerking,
opvoeding en opleiding in dat opzicht nauwelijks zou verschillen van die verre voorouder of van een
chimpansee.

Wellicht ligt dit fenomeen ook aan de basis van onze opmerkelijk hardnekkige neiging tot het klakke-
loos aanvaarden van op overtuiging gebaseerde religieuze, maatschappelijke en politieke gevoelens.
Die onttrekken zich immers door gebrek aan bevestigend bewijs aan achteraf-correctie, terwijl ook het
tegendeel niet te bewijzen is.
En daarmee ligt het ultra-sociale gen aan de basis van zowel geloofsbeleving als groepsgedrag. Beide
-in aanleg onschuldige- producten van een evolutionair succesvolle ontwikkeling zijn in onze multi-
culturele en globalistische samenleving niet zonder risico.

Het geloofs-gen De vroege mens leefde in een uiterst beperkte genenpool, bestaande uit familie en uit de bewoners van de meest nabijgelegen dorpen. Geloofsuitoefening waarbij gezamenlijke riten grote groepen mensen over vaak aanzienlijke afstanden bijeen brachten zal de door gewoonten dichtgetimmerde relaties en de rigide stamregels hebben door- broken. Dergelijke contacten tussen niet verwante groepen waren niet zonder risico, maar tegelijk gunstig voor de genetische diversiteit. Het verhoogde de kans de soms dramatisch wijzigende levensomstandig- heden (droogte, koude en ziekte) met tenminste een deel van de stam te overleven. Het zal dan ook geen verbazing wekken dat evolutiebiologen voor zo'n functionele eigenschap een genetische achtergrond vermoedden. En inderdaad, institutioneel geloof is weliswaar een kwestie van opvoeding, maar de ontvankelijkheid ervoor blijkt uit tweelingenonderzoek voor 50% erfelijk bepaald. Wij zouden kunnen spreken van een geloofs-gen, maar de verwachting ligt voor de hand dat dit hetzelfde gen is als het ultra-sociale gen dat codeert voor de eerder genoemde joint-attention. Het idee is dat als die cognitieve functie eenmaal actief is, hij niet meer uitgezet kan worden waardoor wij de neiging hebben bedoelingen toe te kennen aan elke instantie buiten onszelf met inbegrip van de ons omringende levende en dode natuur die wij vervolgens proberen te bezweren met rituelen en leef- regels. Het is experimenteel vastgesteld dat zelfs agnosten en atheïsten niet blijken te ontkomen aan een onbestemd gevoel zich onder een moreel zoeklicht te bewegen. Dat is op zichzelf al een evolutionair voordeel omdat altruïstisch gedrag gunstig is voor de gemeenschap en voor de directe verwanten (psycholoog Jesse Bering in het boek "The God Instinct" uit 2011). De werking van het gen kan ondersteund zijn door behoefte aan bescherming vanuit een andere wereld als compensatie voor het verlies van de ouderlijke zorg. Mogelijk versterkt door het optreden van neotenie, het vermoede fenomeen dat de mens niet echt volwassen wordt, maar in bepaalde opzichten geestelijk en lichamelijk in een infantiele ontwikkelingsfase is blijven hangen met als voor- deel behoud van speelsheid en nieuwsgierigheid, maar ook van onzekerheid en angst. Mystieke ervaringen kunnen overigens ook een neuro-pathologische achtergrond hebben, zoals schizofrenie en delirium (hersenletsel, intoxicatie, infectieziekten, koorts, epilepsie). (New Scientist, inzendingen-dispuut in 1997) Nu heeft geloof de neiging de gemeenschap te verdelen in aanhangers en buitenstaanders. Bovendien deed het door gezamenlijke riten toegenomen aantal contacten met meer afgelegen groepen de kans op conflicten toenemen, wat de gemeenschap vervolgens weer voorzag van een gezamenlijk beleefd vijandbeeld en van een rigide cohesie. Die onderlinge trouw beschermde de geloofsgemeenschap weliswaar tegen gevaren van binnenuit en van buitenaf, maar bevatte daarmee tevens de kiem voor het uitdiepen van door het ultra-sociale gen gegenereerd groepsgedrag.
Groepsgedrag Wij lijken op het eerste gezicht vrijheid van handelen te hebben. Maar die vrijheid is in de praktijk heel betrekkelijk want de zorg voor een ander blijkt door het wederkerig karakter ervan gunstig uit te pakken voor onszelf, als ook voor de kansen van onze genen. Altruïsme is dan ook een product van de evolutie. Het wederkerig belang zal ons er dus onder normale omstandigheden van bewust doen zijn dat die vrijheid van handelen niet buitenproportioneel ten koste mag gaan van die van onze mede- mens. Het is jammer voor de kwaliteit van onze samenleving dat dit laatste alléén blijkt op te gaan voor de individuele mens en niet voor de mens in groepsverband. Binnen de groep is de onderlinge zorg ook groot, zéér groot zelfs, maar die extra aandacht gaat ten koste van de betrokkenheid naar mensen buiten de groep. Daarin doet zich juist een verharding voor, en ontwikkelt zich een vorm van groeps- gedrag die sterk leunt op biologisch ingegeven defensieve reflexen. Nu is dergelijk groepsgedrag natuurlijk niet iets permanents, maar eerder een steeds terugkerende toestand in een verder individueel leven. Gelukkig maar, want zoals uit onderstaande zal blijken, is een mens eigenlijk alleen in de individuele fase zinvol aanspreekbaar op zijn maatschappelijke ver- antwoordelijkheid in ruimere zin dan de nabije groep. Groepsgedrag hoefde in de meer omvangrijke stamgemeenschappen, die behoefte hadden aan een eenduidige krachtige leiding, niet altijd nadelig uit te pakken. Het fenomeen was zelfs noodzákelijk voor hun voortbestaan. Geheel zonder groepsgedrag zou een grote populatie mensen niet kunnen functioneren. Het ontbreken van de bereidheid zich te conformeren aan een eenduidige leiding zou immers conflicten binnen de populatie met zich meebrengen. En er is nu eenmaal een grote populatie nodig om zeker te zijn van voldoende diversiteit binnen de genenpool. En groepsgedrag verminderde de onderlinge agressie, mobiliseerde de gemeenschap tegen de vij- andige buitenwereld en concentreerde alle aandacht en alle beschikbare middelen op de eigen groepsleden. Men zorgde alleen voor wat nabij was want buiten de grenzen van de genenpool is die energie biologisch gezien vergooid. Maar tijden veranderen en in een moderne samenleving vormt zulk groepsgedrag met zijn naar buiten gerichte onverschilligheid en intolerantie een risico voor de gemeenschap en in deze globalistische tijd zelfs een risico voor de soort als geheel. Deze opmerkelijke biologische onevenwichtigheid kan worden verklaard uit het gegeven dat de omstandigheden waaronder dit groepsgedrag een risico voor de soort begonnen te vormen, nog te recent zijn om al door evolutionaire processen gecorrigeerd te zijn. De mens is een sociaal levende diersoort, en een groep mensen van beperkte omvang kan dan ook zeer productief teamgedrag vertonen. Wij spreken in dat verband van synergie; het niveau van de groep ligt hoger dan dat van de som van zijn delen. Voorwaarde is dat de groep niet meer dan zeven mensen telt (op te rekken tot negen) en evenwichtig is samengesteld, zonder botsende persoonlijk- heden of een te dominante leider. Het kan geen toeval zijn dat dit aantal overeenkomt met het waarschijnlijke aantal mannen van de gemiddelde prehistorische jachtgroep. Die bovengrens zal dan ook wel een evolutionaire oorsprong hebben. Maar de mens is, mits hij zelf geen leiderschap ambieert, ook biologisch geprogrammeerd om binnen een grotere groep dan die van een jachtgroep niet al te veel op te vallen. Hij zal dan bij voorkeur onderduiken in de groepsanonimiteit om in de veilige luwte de uitkomst van de strijd om het leider- schap af te wachten zodat hij op het goede moment en zonder risico de kant van de winnaar kan kiezen. Hij valt dan terug op primair defensieve gedragsvormen die geen agressie trekken en de saam- horigheid verhogen, zoals conformeren aan de groepsnorm, onvoorwaardelijke onderlinge trouw, xenofobie, territoriumdrift, een gemeenschappelijk beleefd vijandbeeld, simplificatie in standpunten zonder ruimte voor nuance, groepsgebonden superioriteitsgevoel, buitenproportionele ontlading in gedrag en meningsvorming, hysterie, en tenslotte het blind volgen van de nieuwe leider. En hoe groter deze groep, des te groter is het aanzuigend effect van dit groepsgedrag op de andere leden van de gemeenschap ("Groupthink", Irving Janis, Yale University, '70). Er is nu geen sprake meer van productief teamgedrag. De leider tolereert immers geen kwaliteiten die de zijne overstijgen, en de groepsleden zullen dat door defensief gedrag respecteren. Het groeps- niveau is minder dan de som van de delen, en ook minder dan dat van het beste teamlid. Want leider- schap krijgt men door andere eigenschappen dan die welke bijdragen aan het succes van de groep als team. Als een uitdager bovendien niet duidelijk dominant en geen serieuze kandidaat voor het leiderschap is, zal de groep agressief de zijde van haar oude leider kiezen, deels omdat dat beter is voor de eigen positie, deels omdat een snelle beslissing de rust herstelt. En rust is beter voor de groep dan een voortdurende en risicovolle strijd van kansloze uitdagers om het leiderschap met voorspelbare uitkomst. Illustratief voor het verschil in gedrag binnen kleine en grote groepen is de waarneming dat er zich tijdens het functioneren in klein teamverband zoals bij de jacht, en zonder publiek, geen echte strijd om het leiderschap voordoet. Dat begint pas weer na hereniging met de volledige gemeenschap. Daar is de geïnvesteerde energie en het fysieke risico van de machtsstrijd immers veel beter besteed omdat elk groepslid dan met slechts één gevecht de nieuwe krachtsverhoudingen zal kennen en respecteren. Beschreven groepsgedrag moet niet verward worden met het onder moderne "wiki-aanhangers" populaire fenomeen van "the wise crowd". Dit fenomeen doet zich bijvoorbeeld voor als een groot aantal mensen uit een aselecte populatie wordt gevraagd een schatting te doen van het aantal knikkers in een pot en het groepsgemiddelde dan verbazend dicht bij het juiste antwoord blijkt te lig- gen. Dit is echter geen groepsgedrag, omdat de mensen individueel en onafhankelijk naar hun mening wordt gevraagd. Op het moment van de besluitvorming betreft het dus een verzameling losse indi- viduen, en geen interactieve groep mensen. En statistiek doet de rest. Het vóórkomen van een minderheid van vrij denkende individualisten is een evolutionair gunstige eigenschap omdat het ongewenst en niet-productief groepsgedrag kan neutraliseren en misstanden zichtbaar kan maken. Bovendien vormen zij vaak de bron voor nieuwe leiders wanneer de oude leider tot inertie of voor de groep schadelijk totalitair gedrag vervalt, ofwel om fysieke redenen mocht weg- vallen. Naast extreme omstandigheden als een economische recessie (Nazi-Duitsland) of een dreigend ge- vaar (V.S. na 9/11), is vooral het al dan niet aanwezig zijn van voldoende tegendruk van vrij denkende individualisten bepalend of een samenleving onder groepsdruk zal bezwijken. Het is in dit verband zinvol te beseffen dat een dictator nooit de oorzaak is van een door groepsgedrag langdurig ontsporende samenleving. Wel de aanleiding, niet de oorzaak. Hij is immers slechts degene die de lont bij een al door groepsprocessen uit onvrede gevormd kruitvat houdt. Vroeg of laat zal een dergelijke samenleving zo'n figuur voortbrengen en zichzelf opblazen. Totalitaire regimes worden daarbij geholpen door de ontwikkeling van wapens die krachtig genoeg zijn om dominantie te garanderen voor een zeer beperkt aantal medestanders over een aanvankelijk vaak nog enthousiaste massa, voor wie het daarna te laat is.
Conclusie De maatschappelijke risico's van groepsgedrag zijn nu wel voldoende beschreven. Wij moeten ons daarbij goed realiseren dat politici om electorale redenen nogal eens het oor te luisteren leggen bij de vox populi om zich vervolgens populistisch te kunnen profileren. Dat zou alleen een ethisch probleem zijn, ware het niet dat dit populisme als de tijd er rijp voor is soms ook in beleid wordt uitgedrukt. Dat leidt dan tot een hysterische en kille overheid en tot aantasting van burgerrechten door de buiten- proportionele bevoegdheden die wij die overheid haast terloops toekennen op gebied van preventie, opsporing en handhaving tegen dezelfde burgerij die zij zegt ermee te beschermen. Een overheid die haar positie in feite versterkt door de onderliggende angst aan te wakkeren met politieke repressie tegen vertegenwoordigers van het collectief beleefde vijandbeeld, zowel op het niveau van burgers als op dat van staten. Angst is een "self fulfilling prophecy". Tegelijkertijd toont onze samenleving zowel de sporen van fanatieke geloofsbeleving, als ook van compensatiegedrag voor de momenteel dominante secularisatie, want ook compensatiegedrag is natuurlijk een derivaat van het geloofs-gen. Compensatie kan de milde vorm van "seculier geloof" hebben, zoals gezondheids-, voedings- en lichaamscultus, of doorgeschoten spiritualiteit en esoterie. Maar het kan ook een minder onschadelijk vorm aannemen, zoals etnische en politieke radicalisering, complot-denken, waarheids-fundamentalisme of hysterische angst voor een collectief vijandbeeld en terrorisme. Zulke groepshysterieën kunnen met name in een multiculturele en globalistische samen- leving behoorlijk destabiliserend werken. Het is dan ook van wezenlijk belang dat wij de samenleving bewust proberen maken van de in ons gedrag besloten liggende groepsprocessen door te investeren in een kritische, analytische en individualistische attitude. Verwar dit niet met de juist door die processen aangestuurde scepsis (zie het essay Cynisme en scepsis, werktuig of wapen?). Dat betekent "meer geld voor onderwijs" want op individuele verantwoordelijkheid gericht onderwijs is niet alleen beter en noodzakelijk, maar ook duurder. En openbaar onderwijs (scheiding van kerk en staat) met meer ruimte voor evolutie, filosofie en cultuur. Wij zullen vanuit deze culturele verworvenheden onze biologische aansturing moeten leren herkennen en beheersen, tenminste, als wij als soort de volgende eeuw nog willen halen.
Naar boven Meer essays


# menno kater - Groepsgedrag, een erfenis uit ons verleden