Essays

De ethiek van het recht en de inperking van de burgerrechten

Home - Columns - Politiek en maatschappij - Filosofie en psychologie - Wetenschap - Cursussen - Computer - Diversen | Printversie

(nautische historie zeiltijd - historie stoomtijd - zeilcursus - motorbootcursus - evolutieleer - evolutie mens - groepsgedrag)



(Royal Standard No.1 ©Schrijf.be copywriting)


Inleiding
Het huidige sociaal-politieke klimaat van Nederland kenmerkt zich door onverschilligheid en cynisme
met betrekking tot de burgerrechten (zie Privacy of controlestaat?). De vele recente inbreuken op de
tot voor kort vanzelfsprekende ethiek van ons recht hebben ons toenemend onverschillig gemaakt voor
de kwaliteit van de rechtstaat en wel in zulk een mate dat wij ons later zullen gaan afvragen waar en
wanneer het nu eigenlijk mis ging.
Reden een aantal van die gevallen eens tegen het licht te houden vanuit het referentiekader van een
paar neutrale beginselen:
  -Gelijkheidsbeginsel
  -Eis van consistentie
  -Trias politica
  -Scheiding van kerk en staat
Kunt u zich niet in deze beginselen vinden, dan heeft verder lezen weinig zin. Zoiets als een gesprek
tussen een Jehova getuige en een atheïst, te weinig gemeenschappelijke waarden. Want natuurlijk
zouden de beginselen anders gekozen en overigens ook anders geïnterpreteerd kunnen worden, wat
onverbiddelijk tot een totaal ander essay zou hebben geleid.
Dat u waarschijnlijk net als ik juridisch een leek bent hoeft daarbij geen nadeel te zijn. Mits wij ons
beperken tot bovenstaande beginselen en tot een meer filosofisch dan juridisch standpunt, kunnen wij
de samenleving best langs die meetlat leggen, gewapend met een kritisch verstand en met onze
collectieve kennis van het rechtssysteem.

▪Het gelijkheidsbeginsel stelt dat een ieder voor de wet gelijk en uniek is, vrij in zijn handelen, maar ook
 verantwoordelijk voor zijn handelen. Dat impliceert dat de eigen vrijheid  (of die van de overheid) niet
 buitenproportioneel ten koste mag gaan van die van een ander.

▪De eis van consistentie houdt in dat  wet- en regelgeving niet met zichzelf in strijd mag zijn.

▪De trias politica (scheiding der machten) suggereert dat de wetgevende macht (parlement), recht-
 sprekende macht (rechters) en uitvoerende macht (het hele traject van regering tot aan politie en leger)
 onafhankelijk van elkaar moeten functioneren, zowel in wet- en regelgeving als in het maatschappelijke
 krachtenspel (persoonlijk meen ik bovendien dat het leger, en dus ook de marechaussee, onder een
 eigen departement moet vallen en alleen bij rampen binnenlands mag worden ingezet).
 Die scheiding is in Nederland echter niet volledig. De regering (de uitvoerende macht) neemt het 
 initiatief tot wet- en regelgeving en het parlement (de wetgevende macht) beperkt zich tot het aan-
 geven van de beleidsrichting. Daarbij kan het parlement de regering niet direct aansturen maar wel
 controleren met als ultiem pressiemiddel de vertrouwensregel (Motie van Wantrouwen) die het haar
 mogelijk maakt de regering naar huis te sturen. Deze inbreuk op de scheiding der machten werd
 begaan om de snelheid in de besluitvorming te bespoedigen.
 Uiteindelijk controleert de stemgerechtigde bevolking het functioneren van de drie machten door
 regelmatige verkiezingen en door referenda. En daarmee controleert zij de wetgevende macht
 rechtstreeks, en de uitvoerende en de rechtsprekende macht indirect via het  parlement. Uit het
 parlement wordt immers de regering geformeerd die op haar beurt weer de rechters (voor het leven)
 benoemt. Omdat die laatste route wel erg lang is bestaat de mogelijkheid een rechter te wraken als de
 onpartijdigheid aan twijfel onderhevig is, dit overigens ter beoordeling van de rechterlijke macht zelf.
 Deze afgeschermde constructie maakt indirect duidelijk dat de rechtsprekende macht niet alleen
 soeverein is naar de andere machten, maar naar de hele samenleving.
 En het feit dat het parlement, behoudens een enkel referendum, pas achteraf door verkiezingen wordt
 gecontroleerd maakt duidelijk dat wij van het parlement weliswaar verwachten dat het weet wat er
 onder de bevolking leeft maar ook dat het voldoende speelruimte heeft om enige distantie te bewaren
 en zich te onttrekken aan de waan van de dag.
 Overigens meen ik dat het niet realistisch is te stellen dat de leden van het parlement op persoonlijke
 titel zijn gekozen. Veruit de meeste kiezers stemmen op één van de eerste namen op de lijst. Ik vind
 dan ook dat een parlementslid dat uit de partij stapt of dat wordt geroyeerd zijn zetel aan de partij zou
 moeten teruggeven tenzij hij zoveel voorkeurstemmen kreeg dat die zijn aanspraak op een zetel
 zouden rechtvaardigen.

▪De scheiding van kerk en staat betreft niet de scheiding tussen het religieuze en het maatschappelijke
 leven maar tussen de betreffende bestuursinstellingen.
 En net als bij de trias politica is die scheiding ook met betrekking tot dit beginsel in Nederland niet
 volledig. De ooit zwaar bevochten schoolwet staat immers bijzondere scholen met een religieuze
 signatuur toe. Dat kan in dorpen of wijken met maar één school op gespannen voet met de scheiding
 van kerk (Christelijke of Islamitische school) en staat (openbare school) komen te staan. In Frankrijk is
 die scheiding veel rigoureuzer doorgevoerd.
 De vrijheid van godsdienst voor individuen wordt in de grondwet overigens beperkt tot ieders verant-
 woordelijkheid naar de wet.


Het gelijkheidsbeginsel en de scheiding van kerk en staat
Voor de praktische toepassing van het gelijkheidsbeginsel zou ik onderscheid willen maken tussen
handelingen of uitingen van de initiator (= initiatiefnemer) en die van de responder (onderwerp van
handelen van de initiator). Ik durf vervolgens de stelling wel aan dat het belang van de responder vóór
dat van de initiator gaat zolang die vrijheid niet buitenproportioneel ten koste van die van de initiator of
de gemeenschap gaat. De afweging is voer voor ethici, de toetsing is aan de rechter. En de rechter
mag van de politiek verwachten dat die de ethische overwegingen in een gedegen proces van wet- en
regelgeving in de politieke arena heeft laten meewegen, zodat hij zich kan beperken tot de technische
interpretatie ervan.
En volgens de trias politica mag hij zelfs niet anders.
Voorbeeld: Een vrouw die een hoofddoekje draagt (initiator) kan niet eisen dat een ander dat dan ook
doet (responder). Het recht van de responder gaat vóór dat van de initiator en ik denk dat in de
westerse cultuur de meesten zich hierin kunnen vinden. Maar dat betekent dan ook dat een vrouw die
géén hoofddoekje draagt (initiator) niet kan eisen dat een ander dat dan ook niet doet (responder). En
dat vinden velen dan vaak weer niet. Maar deze twee uitspraken zijn op zich gelijkwaardig en hebben
proportioneel dezelfde weging, wat impliceert dat als u het op grond van het gelijkheidsbeginsel met de
eerste uitspraak eens bent, u dat met de andere ook zou moeten zijn. En deze benadering geldt voor
een heel scala aan maatschappelijke conflictstof, van weigeren elkaar een hand geven tot aan een
vriendschappelijke begroetingskus. Het is altijd heel verhelderend een stelling eens om te draaien...
Moeilijker ligt het als het hoofddoekje wordt geduid als religieus statement. Dan baseert men zich
doorgaans op de scheiding van kerk en staat, maar die werkt hier niet omdat die immers alleen geldt
tussen instituties, en niet tussen personen. Hier moet het proportioneel belang de doorslag geven, en
dat is zoals gezegd aan de rechter. U zou zo'n zaak best kunnen winnen, vooral als de setting een
publieke ruimte is. Dan is immers mogelijk zelfs de scheiding van kerk en staat alsnog in het geding.
Maar realiseert u zich wel tevoren dat als u een dergelijke zaak zou winnen, die uitspraak vervolgens
jurisprudentie wordt op grond waarvan een ander weer kan eisen dat kruisjes en keppeltjes dan ook
niet langer geoorloofd zijn. Het leven wordt er zo niet leuker op...
Anders dan bij het hoofddoekje ligt het dragen van de gezichtsbedekkende boerka en nikab in bijna de
hele westerse wereld publiek gevoelig omdat het daarmee onmogelijk wordt bij elkaar de identiteit en
de gemoedstoestand vast te stellen. In een westerse samenleving is dat behalve een juridisch ook een
wezenlijk vertrouwenselement, maar realiseert u zich dat dit analoog aan het voorgaande dan ook zou
moeten gelden voor bivakmutsen, integraalhelmen zonder dat men op een brommer zit, en mogelijk
zelfs voor polaroidbrillen?
Echt moeilijk wordt het echter pas als wij in de voorgaande uitspraken "hoofddoekje" vervangen door
"abortus" of "euthanasie". Voor iemand die daar vanuit zijn geloof onoverkomelijke bezwaren tegen
heeft, is de weging absoluut, immers moord, en niet zoals bij het hoofddoekje een geloofsverplichting of
een identiteitskwestie. Dus zal ook hier de rechter moeten beslissen. Ethiek hoort in dergelijke gevallen
alleen een rol te spelen bij de wet- en regelgeving, en niet in de rechtszaal waar de rechter zich volgens
de trias politica immers dient te beperken tot de technische interpretatie van wet en jurisprudentie.

Ook verjaring valt in feite onder het gelijkheidsbeginsel. Een delict wordt met de tijd niet minder ernstig
en het onbekommerd en soms zelfs provocerend onbestraft rondlopen van de dader is voor het
slachtoffer en zijn naasten onverdraaglijk. Tot de verjaring was er gelijkheid, strafbaar tegen leed. Na
verjaring echter niet meer, en dat kan eigenlijk niet.
De steeds vaker opduikende "omgekeerde bewijslast" valt eveneens onder het gelijkheidsbeginsel. De
overheid is dan niet in staat (of vindt het te duur) om aan de eisen van de bewijslast te voldoen, en mag 
vervolgens in bepaalde gevallen de bewijslast bij de burger leggen. Dat is praktisch, maar buitenpro-
portioneel want als de overheid met de haar beschikbare middelen niet tot een sluitende bewijsvoering
in staat is, dan is de individuele burger dat zeker niet. De burger is onschuldig tot het tegendeel
bewezen en bij vonnis bevestigd is, en niet andersom.

De trias politica
Volgens de trias politica wordt de strafmaat uitsluitend door de rechter bepaald, en niet door politiek,
bestuurders (beide expliciet gevolg van de scheiding der machten) of samenleving (het parlement is
weliswaar de spreekbuis van de samenleving maar wordt behoudens een enkel referendum pas 
achteraf door verkiezingen gecontroleerd, en dat geeft het parlement voldoende speelruimte soeverein
te zijn naar het electoraat, een zekere distantie te behouden en zich te onttrekken aan de waan van de
dag).
Dat houdt in dat een verdachte niet door journalisten extra gestraft mag worden met het vrijgeven van 
de volledige naam of een herkenbare afbeelding of tv-beelden (dus ook geen camera's in de rechts-
zaal), en dat geldt volgens het gelijkheidsbeginsel ook voor een BN-er.
Na veroordeling of vrijspraak, en ook na het uitzitten van de straf, geldt dezelfde overweging. Dat im-
pliceert dat een door de gemeente aan een pedofiel opgelegd straatverbod op flagrante wijze in strijd is 
met de trias politica. Als een straatverbod gewenst is, had de rechter dat in zijn vonnis moeten op-
nemen. Hetzelfde geldt voor op het web te raadplegen lijsten met namen en foto's van veroordeelde
daders van seksuele delicten, maar bijvoorbeeld ook voor in ondernemerskringen rondgaande lijsten
met wanbetalers. En dat vaak met inbegrip van nog niet veroordeelde verdachten en vrijgesproken
vermeende daders, in welk geval er niet alleen sprake is van onbevoegd additief straffen, maar zelfs
van pure eigen richting, en dat is een strafbaar feit.
De minister van justitie (uitvoerende macht) bepaalt of een delinquent op proefverlof mag met de
bedoeling de reïntegratie te bevorderen, of dat het verlof daarvoor teveel maatschappelijke onrust zal
genereren. Dat impliceert dat minister en samenleving de invulling van het door de rechter uitgesproken 
vonnis bepalen. 
Soms komt de rechter zelfs nog maar nauwelijks in beeld, namelijk wanneer men bij risicovolle
festiviteiten tot lik-op-stuk beleid besluit om een verdachte al de volgende dag met vervangende arbeid
te kunnen confronteren. Het vonnis wordt dan letterlijk "overnight" bepaald door de rechter-commissaris
die op dat moment wel erg nauw samenwerkt met de officier van justitie (uitvoerende macht). Van een
fatsoenlijke rechtsgang is dan nauwelijks meer sprake.
Om reden van efficiëntie en om de naar snelle en hoge vonnissen verlangende bevolking naar de mond
te praten, gaat men er steeds vaker toe over de preventieve rechtshandhaving uit de strafrechtelijke
sfeer te halen. Zo werden in 1990 bijvoorbeeld verkeersovertredingen uit het strafrecht gehaald en
voortaan administratieve afgedaan| (NRC, 17-01-2014).
De toen ingezette tendens heeft er In 2004 toe geleid dat het Openbaar Ministerie de bevoegdheid
kreeg zelfstandig boetes en taakstraffen op te leggen. Bovendien wil men de uitvoering van de straf
overhevelen van het Openbaar Ministerie naar het Departement van Justitie (NRC, 17-01-2014). Maar
door wetgeving, opsporing, rechtspraak en uitvoering van het vonnis in één hand te legen wordt de trias
politica volledig gepasseerd. Dat kan in combinatie met de volledig uit de hand gelopen bevoegdheden
van politie en inlichtingendiensten de weg openen naar de controlestaat. Het is in dat verband veel-
zeggend dat staatssecretarisTeeven zich in 2014 zelfs uitsprak voor de mogelijkheid een burger een
V.O.G. (Verklaring Omtrent  het Gedrag) te weigeren op basis van het politiedossier, ongeacht of dit tot
een vonnis heeft geleid of niet (NRC, 16-01-2014)...
Ook het invorderen van het paspoort van een Jihadganger hoort natuurlijk op grond van de trias politica
volledig buiten de bevoegdheid van de politiek te vallen. Het in vreemde krijgsdienst treden moet door
de rechter aan de wet getoetst worden, waarbij ik persoonlijk van mening ben dat alleen krijgsdienst
tegen de Nederlandse Staat of de NAVO strafbaar zou moeten zijn.

Hysterie en groepsgedrag bepalen dezer dagen de sfeer van het publieke debat. Volgens de trias
politica wordt van de wetgevende macht (het parlement) echter indirect verwacht dat zij ook in dat
opzicht soeverein is en dat zij zich onttrekt aan de waan van de dag. Haar integriteit zou er borg voor
moeten staan dat wet- en regelgeving niet onder populistische druk de grondwet openbreekt of tekort
schiet in redelijkheid, mededogen en tolerantie (zie Groepsgedrag, een erfenis uit ons verleden).
De leden van het parlement bezwijken echter regelmatig onder de uitgeoefende druk. Zo beperkte het
parlement onder druk van de regering (de uitvoerende macht, en dus expliciet in strijd met de trias
politica) en van het electoraat (indirect in strijd met de trias politica) regelmatig de burgerrechten en de
privacy, en bracht daarmee de controlestaat dichterbij ten behoeve van doorgeslagen opsporings-
bevoegdheden. En zo heeft het parlement ook gelegenheidswetgeving mogelijk gemaakt die routine-
matig rechercheren toestaat van mensen die nog nergens van verdacht worden, of die alleen verdacht
zouden zijn op grond van een maatschappelijk profiel (etniciteit, politieke overtuiging, woonsituatie etc.).
Bovendien heeft het parlement gefaald in haar controletaak op het werk van de binnenlandse en de
met hen samenwerkende buitenlandse veiligheidsdiensten die ongestraft op illegale wijze hun
bevoegdheden verruimden door het wereldwijd en op onvoorstelbare schaal tappen van internet en
telefonie. Daarmee werd een staat binnen de staat gecreëerd die mogelijk niet meer te beteugelen is, in
welk geval het falende parlement een totalitaire controlestaat zou hebben gebaard.

Het parlement beperkt zich overigens niet tot het uithollen van de klassiek taken van de rechtspre-
kende macht, maar bemoeit zich er in toenemende mate ook inhoudelijk mee. De onafhankelijkheid van
de rechtsprekende macht wordt immers regelmatig door populistische parlementariërs (de wetgevende
macht, dus eveneens expliciet in strijd met de trias politica) bedreigd met het concept van,
overigens relatief zware, minimumstraffen waardoor de rechter niet meer vrij zou zijn de strafmaat te
bepalen. Hij zou dan ongeacht de omstandigheden minstens die minimumstraf moeten opleggen. Uit
dezelfde hoek kwam het voornemen de rechtsprekende macht zelfs geheel onder politieke sturing te
brengen door rechters een kortlopend contract te bieden dat alleen verlengd zou worden als zij die
afgelopen termijn streng genoeg gestraft zouden hebben. 
Overigens wordt op grond van de trias politica ook van met name de rechtsprekende macht indirect
verwacht dat zij soeverein is voor de waan van de dag. Maar ook hier blijkt de beroepsgroep toch
gevoelig voor populistische druk. Bijvoorbeeld als zij verdachten die geen schaamte of berouw tonen
zwaarder straft, waarmee de verdachte in feite het recht wordt ontzegt de beschuldiging aan te
vechten. Of als zij fysiek en verbaal geweld tegen een politieman zwaarder bestraft dan een ver-
gelijkbaar vergrijp jegens een gewone burger. Want schept dat geen precedent op grond waarvan wij
de mensen in strijd met het gelijkheidsbeginsel in klassen zouden mogen verdelen, waarbij die uit de
onderklasse minder rechtsbescherming genieten? Of anderszins, als zij toestaat kwetsbare groepen
(vrouwen, allochtonen) juist positief te discrimineren, wat evenzeer in strijd is met het gelijkheids-
beginsel, en wat in het recente verleden averechts werkte door tolerantieverlies bij de rest van de
bevolking?
Of als zij de vrijheid van meningsuiting zodanig interpreteert dat er teveel ruimte wordt geboden voor
beledigen en haatzaaien (zie Vrijheid van meningsuiting, een kritische analyse).

De eis van consistentie
En dan is er een hele trits van zaken waarbij de wetgeving op gespannen voet staat met de eis van
consistentie van het recht.
▪Vrijspraak bij gebrek aan bewijs voldoet niet aan de eis van consistentie. Een dergelijke uitspraak
 brengt de toestand immers niet terug naar die van vóór het proces en heeft een maatschappelijk
 stigmatiserend karakter. Zo'n uitspraak is daarmee op zichzelf feitelijk als een straf te beschouwen,
 maar dan één waarvoor geen bewijs was, en die dus nooit had mogen worden opgelegd. Het vonnis
 houdt juridisch zijn waarde maar krijgt voor een leek een heel andere betekenis als "vrijspraak" zou
 worden vervangen door "onschuldig bevonden aan het ten laste gelegde". Een rechter laat zich
 duidelijk gaan als hij zijn vonnis toelicht met de woorden "Laat ik duidelijk zijn, ik zeg niet dat u het niet
 gedaan heeft maar dat het ten laste gelegde niet kon worden bewezen".
▪Gedoogconstructies in de wetgeving zijn per definitie niet consistent omdat het een handeling toestaat
 die bij wet verboden is. Zo'n constructie genereert vaak agressie van tegenstanders van het gedogen
 en depressies bij de gedoogde zelf, die immers wettelijk een gedoog-delict heeft gepleegd en dus
 technisch een crimineel is die in een voortdurend juridisch vacuüm moet functioneren. De constructie
 is dan ook alleen verantwoord in reparatiewetgeving met een zeer tijdelijk karakter.
▪Ook het toestaan van bewijs dat gebaseerd is op uitlokking getuigt van inconsistente wetgeving. De
 overheid begaat immers een delict om een ander delict te bewijzen, en het bewezen delict zou
 mogelijk in het geheel niet zijn begaan als de overheid niet tot uitlokking was overgegaan.
▪Een kroongetuige die in ruil voor vrijspraak of strafvermindering tegen mede-verdachten getuigt, heeft
 andere belangen dan de waarheidsvinding en is ook met zijn criminele achtergrond een onbe-
 trouwbare getuige. De inconsistentie bestaat hieruit dat de overheid in feite met voorbedachte rade
 een leugen koopt ten behoeve van een vlotte rechtsgang, en dat met enorme gevolgen voor de
 mogelijk onschuldige verdachte. Bovendien ontloopt de kroongetuige zelf ten onrechte geheel of
 gedeeltelijk zijn straf. De rechtsgang wordt hier dus door willekeur bepaald, want welke verdachte
 wordt als eerste als kroongetuige geaccepteerd, en op grond waarvan?
▪Bewijs dat door ongeoorloofde opsporingsmethoden of anderszins onrechtmatig verkregen is, wordt
 terecht om reden van inconsistentie ter zijde geschoven, en als het O.M. (= Openbaar Ministerie, de
 aanklager) daardoor in bewijsnood mocht komen zal dat dus tot vrijspraak leiden. De overheid heeft
 eenvoudig het recht niet een delict te begaan om een delict te bewijzen. Het O.M. zoekt veel te vaak
 de grenzen op en zou daar in het belang van de rechtsstaat steviger op afgerekend moeten worden,
 misschien wel met onmiddellijke vrijspraak. Een administratieve fout (vormfout) die geen relatie heeft
 met de bewijsvoering valt daar natuurlijk niet onder, maar overschrijding van wettelijke termijnen omdat
 men meer tijd nodig heeft om de bewijsvoering rond te krijgen echter weer wel, anders zou een ver-
 dachte jaren in voorarrest gehouden kunnen worden.
▪Tijdens de detentie zou nieuw bewijsmateriaal of een nieuwe interpretatie ervan, of een fout bij
 opsporing of rechtsgang automatisch moeten leiden tot heropening van de zaak. Administratieve
 belemmeringen en de burgerrechten van een immers mogelijk toch onschuldige verdachte mogen zich
 niet inconsistent tot elkaar verhouden.
 Anderzijds zou hetzelfde moeten gelden na vrijspraak, waarmee ik wil zeggen dat ik niet inzie waarom
 een verdachte na vrijspraak binnen die voorwaarden nooit opnieuw voor hetzelfde delict zou kunnen
 worden vervolgd.

En tenslotte enkele punten vanuit het gezonde verstand
▪Het zou de transparantie van het justitieel beleid ten goede komen als wij bij nieuw uit te spreken
 vonnissen niet langer na het uitzitten van tweederde deel van de opgelegde straf bij goed gedrag min
 of meer routinematig tot voorwaardelijke invrijheidsstelling zouden overgaan (ik doel hierbij nadruk-
 kelijk niet op het proefverlof dat tot doel heeft de reïntegratie van een delinquent te bevorderen en
 daarmee de kans op recidive te verlagen). De rechter moet natuurlijk wel op de verandering anti-
 ciperen door voortaan tweederde van de huidige strafmaat uit te spreken.
 En anders zou ervoor willen pleiten de voorwaardelijkheid ook daadwerkelijk inhoud te geven.
 Goed gedrag zou dan bij veroordeling wegens pedofiele handelingen inhouden dat de delinquent zich
 tijdens zijn detentie en in zijn proeftijd coöperatief opstelt bij de behandeling van zijn aandoening,
 afstand neemt van zijn pedofiele handelen en het niet in woord of geschrift bagatelliseert. En verder
 dat hij zich gedurende zijn proeftijd aan een eventueel opgelegd straatverbod houdt en niet opnieuw
 met justitie in aanraking komt voor een pedofilie gerelateerd misdrijf (ik zou dat niet willen uitbreiden tot
 elk misdrijf).
 Voor de pleger van een politieke moord zou het betekenen dat hij gedurende zijn detentie en in zijn
 proeftijd afstand neemt van zijn misdrijf en dat hij het eraan ten grondslag liggende gedachtegoed
 (althans voor zover dat in strijd is met de wet) niet in woord en geschrift voortzet of bagatelliseert.
 Mocht de betreffende delinquent zich niet aan de voorwaarden houden, dan moet het voorwaardelijke
 deel van de strafmaat ook ten volle worden uitgevoerd zodat hij/zij de door de rechter bij vonnis uit-
 gesproken straftijd (alsnog) volledig uitzit.
▪Omdat zowel samenleving als veroordeelde na uitzitten van de detentie gebaat zijn met een goede
 reïntegratie van de gedetineerde verdient alternatieve straf de voorkeur boven detentie, en lijkt het
 raadzaam hoge prioriteit te geven aan behandeling en psychologische begeleiding vóór en na vrij-
 lating, interne opleiding, zorgvuldig begeleide proefverloven, en reclassering met zicht op een baan en
 een woning buiten het oude milieu.
 En voor de jeugdige delinquenten die niet in aanmerking komen voor een alternatieve straf, lijkt mij een
 volkomen van de volwassen gedetineerden gescheiden jeugddetentie met intensieve begeleiding van
 groot belang. Tenminste als wij niet willen dat zij crimineel worden bijgeschoold.
▪TBS (= Ter Beschikking van de Staat, detentie met verplichte behandeling) ligt regelmatig onder vuur
 maar is een onmisbaar hulpmiddel in de rechterlijke praktijk, omdat het de enige manier is om de
 samenleving te beschermen tegen zwaar gestoorde criminelen. Zij komen namelijk pas vrij als hun
 detentietijd erop zit én zij door de psychiater veilig zijn verklaard voor zichzelf en voor de samenleving,
 of anders nooit meer, in welk geval TBS gelijk staat met levenslang. Dit is zo essentieel dat ik vind dat
 het weigeren van een psychologisch onderzoek, ná vaststelling van de schuld maar vóór de definitieve
 vonniswijzing, automatisch tot TBS zou moeten leiden.
▪En wie tenslotte meent dat strenger straffen de criminaliteit zou verminderen, vindt daarvoor nauwelijks
 ondersteuning in de wetenschappelijke literatuur (wel in populaire magazines die zich weliswaar op het
 zelfde materiaal baseren maar er een eigen en wetenschappelijk niet verantwoordelijke interpretatie
 aan geven). Integendeel, het omgekeerde wordt telkens opnieuw wetenschappelijk onderbouwd. Een
 harde samenleving schept harde criminelen.
 Bovendien zit Nederland al in het hoogste segment van de Europese strafmaat. Onze op één na
 hoogste straf is de naar Europese maatstaven zeer zware straf van 30 jaar detentie (elders doorgaans
 20 jaar) en onze hoogste straf is levenslang. En Nederland is één van de weinige landen waar levens-
 lang ook echt levenslang is.
 De in de politiek op gezette tijden gehoorde roep om de doodstraf is niet alleen humanitair verwerpelijk
 maar vereist door zijn definitief karakter ook een foutloze rechtsgang, en onze ervaring met beden-
 kelijke aantallen kolossale juridische blunders maakt duidelijk dat die niet gegarandeerd kan worden.

De Eerste Kamer (Senaat)
Eerste Kamer is door haar partijpolitieke optreden met enige regelmaat onderwerp van discussie.
Zij is indertijd in het leven geroepen als een Kamer van reflectie. Een vergadering die de wetsvoor-
stellen uit de Tweede Kamer nog eens tegen het licht houdt met betrekking tot consistentie van het
recht en die op de rem gaat staan bij slordige ad hoc - en reparatiewetgeving die te zeer de waan van
de dag ademt.
Nu wordt de Eerste Kamer bevolkt door oud-politici die veelal in de nadagen van hun carrière de drang
om aan partijpolitiek te doen niet kunnen weerstaan. Zij halen dan nogmaals de partijpolitieke stofkam
door de wetsvoorstellen en omdat deze Kamer niet tegelijk met de Tweede Kamer en bovendien niet
rechtstreeks wordt gekozen, kan het voorkomen dat zij een andere kleur heeft dan de regeringscoalitie,
en kan zij een wetsvoorstel dat de Tweede Kamer al gepasseerd is op oneigenlijke partijpolitieke
gronden doen sneuvelen. Het land is dan feitelijk onbestuurbaar en dat is voor velen reden de Eerste
Kamer dan maar af te schaffen.

ik vind dat te kort door de bocht, omdat de Eerste Kamer een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren
aan de kwalitatieve bewaking van de wetgeving, zolang zij zich maar aan haar mandaat houdt en zich
niet inlaat met partijpolitieke discussie. Er staat nergens dat de Eerste Kamer niet aan politiek mag
doen, maar de Kamer is wel ooit met die intentie in het leven geroepen. Het is dus zaak het mandaat
duidelijker op schrift te stellen.

Voor het op schrift stellen van het mandaat zou men kunnen terugvallen op een aantal spelregels zoals
die waarop ik in dit essay heb voortgebouwd. Het mandaat zou zich in dat geval beperken tot een vrij
juridische en technische beoordeling van de wetsvoorstellen die de Tweede Kamer gepasseerd zijn.
Bijvoorbeeld op basis van het gelijkheidsbeginsel, de eis van consistentie, de Trias politica en de
scheiding van kerk en staat. De Eerste Kamer zou een wetsvoorstel in dat geval slechts naar de
Tweede Kamer mogen terugsturen als het volgens een meerderheid van de Eerste Kamer die toets niet
heeft doorstaan. Dus uitsluitend op basis van juridische -, dan wel technische argumenten,
zoals de praktische uitvoerbaarheid, maar niet om partijpolitieke redenen.
De senatoren zouden eigenlijk boven de partijen moeten staan, maar dat is natuurlijk een illusie. Net
zoals de verwachting dat deze Kamer niet politiek zal functioneren. Politiek bepaalt immers ons hele
bestaan en vormt het weefsel waaruit een samenleving is opgetrokken.
Het mandaat bedoelt ook niet de gehele politiek buiten beeld te houden, maar slechts de partijpolitiek,
waar het stemgedrag wordt bepaald door machtsbokken, gelegenheidscoalities en een hoop cynisme.
Voorstel:
-Om beide kamers zoveel mogelijk politiek te ontkoppelen is het raadzaam de getrapte verkiezing van
  de Eerste Kamer via de Provinciale Staten te behouden en haar niet meer bij de besluitvorming rond
  de rijksbegroting te betrekken. 
-Verder zou ik willen voorstellen het huidige recht van de "novelle" af te schaffen. De Eerste Kamer kan
  een wetsvoorstel dus alleen nog maar aannemen of weigeren. 
-Weigeren wordt geacht uitsluitend gebaseerd te zijn op juridische en technische gronden.
-Komt het wetsvoorstel door de Eerste Kamer dan is het definitief aangenomen.
-Weigert die Kamer het wetsvoorstel echter, dan gaat het, voorzien van een notitie met de achter-
  liggende argumenten als supplement, terug naar de Tweede Kamer waar het tijdens een plenaire
  vergadering in aanwezigheid van de premier en de betreffende minister ter herbezinning opnieuw
  moet worden behandeld, afgesloten met een nieuwe stemronde.
-Leidt die herbehandeling in de Tweede Kamer tot een wijziging van het originele wetsvoorstel dan gaat
  het als een nieuw wetsvoorstel naar de Eerste Kamer.
-Komt het  echter in de Tweede Kamer door deze extra stemronde dan wordt het wetsvoorstel als
  definitief aangenomen beschouwd.
De Eerste Kamer heeft hiermee niet langer de macht de Tweede Kamer partijpolitiek te gijzelen en
krijgt de functie waarvoor zij ooit bedoeld was, die van reflectie en herbezinning.

Conclusie
Bovenstaande lange maar toch nog altijd onvolledige lijst van pijnpunten maakt duidelijk dat wij binnen
onze rechtsstaat in toenemende mate de weg kwijt lijken te raken.
Een van een aangepast mandaat voorziene niet-partijpolitieke Eerste Kamer zou mogelijk in een aantal
gevallen een positieve bijdrage kunnen leveren.

Ik wens een ieder dan ook veel wijsheid toe in deze politiek en maatschappelijk chaotische tijden.


Naar boven Meer essays


# menno kater - De ethiek van het recht en de inperking van de burgerrechten