Essays

Van aap tot mens, evolutieleer

PrintversieAndere artikelen van deze auteur



Charles Darwin, 1874  (65 jr)De Rift-vallei in Kenia

Meest gelezen hoofdstuk - Intelligentie en werktuiggebruik
Verwant essay - Van micro-organisme tot zoogdier, evolutieleer

Inhoud:
  Voorwoord
  Evolutie in kort bestek
  Schema's ontwikkeling tot aan de moderne Homo SapiensSchema tot aan de placentale zoogdierenSchema tot aan Homo SapiensAlternatieven-schema m.b.t. de rol van Homo Ergaster en Homo Antecessor
  Ontwikkeling tot aan de moderne Homo Sapiens
      Mensachtige afsplitsingen (Hominiden) van de primaten-hoofdtakAegyptopithecusProconsulSahelanthropusChimpansee
      Menselijke afsplitsing (Homininen) van de primaten-hoofdtakArdipithecusAustralopithecusHomo HabilisHomo ErgasterHomo ErectusHomo AntecessorHomo HeidelbergensisHomo NeanderthalensisHomo Sapiens
  Datering werktuiggebruik en culturele ontwikkeling
  Aanpassing aan de savanneDe Rift-valleiPrimaatkenmerken die gunstig waren voor een leven als jagerPrimaatkenmerken die ongunstig waren voor een leven als jagerCompensatie-mechanismen voor de ongunstige kenmerken van onze jagende voorouder
         -Hersenvolume
         -Rechtopgaande gangMechanisme
  Ontwikkelings-hypothesenNeotenieWater-aap
  Ontwikkeling en migratie
  Intelligentie en werktuiggebruik



Voorwoord   (menu)

Aan het eind van het Tertiair deden zich dramatische veranderingen voor in het leefmilieu van de
toenmalige primaten in Oost-Afrika. Het klimaat werd droger en de oerwouden die hen tienduizenden
jaren voedsel en beschutting hadden geboden vielen uiteen in door borsthoog gasland van elkaar
gescheiden bomen. En juist dat zou kansen geven aan een geslacht primaten op een wijze die de
aarde sinds de ondergang van de sauriërs niet meer had gezien.
Dit essay handelt over de paleo-antropologie, de evolutie van mensachtigen tot mens, en de aan-
passingen die de oermens moest ondergaan om zich na het verdwijnen van zijn oorspronkelijke
leefomgeving staande te houden op de hete en droge savannen van Oost-Afrika.
Het is een aanvulling op het essay Van micro-organisme tot zoogdier, evolutieleer dat handelt over
de evolutie vanaf het ontstaan van het leven, maar de paleo-antropologie bewust laat liggen omdat
zo'n verhaal het verdient apart te worden uitgelicht.




De Rift-vallei in Kenia (Oost-Afrika), de wieg van de mensheid


Evolutie in kort bestek   (menu)

De inleiding van dit essay was aanvankelijk deels gelijk aan die van het verwante essay
Van micro-organisme tot zoogdier, evolutieleer.
Aangezien identieke teksten echter indexerings-problemen met de zoekmachine Google opleveren,
ben ik gedwongen u voor deze inleiding naar het andere essay te verwijzen.

Omdat voor dit essay enige basiskennis van de evolutie onontbeerlijk is, zou ik u ondanks die omweg
met klem willen adviseren eerst die inleiding te lezen, tenminste t/m de paragraaf "Gen-regulatie".
Klik daartoe op Van micro-organisme tot zoogdier, evolutie in kort bestek.





Chimpansee  400 ccAustralopithecus  450 ccHomo Sapiens 1400 cc

De streepjeslijnen markeren Os temporale (slaapbeen) en Os occipitale (achterhoofdsbeen)

Schema's ontwikkeling tot aan de moderne Homo Sapiens   (menu)

Het eerste schema toont de paleontologie, de evolutie van het leven, en omdat die buiten het kader
van dit essay valt, wil ik u voor toelichting graag doorverwijzen naar het essay Van micro-organisme
tot zoogdier, evolutieleer.
Het tweede schema betreft de paleo-antropologie, de tak van wetenschap die zich bezighoudt met de
ontwikkeling van mensachtigen tot mens. Nu blijkt de literatuur grote verschillen te vertonen in de
datering van de verschillende mensachtigen. Realiseert u zich echter dat dit geen tijdgrenzen zijn,
maar de datering van enkele toevallige vondsten waarvan de interpretatie onder antropologen niet altijd
op concensus kan rekenen.
Tenslotte geven de in het schema geplaatste vraagtekentjes aan dat er afgezien van de jaartallen ook
onzekerheid bestaat over bepaalde trajecten van de menselijke evolutie. Deze wetenschap is immers
onderhevig aan voortdurend wisselende inzichten en meningsverschillen, en de tekst wordt dan ook
regelmatig door mij herzien.
Het derde schema brengt genoemde discussie over enkele ontwikkelingstrajecten in beeld.
De "Out of Africa-1 hypothese" werd niet in het schema opgenomen. U vindt hem echter be-
schreven in het hoofdstuk Ontwikkeling en migratie.


 ▪Schema tot aan de placentale zoogdieren   (menu)

   


 ▪Schema tot aan Homo Sapiens volgens de "Out of Africa-2 hypothese   (menu)

   


 ▪Alternatieven-schema m.b.t. de rol van Homo Ergaster en Homo Antecessor   (menu)

   










Schedelvorm en herseninhoud

Ontwikkeling tot aan de moderne Homo Sapiens   (menu)


Onderstaande soorten behoren tot de mensachtige afgesplitsingen (Hominiden) van de primaten-
hoofdtak   (menu)

 ▪Aegyptopithecus (pithecus = aap, Latijn)   (menu)
     35 miljoen jaar geleden (datering vondsten) afgesplitst van de apenhoofdtak.
     De tot dusver oudst bekende hogere primaat.
     Egypte en Midden-Oosten.
     Leefde in vochtig tropisch galerijwoud met moerassen en open plekken.
     Primatendieet van planten en vruchten.
     Grootte van een huiskat, sagittale schedelkam, lange staart, seksueel dimorfisme.
     Hersenvolume ca. 27 cc.

 ▪Proconsul (pro = voormalig, Latijn)   (menu)
     23 miljoen jaar geleden (datering vondsten) afgesplitst van de primatenhoofdtak.
     Oost- en Centraal Afrika
     Boombewoner, krachtige klimmer, waarschijnlijk in wouden op flanken van vulkanen of
     beboste savannen.
     Planten- en vruchtendieet.
     3 soorten: klein (11 kg), ter grootte van een chimpansee en ter grootte van een gorilla.
     Viervoeter, geen staart, grote hoektanden.

 ▪Sahelanthropus (anthropus = mens, Grieks)   (menu)
     7 miljoen jaar geleden (datering vondsten) afgesplitst van de primatenhoofdtak.
     Kan een voorouder zijn van de mens, of een gemeenschappelijke voorouder van mens en chim-
     pansee (of zelfs gorilla), maar vormt waarschijnlijk een uitgestorven zijtak aan de primatenstam-
     boom.
     Rechtopgaande gang zoals de chimpansee (op grond van aanhechtingsplaats nekspieren).
     Zware wenkbrauwbogen en vooruitstekend gelaat, maar minder grote hoektanden dan apen.
     Hersenvolume ca. 350 cc, dus minder dan de chimpansee.

 ▪Chimpansee   (menu)
     6 miljoen jaar geleden afgesplitst van de primatenhoofdtak.
     Leeft in dicht oerwoud, niet op de vlakten.
     Omnivoor. Geen aaseter, maar regelmatig gezamenlijk jacht makend op kleine apen.
     Primitief werktuiggebruik:
      -Stokjes om termieten uit hun nesten te halen. De stokjes worden niet alleen verzameld, maar
        vaak ook met de tanden bewerkt.
        Noten kraken met vaak zelfs voor dat doel over enige afstand meegedragen stenen.
        (beide NRC, 24-05-1995)
      -Met takken slaan en gooien naar roofdieren. Gooien met stenen komt voor, maar voornamelijk
        als ongerichte agressieregulatie.
      -Stootsperen om kleine apen in boomholten te bejagen (bij deze groep chimps werd waar-
        genomen dat zij dagelijks op het heetst van de dag in grotten verkoeling zochten).
        (Current Biology, 06-03-2007 en NRC, 08-05-2007)
     Het werktuiggebruik omvat dus al dan niet bewerkte houten gereedschappen, en uitgezochte en
     met zich meegedragen onbewerkte stenen.
     Hersenvolume ca. 400 cc.

ChimpanseeAustralopithecus AfarensisHomo Erectus





Let op de bouw van het heupgewricht in relatie tot de ontwikkeling van de rechtopgaande gang, en
op de armen in relatie tot hun functie van klimmen en steun bij het lopen tot die van werktuiggebruik
(zie ook de figuur bij paragraaf Homo Erectus)

De volgenden behoren niet tot de mensachtige, maar tot de menselijke afsplitsing (Homininen)
van de primaten-hoofdtak   (menu)

 ▪Ardipithecus   (menu)
     5,8 - 4,2 miljoen jaar geleden (datering vondsten).
     Oost-Afrika.
     Oudste voorloper in de lijn van Homo Sapiens met veel menselijke kenmerken (schedel)
     en enkele kenmerken van de chimpansee (tanden). Schedel lijkt op die van de Sahelanthropus.
     Afstand tot Homo Sapiens bedraagt ruim 200.000 generaties.
     Leefde in vochtige bosrijke omgeving (nog geen savanne-vondsten!), waar hij leefde van noten,
     vruchten, insekten en kleine zoogdieren.
     Oudst bekende tweevoeter (i.v.m. de teenstructuur), maar nog goede boomklimmer.
     Kleinere hoektanden dan de chimpansee.
     1,20 m groot, 50 kg, mannen en vrouwen waren (anders dan bij de Australopitheci) ongeveer
     even groot. En zwaarder dan een chimpansee.
     Hersenvolume ca. 300 - 350 cc.

 ▪Australopithecus (australo = zuidelijk; pithecus = aap, Latijn)   (menu)
     Vanaf 4,3 - 2,6 (= 1,5 indien men Homo Habiilis beschouwd als Australopithecus) miljoen jaar
     geleden (datering vondsten) uit de lijn van de Ardipithecus.
     Opm.: Paranthropus (par = gelijk, Latijn)
                Uitgestorven zijtak van de Australopithecus (uit de A. Africanus).
                2,7 - 1,2 miljoen jaar geleden (datering vondsten).
                Leefde gelijk met Australopitheci en met soorten van het geslacht Homo.
                Vrijwel zelfde kenmerken als de Australopitheci, echter minder flexibel herbivoor dan
                deze en het geslacht Homo waardoor hij zou uitsterven als doodlopende tak.
                Sterke sagittale schedelkam i.v.m. plantaardig dieet (aanhechting kauwspieren).
                Hersenvolume 520 cc (meer dan Australopitheci).
                P. Boisei (Boisei = "van Charles Boise", de financier van het team antropologen)
                  Man ca. 1,40 m bij 49 kg / vrouw 1,20 m bij 34 kg.
     De stamlijn naar Homo Sapiens loopt via de Australopitheci, echter onbekend langs welke soort.
     Dat de perioden van voorkomen niet altijd lijken aan te sluiten is misleidend. Die getallen zeggen
     immers niets over de werkelijke tijdgrenzen van de soort, maar alleen over de datering van wat
     wij toevallig aan exemplaren hebben gevonden, welke vondst dan ook nog eens betwist kan
     worden als de interpretatie berust op slechts enkele botstukken waarvan niet eens zeker is of die
     van hetzelfde individu afkomstig zijn.
     Australopitheci kwamen in vele soorten naast voor, waarschijnlijk elk in een eigen niche.
     Leefde in open bosomgeving, met name op de savannen van Oost-Afrika.
     (vochtig milieu, beboste savannes met eilandjes bos of galerijwoud en uitgestrekte graslanden)
     Bezat waarschijnlijk een donkere huid (gunstiger afgifte van overtollige lichaamswarmte).
     Liep rechtop (niet-opponeerbare grote teen), meer lopen dan klimmen (waardoor kortere armen
     en langere benen dan apen, maar armen toch nog lang genoeg voor slingeren in bomen en als
     steun bij het lopen zoals een chimpansee doet). Dus te beschouwen als permanente tweevoeter
     die nog goed in de bomen terecht kon.
     Dieet van planten, knollen, vruchten, noten en grassen. Dus grote kiezen, sterke kauwspieren
     en forse schedelkammen voor de aanhechting daarvan.
     Trage hersengroei, dus verlengde jeugd waarin hij kon leren.
     Geen taalgebruik.
     Geen echt werktuiggebruik, maar waarschijnlijk wel primitief werktuig gebruik uit takken, zoals bij
     de chimpansee.
     Geen vuur.
     Geen vleesconsumptie (het primatendieet werd misschien aangevuld met aas).
     Groot seksueel dimorfisme (man veel langer en zwaarder dan de vrouw), wat suggereert dat
     alleen het alfa-mannetje met de vrouwtjes paarde, vergelijkbaar met de gorilla.
     Minstens 5 soorten, waaronder met datering van de vondsten:
     A. Anamensis (anam = "van het meer", locaal Turkaans)
       4,3 - 3,9 miljoen jaar geleden (bij Turkanameer, Kenia).
       Man 55 - 60 kg.
     A. Afarensis (avarensis = "van de Avar", vindplaats Noord-Ethiopië)
       3,9 - 3,0 miljoen jaar geleden.
       Oost-Afrika.
       vb. "Lucy", voor 45% volledig skelet, met bekken, Noord-Ethiopië.
       Man 1,50 m bij 45 kg / vrouw 1,10 m bij 29 kg.
       Hersenvolume ca. 450 cc.
     A. Africanus (verwijst naar de vindplaats, Zuid- i.p.v. Oost-Afrika)
       3,5 – 2,6 miljoen jaar geleden.
       Zuid-Afrika.
       Man 1,40 m bij 41 kg / vrouw 1,1 m bij 30 kg.

 ▪Homo Habilis (homo = mens, habilis = handig, Latijn)   (menu)
     Vanaf 2,3 - 1,5 miljoen jaar geleden (datering vondsten) uit de lijn van de Australopithecus,
     echter niet bekend van welke soort.
     Sommige wetenschappers vinden Habilis eigenlijk nog een Australopithecus.
     Naast vele soorten van het geslacht Homo levend.
     Leefde In struikgewas en op de savannen van Oost-Afrika.
     Permanente tweevoeter, geen klimmer meer.
     Waarschijnlijk een donkere huid (gunstiger afvoer van overtollige lichaamswarmte).
     Vleesconsumptie in de zin van aaseter (met stenen werktuigen als vuursteensplinters en
     vuistbijlen karkassen opensnijden, vlees lossnijden en merg uit botten halen, vóór of juist na de
     grote predators).
     Eerste echte werktuiggebruik in de vorm van bewerkte vuurstenen, kernsteen met eenzijdige
     afslagtechniek.
     Geen vuur.
     Geen taalgebruik.
     Het lichaamsgewicht toont minder seksuele dimorfie dan bij Australopithecus (15% tegen 55%),
     wat bij het geslacht Homo een meer opportunistische omgang tussen de seksen suggereert,
     wellicht meer vergelijkbaar met de chimpansee dan met de gorilla waar alleen het alfa-mannetje
     met de vrouwtjes paart.
     Man 1,30 m bij 37 kg / vrouw 1,00 m bij 32 kg, de man is ca. 15% zwaarder dan de vrouw.
     Hersenvolume ca. 510 - 650 cc.

 ▪Homo Ergaster (ergaster = werkend, Latijn)   (menu)
     1,9 - 1,2 miljoen jaar geleden (datering vondsten).
     Oost-Afrika (niet buiten Afrika gevonden)
     Lijkt op Homo Erectus (de vondst van Turkana Boy van 1,6 miljoen jaar geleden werd dan ook
     eerst als Homo Erectus geclassificeerd).
     Geëvolueerd in Oost-Afrika, waarschijnlijk uit de lijn van de Homo Habilis.
     Verschillende opvattingen over de afstammingslijnen:
      -Ergaster en Erectus hadden een gemeenschappelijke voorouder uit de lijn van Habilis,
        of Erectus ontstond uit Ergaster tijdens de trek uit Afrika, waarna Ergaster uitstierf en Erectus
        verder trok, ook naar Afrika waar hij immers volgens deze opvatting niet vandaan kwam.
        Recente 1,8 miljoen jaar oude Erectus-vondsten in China ondersteunen de laatste hypothese,
        maar houden de mogelijkheid open dat Erectus veel eerder in Afrika ontstond en Afrika ook
        eerder verliet maar dat wij zulke oude resten eenvoudig nog niet hebben gevonden.
      -Sommigen betwijfelen zelfs of Erectus wel onze voorouder was, en zien daarin een grotere rol
        weggelegd voor de in Afrika gebleven Ergaster, met Erectus als doodlopende tak.
     Mogelijk vuurgebruik.
     Man 1,80 m lang.
     Hersenvolume ca. 850 – 900 cc.






Skelettale verschillen tussen Australopithecus Afarensis en Homo Erectus

▪Homo Erectus (erectus = rechtop lopend, Latijn)   (menu)
     1,8 miljoen tot 300.000 jaar geleden (datering vondsten).
     Dankzij een geïsoleerde ligging echter locaal ook later nog voorkomend, zoals:
      -Javamens (Indonesië) tot 50.000 jaar geleden.
      -Floresmens ("Hobbit", Indonesië) tot 13.000 jaar geleden, mogelijk zelfs recenter.
        Dwerggroei van 1 m lang ("eiland-effect") en herseninhoud 400 cc, evenveel als de veel gro-
        tere chimpansee. Pygmeeën zijn niet veel langer, maar hebben een normale herseninhoud.
        (zie het hoofdstuk Ontwikkeling en migratie)
     Afrika, Zuid-Europa en Azië.
     Lijkt op Homo Ergaster.
     Geëvolueerd in Oost-Afrika, waarschijnlijk uit de lijn van de Homo Habilis, mogelijk via Ergaster.
     Verliet als eerste mensensoort na 1 miljoen jaar Afrika, en kwam 700.000 jaar geleden naar
     Europa. Recente vondsten sugereren echter dat Erectus al 1,8 miljoen jaar geleden in China en
     op Java voorkwam, maar dat kan ook betekenen dat Erectus eerder in Afrika ontwikkelde en
     Afrika ook eerder verliet, maar dat wij eenvoudig nog niet op zulke oude vondsten gestuit zijn.
     Sterker en robuster dan H. Habilis en H. Sapiens. Schedelkam, naar achter wijkend laag voor-
     hoofd, sterk ontwikkelde wenkbrauwbogen, prognatisme zonder kin en een dikke schedelwand.
     Kauwspieren, kaken en tanden minder ontwikkeld dan bij Habilis, maar beter dan bij Sapiens.
     De neusopening is groter dan bij H. Sapiens en iets naar voor geplaatst, wat suggereert dat
     bij Erectus voor het eerst de neus uit het gezicht steekt zoals bij latere menssoorten.
     De bouw van heup en heupgewrichten verraden een uitstekend renner, beter dan Sapiens.
     Verbruikte door langere benen 50% (vrouwen 85%) minder energie met lopen dan de veel klei-
     nere Australopithecus.
     Late volgroeiing door een verlengde jeugd.
     In Afrika waarschijnlijk een donkere huid (gunstiger afgifte van overtollige lichaamswarmte), maar
     bij migratie naar het noorden een lichtere huid (een hoog melaninegehalte van de huid zou im-
     mers de aanmaak van vitamine D teveel belemmeren).
     Werktuiggebruik, kernsteen met tweezijdige afslagtechniek en gemaakt volgens een gestruc-
     tureerd patroon van traanvormige handbijlen (Habilis deed maar wat).
     Gebruik en beheersing van vuur (warmte, bescherming tegen roofdieren en koken).
     Systematische jacht.
     Vleesconsumptie.
     Trektochten met vaste kampplaatsen, afhankelijk van het jaargetijde.
     Waarschijnlijk communicatie met de stem, maar nog geen echt taalgebruik (de corticale taal-
     centra van Broca en van Wernicke waren vanaf 2 miljoen jaar geleden al sterk ontwikkeld, maar
     het hypoglossale kanaal voor de tongzenuw was in fossiele schedels tot ca. 400.000 jaar gele-
     den (dus ook bij Homo Erectus) nog erg smal, en hetzelfde geldt voor de zenuwdoorgang uit de
     wervelkolom voor de voor spraak vereiste ademcontrole).
     Man 1,80 m bij 66 kg / vrouw 1,60 m bij 56 kg.
     Hersenvolume ca. 850 - 1100 cc (er zijn verschillende vormen van Erectus bekend).

 ▪Homo Antecessor   (menu)
     800.000 - 600.000 jaar geleden (datering vondsten).
     Lijkt sterk op Homo Heidelbergensis, soms ook met hem gelijkgesteld.
     Verschillende opvattingen over de afstammingslijnen:
      -Heidelbergensis geëvolueerd uit Homo Erectus (mogelijk en/of Homo Ergaster).
      -Antecessor of Heidelbergensis was de laatste gemeenschappelijke voorouder van Neander-
        thalensis en Sapiens.
     Hersenvolume ca. 1000 cc.

 ▪Homo Heidelbergensis (Vroege of Archaïsche Homo Sapiens)   (menu)
     600.000 tot 200.000 jaar geleden (datering vondsten).
     Afrika, Azië en Europa (verliet dus ook Afrika).
     Lijkt sterk op Homo Antecessor, soms ook met hem gelijkgesteld.
     Geëvolueerd in Oost-Afrika uit de lijn van Homo Erectus (mogelijk en/of Homo Ergaster).
     Waarschijnlijk in Europa of het Midden-Oosten (dus buiten Afrika) geëvolueerd tot de Neander-
     thaler, en mogelijk later in Afrika tot de moderne Homo Sapiens.
     Grote en diepe oogkassen, uitgesproken wenkbrauwboog, Neanderthalerkenmerken.
     Huidskleur als bij Homo Erectus.
     Werktuiggebruik, vuur, systematische jacht.
     Vleesconsumptie.
     Taalgebruik.
     Nog geen kunstvoorwerpen of muziek.
     Hersenvolume ca. 1200 cc.

 ▪Homo (Sapiens) Neanderthalensis   (menu)
     200.000 (tijdens de vóórlaatste IJstijd) - 30.000 jaar (en tot 50.000 jaar in het Midden-Oosten),
     op basis van datering vondsten.
     Doodlopende zijtak, geëvolueerd binnen een populatie in Europa of het Midden-Oosten (dus
     buiten Afrika) uit de lijn van de Homo Heidelbergensis (mogelijk en/of Homo Antecessor).
     Leefde in West-Europa, Oost-Europa (tot 55° N) en het Midden-Oosten (van Gibraltar tot
     Oezbekistan, en van de Middellandse Zee tot aan de ijskap).
     Lichte huid (migreerde immers niet uit Afrika).
     Gedrongen (brede torso en korte ledematen was energetisch gunstig tijdens de IJstijden), kleine
     maar krachtige lichaamsbouw, zwaar skelet en robuuste gewrichten.
     Lange, brede en lage schedel, forse wenkbrauwboog en grote tanden met prognatie, geen kin
     en grote neus om de polaire lucht vóór te verwarmen.
     Werktuiggebruik, van steen-schilfer i.p.v. gemaakt van het kernsteen zelf. Vuursteen kwam vaak
     van mijnen op tientallen km's afstand, dus er was een handelsnetwerk.
     Vuur, systematische jacht.
     Vlees- en visconsumptie.
     Taalgebruik.
     Kunstvoorwerpen en muziek. Grafrituelen.
     Man 1,65 m bij 77 kg / vrouw 1,55 m bij 66 kg
     Hersenvolume 1500 cc (iets meer dan moderne Homo Sapiens),
     bij de geboorte 400 cc (evenveel als Sapiens, dus waarschijnlijk een even lange dracht).

 ▪Homo (Sapiens) Sapiens (sapiens = verstandig, Latijn), de moderne mens   (menu)
     250.000 jaar - heden, op basis van datering vondsten.
     Geëvolueerd in Oost-Afrika, waarschijnlijk uit de lijn van de Homo Erectus, en met de Homo
     Heidebergensis als tussenstadium (mogelijk en/of Homo Antecessor).
     Verliet volgens de "Out of Africa-2 hypothese" na 100.000 jaar Afrika, en kwam via het Midden-
     Oosten (100.000 jaar geleden) naar Oost-Azië (35.000 jaar) en Europa (40.000 jaar).
     In Europa arriveerde hij tijdens de laatste IJstijd als de niet van ons meer te onderscheiden
     Cro-Magnon mens.
     Fragieler skelet dan voorgangers en Neanderthalensis.
     Ronde schedel, lichtere kaak en gebit, met duidelijk kin. Hoog voorhoofd, geen wenkbrauwboog.
     In Afrika een donkere huid (gunstiger afgifte van overtollige lichaamswarmte), maar bij migratie
     naar het noorden een lichtere huid (een hoog melaninegehalte van de huid zou immers de aan-
     maak van vitamine D teveel belemmeren).
     Rassenkenmerken zijn het gevolg van locale evolutie van Sapiens (volgens de "Out of Africa-1
     hypothese" zouden die net als Sapiens zelf zijn voortgekomen uit locale evolutie van een voor-
     ganger zoals Antecessor of Heidelbergensis).
     Werktuiggebruik, van steen-schilfer i.p.v. gemaakt van het kernsteen zelf. Vuursteen kwam vaak
     van mijnen op tientallen km's afstand, dus er was een handelsnetwerk.
     Vuur, systematische jacht.
     Vlees- en visconsumptie.
     Taalgebruik.
     Kunstvoorwerpen en muziek. Grafrituelen.
     De grotere diversiteit van het X-chromosoom t.o.v. de andere chromosomen duidt op polygamie,
     in de vorm van één mannetje met meerdere vrouwtjes.
     Sapiens toont echter veel minder seksuele dimorfie dan de Australopitheci, wat een meer op-
     portunistische omgang tussen de seksen suggereert, van nature wellicht meer vergelijkbaar met
     de chimpansee dan met de gorilla waar alleen het alfa-mannetje met de vrouwtjes paart.
     Man 1,75 m lang, vrouw 1,65 m (Noord-Europa in de Cro-Magnon tijd).
     Hersenvolume 1400 cc; bij de geboorte 400 cc.









Met hars vastgezette pijlpunten, 5000 AC

Datering werktuiggebruik en culturele ontwikkeling   (menu)
Ma = miljoenen jaren geleden, AC = vóór Christus)

Recente waarnemingen beschrijven het gebruik van werktuigen door chimpansees, reden aan te
nemen dat onze voorouders tot hetzelfde in staat zijn geweest (zie de paragraaf Chimpansee).
Onderstaande markering betreft geen tijdgrenzen, maar dateren de oudste vondsten van de relicten
van de beschreven techniek of het oudst-gevonden species die deze techniek leerde beheersen, of het
betreft een datering die is afgeleid vanuit de toenmalige stand van techniek.

 ▪Minstens 4,3 Ma
      (de datering betreft de oudste vondst van Australopithecus Afarensis - Afrika)
      Houten werktuigen, eventueel bewerkt met de tanden
      Stokken, knuppels, stootsperen (geen kernhout) met houten punt
      Mogelijk werpstenen (gericht werpen is typisch menselijk talent dat de chimpansee niet bezit)
 ▪2,3 Ma
      (de datering betreft de oudste vondst van Homo Habilis - Afrika)
      Kernstenen werktuigen met eenzijdige afslagtechniek
      Materiaal vulkanisch kwarts (ruimschoots aanwezig in brongebied, de Rift-vallei in Oost-Afrika)
      Vuistbijlen, schrapers
      Stootsperen van kernhout (veronderstelling op grond van de beschikbaarheid van schrapers)
      Aas-eten
▪1,8 Ma
      (de datering betreft de oudste vondst van Homo Erectus - Afrika)
      Vuur voor koken, warmte en bescherming tegen roofdieren
      Speerpunten in vuur gehard (veronderstelling op grond van de beheersing van het vuur)
      Vacht als deken en kleding (veronderstelling op grond van de combinatie van jacht en het ge-
      gebruik van stenen schrapers)
      Stemgebruik zonder echte spraak (zie de paragraaf Homo Erectus)
      Vlees eten, systematische jacht
▪1,4 Ma
      Kernstenen werktuigen met tweezijdige afslagtechniek (bifaciale vuistbijlen en schrapers)
 ▪600.000  (Homo Heidelbergensis)
      Spraak
 ▪700.000
      Homo Erectus brengt steentijd naar Europa
 ▪400.000
      Werpspeer, nog geheel van kernhout, maar met voorlijk liggend zwaartepunt
 ▪300.000
      Werktuigen van steen-schilfer i.p.v. gemaakt van het kernsteen zelf
      Materiaal vuursteen (ruimschoots aanwezig in Europa)
      Vuistbijlen, bijlen, messen, schrapers en speerpunten
      Stoot- en werpsperen met punt van vuursteen, been, bamboe en gewei
 ▪200.000
      Graf-rituelen
 ▪40.000
      Kunstvoorwerpen, rotstekeningen, muziekinstrumenten (fluit)
 ▪30.000
      Naalden uit been en ivoor vormen eerste bewijs voor kleding (was er natuurlijk eerder, gezien
      het trotseren van de vóórlaatste IJstijd door de Neanderthalers)
 ▪20.000
      Speerwerper of atlatl (hulpmiddel bij het speerwerpen)
 ▪10.000 AC
      Landbouw met permanente vestiging en domesticatie van runderen
         Mesopotamië 10.000 AC
         Europa 5000 - 1800 AC
 ▪8000 AC
      Pijl en boog
         Boog van iepen en essen was het beste, maar meeslal was alleen dennen voorhanden
         Pijlen van beuken, essen, esdoorn, dennen en ceder
         Pijlpunten van vuursteen, bot en gewei
         Europa en Azië 8000 AC
         Amerika 1000 AC, dus boog was er bij immigratie 12.000 jaar geleden nog niet
         Australië geen pijl en boog ontwikkeld, wel boemerang en speerwerper (hulpmiddel)
 ▪3300 AC
      Schrift
         Ontwikkeling schrift door Soemeriërs in Mesopotamië, 3300 AC (spijkerschrift),
         via Kreta (lineair A) naar Grieks (met ontwikkeling van lineair B naar alfabetisch)
         en vandaar via het Latijn begin jaartelling naar de Germaanse talen
         De voorlopers van de Chinese karakters dateren van 1000 AC
 ▪3000 AC
      Eerste grote steden in Mesopotamië, Egypte, China, India, Peru en Midden-Amerika
      Koper- en bronstijd (= koper + tin)
         Midden-Oosten 3000 - 1200 AC
         Zuid-Europa 3000 - 1000 AC
         Midden/Noord-Europa 2000 - 800 AC
         Opm.: Vuursteen bleef in gebruik als gevolg van de schaarste van brons
 ▪1200 AC
      IJzertijd (met koolstof verbeterd tot staal)
         Midden-Oosten 1200 AC
         Zuid-Europa 1000AC
         Noord-Europa 800 AC







Aanpassing aan de savanne   (menu)

 ▪De Rift-vallei   (menu)
   De meeste menselijke voorouders van Homo Sapiens evolueerden in Oost-Afrika, en dan met
   name in het gebied van de Grote Rift-vallei in Ethiopië, Kenia en Tanzania. De Rift-vallei bestaat uit
   een reusachtig geulvormig dal (slenk) dat 10 tot 5 miljoen jaar geleden door tectonische activiteit
   ontstond toen de Afrikaanse continentale plaat begon te scheuren waardoor het Afrikaanse conti-
   nent werd verdeeld in een oostelijk en een westelijk leefgebied met elk een eigen karakter. In het
   gebied van de breuklijn, de laaggelegen en relatief vruchtbare vallei waar rivieren enkele grote en
   zeer diepe meren vulde, bleek een gunstige leefomgeving te zijn voor onze voorouders.
   Oost-Afrika kwam echter door die geologische activiteit omhoog en veranderde, behoudens de Rift-
   vallei zelf, geleidelijk in een hoog plateau met een droger en seizoensgebonden klimaat, waardoor
   het regenwoud en de beboste savanne - die voordien heel Afrika bedekten - hier veranderden in
   een open landschap van savannen en prairies.



   En dat dwong de oostafrikaanse primatenpopulatie tot een evolutionaire aanpassing aan open land-
   schap. Anders dan in het westen ontwikkelden er zich soorten die zich kenmerkten door een recht-
   opgaande gang, een groeiend brein en een omnivoor dieet. In Centraal- en West-Afrika ontwik-
   kelden de primaten zich zonder die evolutionaire druk tot de in het woud levende grote herbivore
   Afrikaanse apen.

   Toen de oerwouden door verdroging van het klimaat gefragmenteerd raakten tot een savannen-
   landschap, werden de voorouders van de mens gedwongen in de vlakte te gaan jagen.
   Zij waren echter evolutionair toegerust als primaat, en niet geschikt voor een leven als jager in het
   open veld.

 ▪Primaatkenmerken die gunstig waren voor een leven als jager   (menu)
    -Voorin geplaatste ogen maken diepte-zien mogelijk. Nodig voor het leven in de bomen,
      maar ook nuttig om bij de nieuwe leefwijze voorwerpen als stenen en speren te kunnen
      werpen.
    -Kleine neus geeft beter zicht naar voren.
    -Vermogen tot het waarnemen van statische details, verworven door het statische karakter
      van het primatenvoedsel (vruchten en plantenvezels). Iets hoeft niet te bewegen om te
      kunnen worden gezien.
    -Vermogen om kleuren te zien, ontstaan uit de noodzaak het in kleur gevariëerde voedsel-
      aanbod te kunnen beoordelen.
    -Verfijnde smaakbeoordeling door gevarieerd voedselaanbod van het primatendieet.

 ▪Primaatkenmerken die ongunstig waren voor een leven als jager   (menu)
    -Gehoor matig en weinig richtinggevoelig.
    -Reukvermogen matig.
    -Meer acrobatisch dan stoer atletisch. Dus geschikt voor klimmen en springen, maar niet voor een
      snelle ren of voor het slaan van prooi.
    -Zwakke kaken, niet geschikt om mee te doden en te verscheuren.
    -Al primaat door weinig calorierijk voedsel altijd met eten bezig i.p.v. zoals een roofdier lange peri-
      oden te vasten met af en toe eten, en dan ook heel veel.
    -Begraaft zijn uitwerpselen niet (valt gewoon uit de bomen, en het stinkt ook minder door de plant-
      aardige samenstelling van het voedsel).
    -Hoewel nooit helemaal alleen, toch ook geen samenwerking. Opportunistische leefwijze zonder
      de voor de jacht noodzakelijke coördinatie. Daardoor wordt veel tijd en energie besteed aan
      wedijver en dominantie. Deze primaten-leefwijze geeft ook geen aanleiding tot paarvorming
      (zie volgende paragraaf).
    -Geen echt territorium, en weinig agressie bij de verdediging ervan.

 ▪Compensatie-mechanismen voor de ongunstige kenmerken van onze jagende voorouder   (menu)
    -Hersenvolume   (menu)
      Het hersenenvolume nam toe waardoor aanpassing van het sociaal gedrag, een gecoördi-
      neerde jacht en werktuig- en wapengebruik mogelijk werden. Met name het talent om gericht en
      hard te werpen is opmerkelijk.
      Deze hersengroei werd mogelijk gemaakt door energiewinst t.g.v. het eten van vlees en vis, en
      door energiebesparing t.g.v. darmverkorting.

      Het voedsel van de vroege Australopitheci bestond uit plantenvezels. De latere soorten hadden
      zwaardere kauwspieren om het taaiere voedsel te kunnen eten dat hun verdroogde habitat hen
      bood sinds de oerwouden gefragmenteerd raakten tot een savannenlandschap.
      Anders dan de Australopiteci ging het geslacht Homo over op vleesconsumptie. De verdroging
      had immers meer grasland doen ontstaan, en bracht daardoor grazers binnen bereik. En vlees
      levert per eenheid gewicht twee tot viermaal zoveel calorieën op als fruit, waarmee een sub-
      stantiële groei van de hersenen mogelijk werd. Een brein vraagt namelijk veel energie. Hersen-
      cellen hoeven welliswaar niet steeds te worden vervangen, maar zij pompen wel grote hoeveel-
      heden ionen over membranen en maken voortdurend neurotransmitters aan, en dat vreet ener-
      gie.
      De hersenen van de hedendaagse mens gebruiken ongeveer 20 Watt (ongeveer 1675 Kilojoule
      of 400 Kilocalorie per dag), wat overeenkomt met 20-25% van de totale energieconsumptie in
      rust, terwijl het maar 2% van ons lichaamsgewicht uitmaakt.
      Bij andere primaten is het verbruik dat 10%, en bij gewone zoogdieren 5%. Het kinderbrein
      neemt zelfs tot 60% van het energieverbruik voor zijn rekening.
      Tegenover dit energetische nadeel staat wel dat het vergroote brein tot 30% van de totale koe-
      lingscapaciteit voor haar rekening ging nemen.

      De evolutie van het brein ging om energetische redenen dan ook aanvankelijk traag, om vanaf
      het geslacht Homo dank zij de vleesconsumptie spectaculair te versnellen.
      Homo Erectus verdeelde de buit al onder de groep, wat zowel de band binnen de groep, als ook
      de energiewinst van de groep als geheel ten goede kwam.
      Volgens de sociale-brein-hypothese verbeterden de toegenomen hersenencapaciteit de sociale
      interacties, de bundeling van kennis, en het groepsoptreden waardoor gevaren beter konden
      worden bestreden en de jachttechnieken verbeterden. En dat laatste leverde weer meer vlees
      op.
      De vicieuze cirkel zal wellicht in werking zijn gezet door te eten wat de roofdieren overlieten.
      Door de verbeterde leefomstandigheden leefde Homo langer, langer dan de meeste dieren met
      inbegrip van de andere primaten, en die grotere levensspanne maakte ervaring en kennisover-
      dracht mogelijk. Bij jagersvolken zijn de mannen dan wel het sterkst op hun 24-ste, maar zij
      brengen pas na hun 35-ste de beste en meest energierijke buit binnen. De vrucht van jaren-
      lange oefening en van bijleren van verbeterde jachttechnieken.

      Menselijke baby's hebben, in tegenstelling tot andere dieren inclusief primaten, veel onderhuids
      vet, waarvan de calorierijke voedsel-reserve voorwaarde is voor een groot brein (survival of the
      "fattest").
      Een dergelijke vetlaag kon alleen worden ontwikkeld met een constant dieet van vis, mosselen,
      oesters, slakken, kwallen, kikkers, vogeleieren en schildpadden, kortom organismen in of bij
      water. Een kind was ook na de geboorte van dit dieet verzekerd omdat het dieet van de moeder
      zich vertaalde naar de samenstelling van de moedermelk.
      De mens jaagde dus niet alleen in de droge savannen waar de opbrengst ook te onzeker was,
      maar verbleef vooral aan de kusten en aan de oevers van rivieren. Later in de evolutie werd de
      jacht op de savanne wel steeds belangrijker.
      Dit is overigens geen voorschot op de verderop besproken hypothese van de wateraap, want die
      gaat veel verder dan dit.

      Eiwitrijk voedsel is op zichzelf niet voldoende om een dergelijke brein-vergroting energetisch
      sluitend te maken. Er moest ook elders in het lichaam energie worden bespaard, en dat ge-
      beurde door vermindering (verkorting) van de energie vretende darmmassa (gut brain swap).
      Dat kon nu ook omdat Homo met het eten van vlees en vis niet alleen overgeschakelde op
      hoogwaardig eiwit- en vetrijk, maar ook op gemakkelijk verteerbaar voedsel. Darmreductie
      veroorzaakt op zichzelf natuurlijk geen hersengroei, maar maakt het wel mogelijk. Bij andere
      dieren leidde vergelijkbare darmreductie niet tot hersengroei, maar tot toename van de spier-
      spiermassa.
      De darmverkorting veranderde de ribbenconfiguratie van omgekeerd trechtervormig (hangbuik)
      naar tonvormig (boven en onder vernauwd) zoals bij de moderne Sapiens (zie figuur bij para-
      graaf Homo Erectus).

      Later in de ontwikkeling van de mens vinden wij een tweede mechanisme om energie te be-
      sparen voor verdere hersengroei.
      Deze bestaat uit de culturele ontwikkeling het ingewand te externaliseren. Om de lange eiwit-
      en zetmeelmoleculen gemakkelijker verteerbaar te maken, breken zij die buiten het lichaam af
      door:
        ▫Fermenteren (= een beetje laten bederven)
        ▫Marineren (= in olie zetten)
        ▫Koken
      Alle mensen op aarde koken. Zelfs Eskimo's die grotendeels moeten leven op rauwe vis, koken
      toch regelmatig, ondanks de structurele brandstofschaarse.
      Onze darmlengte heeft zich aangepast aan regelmatig koken. Eten van alleen rauw voedsel
      geeft tekorten omdat de darm daar nu te kort voor is. Bovendien zullen darmflora en afweer er
      niet meer mee om kunnen gaan.
      Vuur wordt in elk geval al 250.000 jaar gebruikt, maar wellicht al veel langer, mogelijk al 1,6 mil-
      joen jaar. Homo Sapiens kookte, maar waarschijnlijk kookte ook Homo Erectus die immers ook
      vuur kende.

      Er zijn dus twee momenten in de evolutie geweest waarop het geslacht Homo darmlengte in-
      wisselde voor volume-vergroting van het brein:
        ▫Eten van eiwitrijk voedsel zoals vlees en vis
        ▫Koken van voedsel

    -Rechtopgaande gang   (menu)
      Een andere compensatie van de nadelige kanten van onze primaten-erfenis betreft de rechtop-
      gaande gang die legio voordelen bleek te bieden:
        ▫Goed overzicht op voedselbronnen en roofdieren.
        ▫Maakte de armen vrij voor werktuig- en wapengebruik, en maakte verfijning van de bouw van
          de hand mogelijk.
        ▫Minder warmteopname van de zon in de onbeschutte savanne (een staand lichaam vangt
          minder zonnewarmte als de zon op zijn hoogst staat).
        ▫Grotere afvoer van overtollige warmte door een betere circulatie van lucht rond het lichaam
          en door een grotere afstand tot de hete grond.
        ▫Wijziging van de hand voor werktuiggebruik (de primaten-duim was al opponeerbaar).
      De rechtopgaande gang gaf aanleiding tot een wijziging van de voet (niet langer opponeerbare
      grote teen).

 ▪Mechanisme   (menu)
   Deze fysiek eigenschappen konden niet afzonderlijk, maar alleen tegelijk, tot evolutionair succes
   leiden. Daarom moet er een mechanisme zijn geweest dat deze aanpassingen tegelijk tot stand
   bracht.
   En dat mechanisme kan de nog te bespreken neotenie zijn geweest, het behoud van jeugd-
   kenmerken tijdens het volwassen leven. De noodzakelijke aanpassingen zouden in principe ook
   door het verderop besproken - maar zeer omstreden - concept van de water-aap kunnen zijn
   bereikt.

   De aanpassingen van de fundamentele gedragsaspecten van het vroegere primatenbestaan
   (voedselgedrag en het sociaal-, agressie- en seksueel gedrag) zijn te complex om alleen door
   cultuur en leren te zijn verworven. Ook hier moeten genetische factoren in het spel zijn.
    -Voedsel zoeken (jagen en verzamelen) en eten moesten gescheiden handelingen worden.
      Dus geen voortdurende en onmiddellijke bevrediging van de voedselbehoefte zoals bij een
      vruchten plukkende primaat, maar uitstel van die bevrediging met de bedoeling het eten naar
      de groep te brengen.
    -Toen hij fysiek toegerust raakte voor de jacht en krachtige wapens begon te ontwikkelen, moest
      hij ook remmingen ontwikkelen om te voorkomen dat hij deze wapens tegen de eigen soort zou
      richten. Daartoe verbeterde de communicatie, vocaal door taal en fysiek door mimiek.
    -De agressie naar de eigen soort werd afgeremd door een verhoogde seksdrive, die deels de
      agressie zelf wegnam en deels de agressie indirect reguleerde via paarvorming en paartrouw.
      Dat beperkte immers de mannelijke jaloezie en wedijver om de wijfjes. Dit proces werd onder-
      ondersteunt door de ontwikkeling van het vrouwelijk orgasme (als enige in het dierenrijk), die de
      emotionele binding en de paartrouw verhoogde.
      Onze voorouder werd een oversekste aap met een teveel aan rest-agressie. Onze geschiedenis
      staat bol van de gevolgen die deze erfenis uit de vroege post-primatentijd heeft op onze mo-
      derne samenleving.










Neotenie in de hoeken wervelkolom - schedelbasis - neusdelen
bij embryo en volwassene van hond en mens

Ontwikkelings-hypothesen   (menu)

De overgang van een in het oerwoud levende primaat naar een op de savanne aangewezen jager
vergde een veelheid aan aanpassingen waarvan de complexiteit aanleiding was voor enkele hypo-
thesen die zo'n proces zouden kunnen hebben gefaciliteerd.

 ▪Neotenie (neotès = jeugd, Grieks)   (menu)
   De aanpassing aan het leven van een savanne-jager kan zijn bereikt door neotenie, het behoud van
   jeugdkenmerken tijdens het geslachtsrijpe leven (Stephen Jay Gould, Amerikaans paleontoloog,
   geoloog en evolutiebioloog). De jagende voorouder is dan eigenlijk een "infantiele aap" geweest.

   Door differentiële neotenie (remming in de ontwikkeling van bepaalde volwassen kenmerken) be-
   hielden onze volwassen voorouders infantiele kenmerken die sterk kunnen hebben bijgedragen aan
   de besproken aanpassingen:
     -Vertraagde en verlengde hersengroei (bij de mens is de hersengroei bij de geboorte nog maar
       voor 25% voltooid, en de hersengroei gaat na het bereiken van de geslachtsrijpe leeftijd nog 10
       jaar door).
     -Levenslange nieuwsgierigheid (waardoor meer tijd voor leren door imitatiegedrag en onderwijs),
       neiging tot onderzoeken (waardoor ontwikkelen van nieuwe vaardigheden) en spelen (oefenen
       van die vaardigheden).
     -Gelaatsrichting loodrecht op de lengte-as van het lichaam, van belang voor de rechtopgaande
       gang. Dit vind je bij de foetus van alle dieren, iets dat bij andere dieren echter na de geboorte
       verdwijnt (zie afbeelding).
     -Naakte huid met zweetklieren (betere afkoeling bij inspanningen tijdens de jacht, en trouwens
       ook minder parasieten) en subcutaan (= onderhuids) vet verzorgden de temperatuurregulatie.
       Een vacht was daarmee onnodig, ook al door het latere vuurgebruik en het gebruik van vacht
       als deken en kleding door de combinatie van jacht en werktuiggebruik (stenen schrapers).
     -Een niet opponeerbare grote teen, waardoor een gemakkelijker gang.
     -Spin-off zonder speciaal nut, maar met betekenis als bevestiging: Lange dunne nek, vlak ge-
       zicht, kleine tanden met een trage eruptie, minder tot geen zware wenkbrauwbogen.




Wadend gorillawijfje dat met een stok de bodem aftast

▪Water-aap   (menu)
   Theorie van de Britse bioloog Sir Alistair Hardy in de 20-er jaren, en in de 60-er jaren gepopulari-
   seerd door de Britse schrijfster Elaine Morgan met het boek "The Aquatic Ape".
   De theorie is in wetenschappelijke kring zeer omstreden, maar is als hypothese een boeiend uit-
   uitgangspunt voor laterale discussie.

   Zoals ik in het vorige hoofdstuk al schreef, hebben menselijke baby's veel onderhuids vet,
   waarvan de calorierijke voedsel-reserve voorwaarde is voor een groot brein. Een vetlaag die alleen
   kon worden ontwikkeld met een constant eiwitrijk dieet zoals dat aan de kusten en aan de oevers
   van rivieren gevonden wordt.

   De hypothese van de "water-aap" gaat echter verder dan dit::
   Mogelijk werd de overgang van primaat naar de jagende voorouder van de mens aan het eind van
   het Tertiair in Oost-Afrika via een stadium van waterleven bereikt, waardoor de door neotenie be-
   reikte aanpassingen meer tijd kregen zich te ontwikkelen en ook een logischer verloop tonen.
   Er zijn tenslotte meer zoogdieren naar zee teruggekeerd zoals walvis, dolfijn en zeehond.

   De volgende kenmerken zou men kunnen beschouwen als aanwijzingen voor een wadend leven in
   ondiep water:
     -Verlies van beharing, behalve op het hoofd dat immers boven water stak.
     -Duikreflex (verandering van de bloedsomloop bij duiken met onbedekt gezicht)
     -Glottisreflex (sluiten van de keel bij het duiken).
     -Vermogen heel snel grote hoeveelheden lucht op te zuigen, en bewust de adem in te houden.
     -Rudimentaire mogelijkheid de neusgaten te sluiten.
     -Lichaamsstroomlijn (vorm van de neus).
     -Richting romphaartjes volgens de lijnen van langsstromend water (schuin naar beneden en naar
       de ruggengraat).
     -Nesthaar van de foetus (lanugo) lijkt sterk op dat van in water levende pelsdieren.
     -Onderhuis vet voor warmte-isolatie, zoals bij walvis, dolfijn en zeehond.
     -Zweten om af te koelen zou voor een landdier in de tropen teveel vocht kosten.
     -Gemakkelijk gedrag in water (waden, zwemmen en duiken), anders dan bij de andere primaten.
     -Zwemtalent van een neonatus die meteen na zijn geboorte kan zwemmen.
     -Uitstekend evenwichtsgevoel, ook bespoedigd door het leven in de bomen.
     -Zeer soepele wervelkolom zoals die alleen voorkomt bij waterzoogdieren.
     -Rechtopgaande gang maakte waden in dieper water gemakkelijker.
     -Goed ontwikkelde hand maakte benodigde tastzin onder water mogelijk.
     -Werktuiggebruik kan zijn gestimuleerd door de behoefte schelpen open te breken.
     -De samenstelling van bloed en traanvocht lijkt op die van zeewater. Dit kan natuurlijk ook sa-
       menhangen met de evolutie van al het leven uit zeedieren.
     -De encephalisatiequotiënt van de mens (herseninhoud per eenheid lichaamsvolume) ligt dichter
       bij een zeezoogdier als de dolfijn dan bij de veel nauwer verwante chimpansee.

   Bij de mens is een ontwikkelingsstoornis bekend met zwemvliezen tussen de tweede en derde
   teen. Mogelijk een rudimentair verschijnsel dat teruggaat tot een waterstadium?
   Bovendien zouden begin 20-ste eeuw bij een lagune in Nieuw-Guinea mensen zijn aangetroffen
   met grote neusgaten die geopend en gesloten konden worden, en met zwakke knieën en grote
   vlakke voeten met vliezen tussen de tenen. Zij hadden een sterke voorkeur voor leven in water. Het
   kan heel goed een locale anomalie betreffen, maar het zou ook om een rudimentair verschijnsel
   kunnen gaan van een voormalig waterleven.
   Een aardige hypothese, maar helaas obsoleet.







Paleontologische vindplaatsen in Oost-Afrika

Ontwikkeling en migratie   (menu)

De meeste menselijke voorouders van Homo Sapiens evolueerden in Oost-Afrika, en dan met name
in het gebied van de Grote Rift-vallei in Ethiopië, Kenia en Tanzania.
(zie het hoofstuk Aanpassing aan de savanne)
Deze door grootschalige geologische processen gevormde slenk is dan ook een rijke vindplaats van
fossielen van onze voorouders, vooral de Olduvalkloof ("de wieg van de mensheid"), temeer daar de
snelle afzetting van sediment de conservering van de vroeg-menselijke resten heeft bevorderd.

Het gebied is bewoond door talloze soorten Australopithecus en soorten van het geslacht Homo, waar-
van een aantal lange tijd het leefgebied met elkaar moet hebben gedeeld, wellicht elk in een eigen
niche.
Ook Homo Erectus evolueerde ca 1,8 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika, waarschijnlijk uit de lijn van
Homo Habilis. Hij was een jager, en omdat carnivoren nu eenmaal een groot leefgebied nodig hebben
en Oost-Afrika bovendien begon te verdrogen, was hij na 1 miljoen jaar gedwongen als eerste men-
sensoort het Afrikaanse continent te verlaten.
Hij trok eerst naar Azië, en van daaruit naar Europa dat hij ongeveer 700.000 jaar geleden bereikte.



Ik ga er vooralsnog vanuit dat Homo Sapiens uit de lijn van Homo Erectus voortkwam (althans niet ex-
clusief uit Homo Ergaster), wellicht met Homo Heidelbergensis (althans niet exclusief met Homo Ante-
cessor) als tussenstadium (zie de soort-specifieke paragrafen, en zie paragraaf Alternatieven-schema
m.b.t. de rol van Homo Ergaster en Homo Antecessor).
Over de wijze waarop zij de wacht aflosten bestaan volgens sommigen nog twee theorieën.



Verspreiding van H. Sapiens volgens de Out of Africa-2 hypothese

  ▪Out of Africa-1 hypothese of het multiregionale continuïteitsmodel.
    Homo Sapiens zou in de huidige raciale kenmerken op vele plaatsen ter wereld ongeveer tege-
    lijkertijd uit de locale Erectus zijn geëvolueerd.
  ▪Out of Africa-2 hypothese of de enkele-oorspronghypothese of het vervangingsmodel.
    Homo Sapiens zou in Afrika zijn voortgekomen uit de lijn van Erectus, verliet 100.000 jaar geleden
    Afrika, verspreidde zich over de wereld, en verdrong daarbij Homo Erectus. De huidige ras-
    kenmerken zouden lokaal binnen de soort zijn geëvolueerd.
    De laatste hypothese wordt tegenwoordig vrij algemeen aanvaard, mede doordat hij wordt onder-
    ondersteund door onderzoek aan mitochondriaal DNA (de vrouwelijke lijn) en aan Y-chromoso-
    men (de mannelijke lijn). Dit uit 1987 stammende onderzoek vond 147 proefpersonen, verspreid
    over de hele wereld, die afstammen van één moeder ("Black Eve"), die 200.000 tot 150.000 jaar
    geleden in subtropisch Afrika moet hebben geleefd. De oudste vondsten lagen in Zuid- en Oost-
    Afrika en dateren van 250 000 – 130 000 jaar geleden.
    Sindsdien is het onderzoek naar onderscheidende haplogroepen (een genetische indeling op
    basis van de variatie in mitochondriaal of Y-DNA) explosief toegenomen.






Verspreiding van H. Sapiens volgens mitochondraal DNA analyse (projectie vanuit de Noordpool met
zuidzuidwest boven; de letters zijn de haplogroepen)

Ongeveer 200.000 jaar geleden (tijdens de vóórlaatste IJstijd) evolueerde Homo Neanderthalensis
binnen een populatie in Europa of het Midden-Oosten uit de lijn van Homo Heidelbergensis. De
Neanderthaler heeft zich dus locaal ontwikkeld op een wijze die lijkt op wat de Out of Africa-1
hypothese is voor Homo Sapiens, zij het dat deze term alleen voor Homo Sapiens wordt gebruikt.
De Out of Afrika-2 hypothese volgend, evolueerde in Oost-Afrika 250.000 jaar geleden Homo Sapiens,
de moderne mens, uit de lijn van Homo Erectus. Ook via Homo Heidelbergensis, maar dan (anders
dan bij Homo Neanderthalensis) niet in Europa of het Midden-Oosten, maar in Afrika. Hij verliet Afrika
na 100.000 jaar, verspreidde zich over de wereld en verdrong zijn voorgangers alsook alle zijtakken
waaronder de Neanderthaler.
Men neemt aan dat hij vanuit Oost-Afrika via de noordkant van de woestijn naar het oostelijk deel van
Azië trok. Uit genetisch onderzoek blijkt dat de migratie ook via een route langs de zuidkust van Azië is
verlopen. Daarna zou 40.000 jaar geleden Australië zijn bereikt (er was toen maar één zeestraat, tus-
sen Borneo en Nieuw-Guinea).
Vanuit Oost-Azië trok hij rond 12.000 jaar geleden tijdens de laatste ijstijd over de toen tijdelijk droog-
liggende en ijsvrije landbrug ter plaatse van het huidige Beringstraat Amerika binnen. De zeespiegel
stond tijdens de laatste ijstijd immers 100 tot 125 m lager (de Noordzee was een steppe-gebied), en
de ijskap trok terug omdat de ijstijd ten einde begon te lopen. Langs de ijsgrens trekkend kan die
migratie echter ook al eerder hebben plaatsgevonden, en dat geldt ook voor de route om de west
vanuit Scandinavië.
Een vroege aftakking van de migratiestroom zou naar het Midden-Oosten en richting Europa zijn
gegaan, waar hij 40.000 jaar geleden tijdens de laatste IJstijd arriveerde (Cro-Magnon-mens).






Verspreiding van H. Neanderthalensis (200.000 - 30.000)

De Neanderthaler was daarop binnen 10.000 jaar uit Europa verdwenen (dus ongeveer 30.000 jaar
geleden). Naar het waarom kunnen wij slechts gissen:
  ▪Verdrijving naar ongunstiger gebieden of genocide door Homo Sapiens, voor welke laatste overi-
    gens geen aanwijzingen zijn gevonden.
  ▪Vermenging met de Homo Sapiens. Deze hypothese wordt echter niet ondersteund door mito-
    chondriaal DNA-onderzoek. Er is wel kruising aangetoond, maar deze vond in onvoldoende mate
    plaats om hun verdwijning te verklaren.
Blijkbaar was Homo Sapiens (ondanks het grotere brein van de Neanderthaler) superieur. Ook hier
moeten wij gissen naar het waarom:
  ▪De Neanderthaler was kleiner en zwaarder gebouwd dan de Sapiens en gebruikte daardoor bij het
    lopen meer energie. Hij was dus aangewezen op grotere prooidieren, was meer gespecialiseerd
    en had een groter territorium nodig
  ▪Neanderthalers waren door hun kleinere en meer honkvaste populaties mogelijk minder innovatief
    dan Sapiens. Door hun leven in een groter stamverband ontwikkelde Sapiens immers mogelijk
    een grotere sociale intelligentie die tot een snellere ontwikkeling en verspreiding van technologie
    kan hebben geleid (zie hoofdstuk Intelligentie en werktuiggebruik).
    Hun grotere herseninhoud gebruikten de Neanderthalers mogelijk voor een diepgaande kennis
    van diergedrag en landschap i.p.v. technologie, waardoor voor hen mogelijk gold: "The more you
    know, the less you need".
  ▪De Neanderthalers in het uiterste noorden stierven in koude perioden uit waarna zij in warmere
    perioden terug-migreerden vanuit de zuidelijke restpopulatie. Dit leidde tot een weinig gedifferen-
    tieerde genenpool en bevorderde de "genetic drift".
    (zie het essay Van micro-organisme tot zoogdier, Genetic drift).
  ▪Sapiens kookte (met zout) en at voedsel dat veel rijker was aan essentiële vetzuren. Neanderthalers
    kookten ook, maar van hun kookgewoonten en hun dieet weten wij weinig, behalve dat het minder
    gevarieerd moet zijn geweest, groter wild betrof en geen of nauwelijks vis bevatte.
In het Midden-Oosten was de Neanderthaler al 50.000 jaar geleden uitgestorven. In Europa duurde het
langer doordat Europa tijdens de laatste IJstijd in het zuiden en oosten door onbegaanbaar geworden
gebergte geïsoleerd raakte.

Volgens de Out of Africa-2 hypothese danken rassenverschillen hun bestaan aan aanpassingen van
Homo Sapiens aan de locale leefomgeving, waar de Out of Africa-1 hypothese het houdt op aan-
passing van Homo Erectus en die aanpassing vervolgens Homo Sapiens noemt.
Mensen zijn m.b.t. grootte en kleur onderhevig aan dezelfde regels als andere dieren. Een donker
lichaam geeft gemakkelijker zijn warmte af dan een lichtgekleurd lichaam. Dat impliceert dat mensen
met de tropen als oorspronggebied een donkere huid kregen om de door spierenactiviteit opgewekte
overtollige warmte kwijt te kunnen. Zij die de hogere breedten als oorspronggebied hadden, moesten
echter een lichtere huid krijgen om te voorkomen dat een hoog melaninegehalte van de huid bij de op
die breedten verminderde zonuren de aanmaak van vitamine D teveel in de weg zou staan. En dat kon
ook omdat de energiebalans (opgewekte warmte minus afgegeven warmte) bij hen in het koudere
klimaat toch al minder problemen opleverde en zelfs eerder negatief was.
In koudere streken zijn de mensen ook vaak groter dan in de tropen omdat een groter lichaam daar
een gunstiger energiebalans heeft dan een klein lichaam. De inhoud (en dus de energieproductie
door stofwisseling en spierarbeid) neemt immers toe met de derde macht van de lichaamslengte, tegen
de warmteafgifte via de huid met de tweede macht. Dat houdt in dat als de warmteafgifte na inspan-
ning een probleem is (positieve energiebalans) een mens beter klein kan zijn zoals in het tropische
Centraal-Afrika, maar dat hij in koude streken (negatieve energiebalans) zijn lichaamswarmte beter
vasthoudt als hij groter is zoals in het koude Noord-Europa.
Het aantal co-factoren is echter zo groot dat deze regel nauwlijks praktische waarde heeft. Zo evolu-
eerden nomadisch levende volkeren langer omdat lengte de efficiëntie van het lopen verhoogt (Homo
Erectus, en in onze tijd de Masaï). En in gebieden met structureel vaak perioden van voedseltekorten
zullen de mensen weer kleiner zijn omdat een kleiner individu zo'n periode gemakkelijker op een klein
rantsoen kan overleven. Zoals klein ook beter is als de voedselopbrengst per vierkante kilometer laag
is (Neanderthaler tijdens de twee laatste ijstijden). Dit moet niet verward worden met de invloed van
ondervoeding in een kritische fase van de groei op de lichaamslengte, want dat is geen genetisch
proces, maar een milieufactor.
Pygmeeën - en dat zijn alle mensenpopulaties onder 1,50 m - uit Afrika, Azië en Zuid-Amerika nemen
in deze een bijzondere plaats in.
Vroeger werd hun geringe postuur toegeschreven aan een gemakkelijker verplaatsing in dicht bos, een
gunstige temperatuurregulatie bij inspanning, of aanpassing aan structurele voedseltekorten. Die fac-
toren zijn echter ook van toepassing op andere jager-verzamelaarsvolken die niet klein zijn.
Tegenwoordig denkt men dat het een gevolg van een andere voortplantingsstrategie in de vorm van
een grotere en dus eerder ingezette investering in de voortplanting. Vroegtijdige rijping vereist immers
een hogere stofwisseling die de kans op celschade vergroot, en daarmee de lichaamsgrootte en de
levensverwachting beperkt. Pygmeeën-vrouwen krijgen 3 tot 4 jaar eerder kinderen dan andere jager-
verzamelaarsvolken terwijl de gemiddelde levensverwachting met 20 jaar wordt bekort. Tot hun
12-de jaar is de groei normaal, om daarna 3 tot 4 jaar te vroeg te stoppen. Pygmeeën hebben ondanks
hun kleine postuur overigens dezelfde herseninhoud als andere mensenrassen.










Vuurstenen vuistbijl van Mander, Noord-Nederland, 180.000 jaar geleden

Intelligentie en werktuiggebruik   (menu)

Evolutie heeft geen doel maar alleen gevolg, en biologisch gezien gaat het in wezen zelfs niet om
overleven maar om het zo succesvol mogelijk doorgeven van de genen aan het nageslacht.
Dat betekent dat het onzin is intelligentie of zoiets als het componeren van een pianoconcert als het
hoogtepunt van de evolutionaire ontwikkeling te willen zien.
De dinosauriers domineerden ruim 150 miljoen jaar, terwijl de mens zich pas vanaf Homo Sapiens
echt liet gelden, dus nog maar paar honderdduizend jaar. Biologisch gezien waren de sauriers
voorlopig veel succesvoller, en dan heb ik het nog niet eens over de haai die al sinds het Siluur bijna
ongewijzigd zo'n 450 miljoen jaar aan de top van de maritieme voedselketen staat.

Dat leven zál ontstaan als het kán ontstaan, is biologisch en statistisch wel aangetoond (zie het essay
Van micro-organisme tot zoogdier, evolutieleer) en voor het onstaan van intelligentie geldt waarschijnlijk
hetzelfde, maar dat evolutie altijd leidt tot technologie en cultuur is helemaal niet zeker.
Zo ontwikkelden een paar soorten jagende en vliegende dinosauriers warmbloedigheid en intelligentie,
maar in die ruim 150 miljoen jaar kwam niet één soort tot die sprong naar een "Stenen Tijdperk"-
technologie. Niet omdat het niet had gekund, maar omdat evolutie geen sturend karakter heeft en
geen van hen tegen die buitengewoon zeldzame samenloop van omstandigheden aanliep als die
waarin het geslacht Homo belandde. Omstandigheden die Homo in een sprong van slechts 2 miljoen
jaar tot een technologie ontwikkelende soort zouden maken, de Homo Sapiens.

Veel diersoorten, en dat zijn niet alleen mensapen, kennen een technologie op basis van in de natuur
gevonden materialen zoals takken, stenen en doornen. Chimpansees maken zelfs werktuigen door
takken te bewerken met hun tanden.
De technologie waar ik aan refereer begint echter met de beheersing van het vuur en de bewerking
en het gebruik van stenen gereedschap, zoals vuistbijlen en schrapers. In het geologisch actieve ge-
gebied van de Grote Rift-vallei, de bakermat van de mensheid, waren de omstandigheden voor een
technologische ontwikkeling optimaal, namelijk:
 ▪Vruchtbare grond met veel wild.
 ▪Geleidelijke savanne-vorming die evolutionaire aanpassing genereerde van een woudbewoner
   tot een bewoner van open landschap (zie het hoofdstuk Aanpassing aan de savanne).
 ▪De noodzaak van vuur ter bescherming tegen grote roofdieren bij verblijf op de nachtelijke vlakte
   buiten de bescherming van het woud.
 ▪De ruime beschikbaarheid van vulkanisch kwarts in dit geologisch aktieve gebied voor de productie
   van werktuigen, en zonder welke de ontwikkeling blijft steken in de hout-technologie.
 ▪De toenemende verdroging van het landschap die vanaf Homo Erectus steeds nieuwe soorten
   homininen dwong Afrika te verlaten en zich over de wereld te verspreiden.
   (zie het hoofdstuk Ontwikkeling en migratie).
Het unieke van dit gebied moge blijken uit de omstandigheid dat de primaten ten westen van het ge-
bied van de Rift-vallei gewoon apen bleven, en alle technologie ontwikkelende menstypen (van
Habilis tot Sapiens) waarschijnlijk in dit ene betrekkelijk kleine gebied zijn geëvolueerd en (volgens
de "Out of Africa-2 hypothese") hiervandaan zijn uitgewaaierd, met uitzondering van de Neander-
thaler die waarschijnlijk locaal evolueerde uit de al met technologie begiftigde Heidelbergensis. En
uit het gegeven dat er verder niet één ander brongebied is geweest waar een soort met technolo-
gische capaciteit evolueerde.
Toeval dat alle technologie ontwikkelende species uit één gebied afkomstig zijn? Nee, toeval dat
er zo'n gebied heeft geëxisteerd in de aanwezigheid van een potentiele kandidaat op een kritisch
moment van zijn ontwikkeling.






De chimpansee Sultan schuift stokken in elkaar, bouwt stellages en bedient zich zelfs van een combinatie van deze
 technieken in een poging een hoog hangende tros bananen te bemachtigen (Wolfgang Kohler, 1925).


Wat Homo Sapiens in wezen onderscheidt van de hogere primaten waaruit hij voortkwam, is dan
ook niet zijn fysieke intelligentie maar zijn unieke vermogen tot het aangaan van een specifiek sociaal
netwerk.
Ter ondersteuning zes onderzoeken, waarvan de eerste vijf het vermogen tot (zelfs abstracte) intel-
ligentie bij mensapen, kraaien en kuikens aantonen, ter illustratie dat intelligentie op zichzelf niet zo
zeldzaam is, en waarvan de laatste laat zien waarin de moderne mens in essentie van zijn vroegste
voorouders en van de mensapen verschilt.
 ▪Een primatologen-team van het Leipziger Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie gaf
   vijf orang oetans een plexiglas buis met een klein beetje water waarop een pinda dreef. Orangs zijn
   gek op pindas maar konden er zo niet bij.
   De orang oetans moeten haast wel langs de weg van abstractie tot hun briljante oplossing zijn
   gekomen. Na eerst op routine geprobeerd te hebben de pinda buit te maken door slaan, schud-
   den en bijten, bedachten alle vijf onafhankelijk van elkaar en binnen een tijdsbestek van gemiddeld
   slechts 9 minuten dat de pinda binnen hun bereik zou komen drijven als zij de cilinder vol water
   zouden spugen. En dat terwijl de waterbron vanaf de plek waar de proefcilinder stond onzichtbaar
   was.
   En bij herhaling van de test gaven zij ook blijk van hun vermogen tot leren, want nu pasten zij alle
   vijf zonder aarzelen direct het ooit gevonden trucje toe.
   (NRC, 05-07-2007)
 ▪Wellicht geïnspireerd door dit onderzoek onderwierpen onderzoekers van de Cambridge University
   vier roeken aan een soortgelijke test.
   De roeken kregen een buisje water voorgezet waarin een worm dreef. Alle slaagden erin de worm
   te bemachtigen door steentjes in het water te gooien waardoor de waterspiegel steeg en de worm
   binnen bereik van hun snavel kwam. Zij schatten hun kansen tijdens het werk goed in, en deden
   maar zelden een vergeefse poging de worm te pakken zolang die niet binnen bereik was.
   Bovendien gaven zij de voorkeur aan de grotere steentjes, en zagen zij van de truc af wanneer het
   water werd vervangen door zaagsel.
   (Current Biology, 06-08-2009)
 ▪Amerikaanse en Britse onderzoekers namen waar dat chimpansees in het savanneachtige halfbos
   van Zuid-Senegal spiesen gebruiken om galagos (kleine halfapen) dood te steken die zich op soms
   wel 10 m hoogte in boomholtes verschuilen.
   De chimps gaan uiterst planmatig te werk. Na ontdekking van de prooi zoekt de chimp een ge-
   schikte tak van ca. 65 cm lengte. Hij stroopt er de bladeren af en breekt soms ook de (slappe) uit-
   einden van van de tak, waarna één van de uiteinden met de tanden wordt aangepunt.
   Tenslotte stoot de chimp de speer heftig in de holte zonder dat hun arm erin gaat. Na een paar
   stoten wordt aan de punt gelikt of geroken om het resultaat te controleren en wordt de gedode prooi
   uit het hol getrokken en opgegeten. Deze jachtmethode blijkt zich te beperken tot de vrouwtjes en
   de jonge dieren, en anders dan bij de gezamelijke jacht op kleine aapjes (een mannenzaak) blijft de
   prooi individueel bezit.
   Dat chimpansee-innovaties zich beperken tot de vrouwtjes en de jongen was al eerder gezien,
   bijvoorbeeld bij de stokjes die chimpansees maken om termieten te vangen, en bij het stukslaan
   van noten tussen twee daarvoor uitgezochte en meegedragen stenen (beide NRC, 24-05-1995),
   bij het louter voor de smaak in zout zeewater wassen van uitgetrokken knollen en bij talloze andere
   gelegenheden.
   Dat patroon suggereert dat mogelijk juist vrouwen circa drie miljoen jaar geleden een belangrijke
   bijdrage hebben geleverd aan de vroege menselijke werktuigtechnologie.
   (Current Biology, 06-03-2007)
   In een later rapport meldden dezelfde onderzoekers dat de chimps in het droge seizoen tussen
   half tien en half vijf in grote groepen verkoeling zochten in een grot.
   (NRC, 08-05-2007)
 ▪Biologen van de Oxford University onderzochten het gedrag van twee kraaien die de beschikking
   hadden over een recht en een gebogen stukje ijzerdraad om voedsel uit een glazen buisje te vis-
   sen. De kraaien kozen al snel voor het gebogen draadje tot één van beide, gefrustreerd doordat
   de ander het gebogen draadje afpakte, het rechte draadje oppakte en er een haakje aan boog.
   Hij deed dat voortaan vaker, terwijl de ander zich ertoe beperkte het zojuist gebogen draadje af te
   pakken.
   (Science, 09-08-2002)
 ▪Nieuw-Zeelandse biologen van de universiteit van Auckland zagen hoe kraaien in een proefop-
   stelling in staat waren te doorzien - sommige vogels zelfs direct - dat zij een kort stokje konden ge-
   bruiken om een langer stokje naar zich toe te schuiven, waarmee zij vervolgens voedsel konden be-
   reiken waarvoor het korte stokje te kort was. Zij hebben dus inzicht hoe gereedschap in combinatie
   te gebruiken.
   (Current Biology, 04-09-2007)
 ▪Italiaanse onderzoekers van de universiteit van Trente beschreven een test met 2 tot 4 dagen oude
   kuikens. Zij plaatsten schermen voor twee groepen gele balletjes, namen vervolgens zichtbaar één
   voor één enkele balletjes achter het ene scherm weg (aftrekken) en legden die er achter het andere
   scherm bij (optellen). De kuikens renden direct naar het scherm waarachter de meeste balletjes
   lagen (de kuikens houden hen voor soortgenoten en een grote groep biedt veiligheid) en bleken
   daarbij "sommen" aan te kunnen tot vijf balletjes, een gave die zij overigens later weer
   verlliezen. Menselijke baby's van enkele maanden en mensapen komen bij soortgelijke proeven
   niet verder dan drie objecten. Een baby onderscheidt ten hoogste groepen van 2 en 3 mensen.
   (Proceedings of the Royal Society B: Biological Sciences, juli 2009, en NRC van 02-04-2009)
 ▪Het eerder genoemde primaten-onderzoeksteam uit Leipzig ontwierp een test met mensenpeuters
   van ongeveer 2,5 jaar oud en half-vrij levende, zelfredzame maar nog onvolwassen chimpansees
   van gemiddeld 10 jaar oud. Op deze leeftijd zijn kinderen wel al redelijk zelfstandig maar nog niet
   beïnvloed door geschreven taal, symbolische rekenkunde en formele educatie. De hersengroei en
   -rijping is op die leeftijd nog lang niet voltooid, maar veel dichter bij een cultuurloze natuurstaat kun
   je waarschijnlijk niet komen.
   De mensenkinderen en de chimpansees bleken ongeveer even handig als het ging om het be-
   begrijpen van de fysieke wereld, zoals een beloning vinden die geluid maakt, of één die indirect
   zichtbaar werd verwisseld, of die je alleen met een stok kon pakken. Ook bleken zij even goed te
   zijn in tellen.
   Maar het werd anders toen zij problemen moesten oplossen aan de hand van wat anderen voor-
   deden, hints waar een beloning was verborgen moesten doorzien, of moesten begrijpen wat een
   ander tevergeefs probeert te doen, laat staan als het erom ging daar hulp bij te bieden. In het over-
   nemen en succesvol toepassen van ideeën en suggesties van anderen bleken de mensenkinderen
   superieur.
   (NRC, onderzoeksverslag 08-09-2007, en interview van 25-01-2003).

Volgens de "Theory of Mind" zit het beslissende en in het laatste onderzoek zichtbaar gemaakte ver-
schil tussen mens en mensapen niet in de algemene -, maar in de culturele intelligentie in de zin van
inlevingsvermogen (empathie) en gezamelijke aandacht (joint attention). Deze mentale omslag voltrekt
zich bij de mens vanaf de leeftijd van 9 à 12 maanden. De potentie tot "joint attention" vormt een
empathische drempelwaarde waar de mens juist boven ligt, en de overige primaten net onder. Het
verschil is gering, maar door het drempeleffect beslissend voor de ontwikkeling van beide.
Chimpansees kennen weliswaar culturele overdracht en staan ook bekend om hun sociaal-politiek
vermogen, maar toch vindt innovatief gedrag bij hen maar moeizaam navolging doordat zij elkaar door
de afwezigheid van joint attention nooit op iets attenderen door het aan te wijzen en zij elkaar niet iets
leren. Hooguit staan zij een ander toe hen te imiteren, en bij dat imiteren kijken zij dan alleen naar het
resultaat van een handeling en proberen zij vervolgens op eigen creativiteit dat resultaat te bereiken
i.p.v. de handeling die tot dat resultaat leidde af te kijken en te kopiëren.
Mensen nemen de handelingen wel (en ook vrij kritiekloos) over en blijken met deze weinig creatieve
strategie superieur in het overnemen en succesvol toepassen van ideeën en suggesties van anderen,
en dus ook ontvankelijk voor onderwijs. Door dat ene vermogen is de menselijke cognitie niet langer
een in essentie individuele affaire zoals bij de andere primaten, maar primair een sociaal-collectief
proces. Een slimme of toevallige ontdekking vindt onmiddellijk algemene navolging, zodat al gauw de
hele groep ervan profiteert. Daardoor hoeft niet iedereen hetzelfde talent te hebben, en dat doet de
pluriformiteit en dus ook de overlevingskansen van de groep toenemen, wat deze culturele intelligentie
binnen bereik van de evolutie bracht. Wellicht is dat ook de reden waarom de mens als enige diersoort
gereedschap gebruikt om gereedschap te maken.
Overigens wordt ook een "slecht" idee aanvankelijk kritiekloos overgenomen vanuit het vertrouwen dat
er wel een goede reden voor zal zijn. De niet kopiërende, maar kritisch experimenterende chimpansee
is in dat geval in het voordeel. De mens compenseert dit door achteraf evaluatie en door snel te leren
wie zijn vertrouwen waard is.

Misschien ligt dit fenomeen ook aan de basis van onze opmerkelijk hardnekkige neiging tot het klakke-
loos aanvaarden van op overtuiging gebaseerde gevoelens, in de vorm van religie en "seculier geloof"
zoals gezondheids-, voedings- en lichaamscultus, of doorgeschoten spiritualiteit en esoterie. Maar ook
in minder onschadelijk vorm als etnische en politieke radicalisering, complot-denken of hysterische
angst voor een collectief vijandbeeld en terrorisme. Die onttrekken zich immers door gebrek aan be-
vestigend bewijs aan achteraf-correctie, terwijl ook het tegendeel niet te bewijzen is. Bovendien gene-
reert ons ultra-sociale gen krachtig groepsgedrag.
In aanleg onschuldige bijproducten van een evolutionair succesvolle ontwikkeling, maar in onze multi-
culturele en globalistische samenleving niet zonder risico (zie het essay Het godsdienst-gen en
groepsgedrag).

In een eerder interview sprak Tomasello, één van de onderzoekers van de Leipziger groep, al het
vermoeden uit dat in de beperkte empathie mogelijk ook de verklaring ligt voor het ontbreken van echt
taalgebruik bij de niet menselijke primaten. Door te spreken willen wij immers om onze gesprekspart-
ner op subtiel niveau beïnvloeden, dus wie geen benul heeft van het bestaan van de geest bij anderen,
zal ook geen behoefte voelen iets te zeggen. Chimpansees blijken uit proeven met symbolen-borden
en gebarentaal wel over de aanleg voor taal te beschikken, wat moge blijken uit de compilatie van een
gebaar voor "Watermelon" uit die van "Drink" en "Fruit", en voor "Nut" uit die van "Stone" en "Fruit"
(project Washoe van het Institute for Primate Studies in Oklahoma). Maar niet over een evolutionair
"belang" voor de verdere ontwikkeling ervan in de zin van anatomie en innervatie.

De onderzoeksgroep uit Leipzig vermoedt dat de fysieke intelligentie van de geteste kinderen en de
chimpansees ongeveer overeenkomt met die van hun gemeenschappelijke voorouder van zo'n 6
miljoen jaar geleden. En dat impliceert dat een in isolement opgegroeid modern mens zonder sociale
wisselwerking, opvoeding en opleiding in dat opzicht nauwelijks zou verschillen van die verre voor-
ouder of van een chimpansee.


Naar boven
Meer essays



mennokater - Van aap tot mens, evolutieleer