Essays

De zeemachten en hun schepen in het stoomtijdperk

Home - Columns - Politiek en maatschappij - Filosofie en psychologie - Wetenschap - Cursussen - Computer - Diversen | Printversie

(nautische historie zeiltijd - historie stoomtijd - zeilcursus - motorbootcursus - evolutieleer - evolutie mens - groepsgedrag)

	

(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)
De Franse dreadnought Paris op hoge snelheid tijdens een proefvaart in 1914.
Let op de geringe uitwatering van de boeg die verband hield met de ontwerp-eis van een voorlijk schootsveld.
(166 x 27 x 9 m, 25.500 ton, 6x2x30½ cm kanons, 21 knoop, 1914)
Klik in de afbeelding voor een hogere resolutie.

Inhoudsopgave

Zie voor het tijdperk van het zeil  (tot half 19e eeuw)
      De Europese zeemachten en hun schepen in het tijdperk van het zeil  (essay)

Meest gelezen paragrafenDe ontwikkeling van het mechanisch voortbewogen zeeschipKanon-bewapeningOverige bewapeningOorlogshandelingen oppervlaktevloot WO1
         (met o.a. Slag bij de Doggersbank en Slag bij Jutland)
     ▪Slag om Engeland en de luchtoorlog boven Europa WO2Strijd om de Atlantische Oceaan WO2Oorlog in de Pacific WO2
         (met o.a. Aanval op Pearl Harbor, Onderzeebootoorlog,
          Slag in de Koraalzee, Slag om Midway en Slag in de Golf van Leyte)

Inhoud
  Maatvoering
  Inleiding
  Nautische ontwikkelingen in tabel
  Stroomschema van de ontwikkeling van het mechanisch voortbewogen zeeschip
  De ontwikkeling van het mechanisch voortbewogen zeeschipOngepantserd schip met stoomvoortstuwingPantserschipMonitorRamschipPre-dreadnoughtDreadnought, 1e generatie dreadnoughtSuper-dreadnought, 2e generatie dreadnoughtSnel slagschip, 3e generatie dreadnoughtSlagkruiserKruiserCarrier of vliegdekschipOnderzeebootTorpedoboot en motortorpedobootTorpedobootjagerEscortevaartuig (incl. Fregat en Korvet)
  Enkele specifieke scheepstypenKanonneerboot en rivierkanonneerbootMijnenveger en mijnenleggerLandingsvaartuig
  Vergelijkende scheepsbouw WO2
(met per land de paragrafen:
Algemeen - Carriers - Slagschepen - Kruisers - Torpedobootjagers - Onderzeeboten)
     ▪AlgemeenDuitsland (Kriegsmarine)Engeland (Homefleet)FrankrijkItaliëJapanNederlandRuslandV.S.
  ScheepsmachineOntwikkeling scheepsmachineStoom contra zeil
  Kanon-bewapeningKanons
         -Algemeen
         -Slagschepen en slagkruisers
         -Kruisers
         -Torpedobootjagers
         -OnderzeebotenOntwikkeling kanonPlaatsing geschutProjectielenKruitBediening kanonDrachtVuurleiding
  Overige bewapeningPantserRookgordijnZeemijnTorpedoRaketVliegtuigbomDieptebomAsdic en Radar
         -Asdic
         -Radar
         -Radar luchtmacht
         -Radar marine
  VliegtuigenBoven Europa en Europese kustwateren gebruikte landvliegtuigen in WO2Boven de oceanen gebruikte landvliegtuigen in WO2Britse carriervliegtuigenAmerikaanse carriervliegtuigenJapanse carriervliegtuigen
  PrestatiesGemiddelde snelheden onder zeil en stoom eind 19e eeuwMaximale snelheden onder stoomKanonVliegtuig
  Strategie en tactiekStrategieLinie-tactiekCarrier-tactiek
  KrijgsgeschiedenisKrachtsverhoudingen begin WO1Oorlogshandelingen oppervlaktevloot WO1
         (met o.a. Slag bij de Doggersbank en Slag bij Jutland)
     ▪Onderzeebootoorlog WO1Krachtsverhoudingen begin WO2Slag om Engeland en de luchtoorlog boven Europa WO2Strijd om de Atlantische Oceaan WO2Strijd in de Noordelijke IJszee WO2Strijd in de Middellandse Zee WO2Oorlog in de Pacific WO2
         (met o.a. Aanval op Pearl Harbor, Onderzeebootoorlog,
          Slag in de Koraalzee, Slag om Midway en Slag in de Golf van Leyte)
     ▪Belangrijkste zeeslagen
         -Slag bij Hampton Roads (1862)
         -Slag bij Lissa (1866)
         -Slag bij Tsoesjima (1905)
         -Slag bij de Doggersbank (WO1, 1915)
         -Slag bij Jutland (WO1, 1916)
         -Onderzeebootoorlog WO1
         -Slag bij de Rio de la Plata (WO2, dec 1939)
         -Jacht op de Bismarck (1941)
         -Slag om de Atlantische Oceaan (WO2, 1940-1944)
         -Aanval op Pearl Harbor (WO2, 1941)
         -Slag in de Javazee (WO2, 1942)
         -Slag in de Koraalzee (WO2, 1942)
         -Slag om Midway (WO2, 1942)
         -Slag in de Golf van Leyte (WO2, 1944)
  Verklarende woordenlijstWoordenlijstMaten en gewichten
  Verantwoording
  Literatuuradvies



Maatvoering   (menu,  verklarende woordenlijst)

   In dit essay geef ik met de tonnage de waterverplaatsing aan in geval van een volledig toegerust
   oorlogsschip (BRT), en het laadvermogen in geval van een koopvaarder (NRT).

   Ton = 1000 kg = gewicht van 1 m³ water.
   Bruto-registerton - Volume van het gehele schip, incl. de gesloten opbouw (Moorsomton = 100 ft³).
   Netto-registerton - Volume van de ladingsruimte voor vracht en passagiers (Moorsomton = 100 ft³).




(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Het Amerikaanse slagschip Missouri (1944) van de Iowa-klasse bij een kustbombardement op Korea in 1952.
(270½ x 33 x 11½ m, 45.000 ton, 9x40½ cm kanons, 33 knopen)
Klik op de afbeelding voor een hogere resolutie.

   Inleiding   (menu,  verklarende woordenlijst)

   Het zeilend zeeschip ontwikkelde zich vanaf de Arabische dhow van het type carib en de Scan-
   dinavische knarr (beide vanaf de 7e-8e eeuw) tot een perfecte zeilmachine zoals het snelle en
   wendbare oorlogsfregat en de zeer snelle ranke klipper van half 19e eeuw.
   Deze ontwikkeling vindt u in al zijn facetten beschreven in het als naslagwerk opgebouwde essay
   "De Europese zeemachten en hun schepen in het tijdperk van het zeil".

   Dit essay pakt de draad op waar de zeiltijd voor de grote zeegaande schepen eindigde, in een poging
   de stormachtige ontwikkeling van het mechanisch voortbewogen zeeschip te beschrijven tot aan de
   efficiënte en vaak gracieuze vechtmachines aan het einde van de Tweede Wereldoorlog.
   Het voorliggende essay behandelt de ontwikkeling van de schepen en hun bewapening, als ook de 
   harde praktijktest die de marines van de grote zeemogendheden in met name de beide
   wereldoorlogen moesten doorstaan.
   En omdat ook dit essay alleen al door zijn omvang het karakter heeft van een naslagwerk, heb ik de
   tekst voorzien van een uitgebreide inhoudsopgave en een "doorlink"-systeem. Een link met apostrof
   verwijst naar een afbeelding of een passage, en een link zonder apostrof naar de verklarende
   woordenlijst. De links zijn blauw gemarkeerd, maar om reden van leesbaarheid niet onderstreept. Is
   een onbekend woord niet van een verklarende link voorzien, kijk dan tot ongeveer een scherm terug
   of hetzelfde woord kort daarvoor van een link was voorzien.

   De ontwikkelingen van het kapitale schip tonen aan dat aan dat een aantal voorwaarden voor succes
   als vechtmachine in beide tijdvakken ook gracieuze schepen op het water bracht. Snelheid, wend-
   baarheid en zeewaardigheid blijken niet alleen in hoge mate bepalend voor de gevechtskwaliteiten
   van een schip, maar leverden steevast ook evenwichtige en fraai ogende ontwerpen op.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Het Franse stealth fregat la Fayette (1996)
(125 x 15½ x 4 m, 3600 ton, 16 verticaal af te vuren geleide projectielen, 25 knopen)

   Moderne geleide wapens en een enkel gestabiliseerd licht kanon voor nabijvuur vereisen echter
   niet langer een stabiel geschuts-platvorm, zodat kon worden bespaard op dure eigenschappen als
   stijfheid en zeewaardigheid. En dat resulteert dan samen met de stealth-technologie in het koekblik-
   ontwerp van veel hedendaagse fregatten en korvetten.
   Onderzeeërs moeten het vrijwel geheel hebben van onderwatersnelheid en geruisloosheid, wat hun
   vormgeving in hoge mate afhankelijk maakt van de hydrodynamica. Wellicht de reden waarom dat
   wèl gracieuze schepen zijn gebleven, zoals ook moderne jachtvliegtuigen een gevaarlijk soort 
   elegance ontlenen aan de de vereiste wendbaarheid en airodynamica.

   Met het concept van het moderne oppervlakteschip in gedachten, laat ik dit essay eindigen met de
   laatste grote maritieme clash die duidelijk maakte dat de ontwikkeling van het klassieke slagschip tot
   een einde was gekomen, de Tweede Wereldoorlog.
   En omdat het essay alleen al door zijn omvang het karakter heeft van een naslagwerk, heb ik de tekst
   voorzien van een uitgebreide inhoudsopgave en een "doorlink"-systeem. Een link met apostrof ver-
   wijst naar een afbeelding of een passage, en een link zonder apostrof naar de verklarende woorden-
   lijst. Een link op een scheepsnaam verwijst doorgaans naar een afbeelding en die op een vliegtuig-
   type naar de technische gegevens met links voor boven-vóór-en-zijaanzicht en een afbeelding. De
   links zijn blauw gemarkeerd, maar om reden van leesbaarheid niet onderstreept.




(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Het ramschip, een bizarre verschijning in de ontwikkelingslijn van het slagschip toen
het pantser het tijdelijk won van het doorborend vermogen van de granaat. Dit is het in
Frankrijk voor de V.S. als Ironclad gebouwde en vanaf 1869 voor Japan varende ram-
schip Kotetsu dat een beslissende rol speelde in de Slag in de Hakodate baai in 1869.
(59½ x 9¾ x 4¼ m, 1385 ton, Armstrong getrokken voorlader monster-kanons 1x300
en 2x70 pnd, 10½ knoop).

Nautische ontwikkelingen in tabel   (menu,  verklarende woordenlijst)

 tot half 19e (zeiltijd) - Zie essay De Europese zeemachten en hun schepen in het tijdperk van het zeil'
 - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
 begin 19e     - Ontwikkeling voor schepen bruikbare lage druk stoommachine met hekrad of zijraderen
                        Snelheid 9 knopen (zonder de hulptuigage)
                        (industrieel bruikbare stoommachine vanaf half 18e eeuw)
 half               - Einde zeilende linieschepen en zeilende oorlogsfregatten
                        (slagafstand zeiltijd 300 m met gladloopsgeschut voor massieve bolvormige kogels)
                        Waterdichte schotten (hoewel ook al bekend bij de Chinese jonk)
                        Schroefvoortstuwing
                        Compound zuigermachine (expansie in hoge- en daarna in grotere lagedrukcilinder)
                        IJzeren romp
                        Ontwikkeling pantserschepen' (hout+ijzer/staal-gepantserde romp, geschut in breedzij,
                        later in open barbettes en in geschutskoepels (nog geen torens), laag op water liggend,
                        aanvankelijk nog met hulptuigage vooral bij de Fransen)
                        Ontwikkeling monitors' (zware varende batterijen, zeer weinig vrijboord, geen tuigage)
                        Ontwikkeling ramschepen' (omdat de pantsersterkte het tijdelijk van het kanon won)
                        Gladloops monsterkanons en kanons met getrokken loop voor cilindrische granaten
                        Zéér korte slagafstand (enkele tientallen meters)
                        Snelheid machine/hulptuigage/beide 14/13/17 knopen (optrekbare schroef)
 eind             - Pre-dreadnought' (Chr/Ni-pantser, geschutstorens, gemengde bewapening, ramsteven
                        die nog maar nauwelijks als belangrijk aanvalswapen werd beschouwd, geen hulp-
                        tuigage, weinig betrouwbare triple-expansie zuigermachine, max. snelheid van 15-18
                        knopen, slagafstand 6 km)
                        Torpedobootjager' (27, later 37 knopen)
 - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
 begin 20e     - Ontwikkeling stoomturbine
                        Dreadnought' (pantser, alle kanons 1 kaliber i.v.m. feedback na salvo, geen middelzwaar
                        geschut, betrouwbare max. snelheid van 21-22 knopen door betrouwbare stoomturbine,
                        ramsteven vervangen door een hydrodynamische bulb, slagafstand 15 km)
                        Slagkruiser' (minder pantser t.b.v. snelheid van 27 knopen, concept later weer verlaten)
                        Kruiser' (weinig pantser, 29, later 32 knopen)
                        Ontwikkeling dieselmotor
                        Onderzeeboot' (boven/onder water 17/9, later 16/16 knopen)
 half              - Stookolie (schoner, gemakkelijker laden, geen zwarte rook)
                        Radar en Asdic (sonar)
                        Snel slagschip' (25-32 knopen, slagafstand 23 km)
                        Vliegdekschip' (34 knopen, slagafstand met vliegtuigen 300-400 km)
                        Fregat' en korvet' (20 en 16 knopen)



Stroomschema van de ontwikkeling van het mechanisch voortbewogen zeeschip   (menu,  verklarende woordenlijst)






(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Amerikaanse Savannah, het eerste (rader)stoomschip dat de Atlantische Oceaan overstak (1819)
was eigenlijk geen echte stomer, maar een volgetuigd zeilschip met hulp-stoomvermogen van 90 pk.
Van de oversteek van 21 dagen voer zij slechts 8 uur onder stoom (30¼ x 7¾ x 4¼ m, 320 ton).
Stanton, Samuel Ward, 1895

De ontwikkeling van het mechanisch voortbewogen zeeschip   (menu,  verklarende woordenlijst)

 Opm: De bronnen geven vaak verschillen te zien in afmetingen en aantallen.
          Mogelijk worden deze veroorzaakt door tussentijdse aanpassingen en verbouw.



(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Het Franse ongepantserde linie-stoomschip Napoleon uit 1852  (zie gegevens')
Schilder niet bekend.
Ongepantserd schip met stoomvoortstuwing (begin 19e eeuw)   (menu,  verklarende woordenlijst)
   De eerste stoomboten met radvoortstuwing (een hekrad achter of twee zijraderen) zagen begin 19e
   eeuw het licht (zie Scheepsmachine'). Het eerste rad-aangedreven oorlogsschip dateert van ca.
   1830. Vanaf 1845 ging men over op schroefvoortstuwing en liep de snelheid op alléén de machine
   geleidelijk op van 7 tot 14 knopen.
   De schoorstenen waren neerklapbaar, en de schroef werd in een bun uit het water getakeld zodra
   men onder zeil ging. Het betrof immers slechts een hulpvoortstuwing voor het binnenlopen en ver-
   laten van de haven en bij tegenwind, want het waren nog altijd primair zeilschepen.
   Aanvankelijk ging het alléén om fregatten, later ook om linieschepen. Het eerste linieschip met
   schroefvoortstuwing was de Franse 90-kanons tweedekker Napoleon (zie afb. boven) uit 1852.
   Vb. Napoleon, Frankrijk, 1852, stoom + tuigage
         (zie afbeelding' boven deze paragraaf)
         2-dekker 77¾ x 17 x 8½ m, 5120 ton, 12  knoop op alléén de machine, 910 koppen
         ca. 8 x 22 cm, 58 x 30 pnd, 14 x 16 cm gladloops kanons





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Het Britse pantserschip Warrior (1861) (zie gegevens')
Kleur-lithografie van William Frederick Mitchell (1845-1914)

  ▪Pantserschip (half 19e eeuw)   (menu,  verklarende woordenlijst)
   Men begon smeedijzeren pantsering aan te brengen op de houten beplanking. Met het zwaarder
   worden van het pantser werd men al gauw gedwongen over te gaan op geheel ijzeren romp met
   hooguit een ondersteunende laag teakhout. Het grote gewicht van het pantser maakte dat de
   schepen laag op het water lagen.
   In het begin voerden de schepen nog hulptuigage. Dit is niet alléén toe te schrijven aan conser-
   vatisme, maar ook aan het gegeven dat marineschepen vaak maandenlange tochten moesten
   ondernemen, en daarbij gemakkelijk machineschade konden oplopen, of onvoldoende bunker-
   plaatsen tot hun beschikking hadden. Er waren nog geruime tijd gebieden waar kolenstations
   zeldzaam waren.
   Het gewicht van de toenemende pantserdikte en bewapening verminderde de stabiliteit zozeer dat de
   schepen het gewicht van de topzware tuigages niet meer konden dragen en de winddruk niet meer
   aankonden.
   En omdat de machines steeds betrouwbaarder werden en het aantal kolenstations groeide, begon de
   tuigage begon dan ook geleidelijk te verdwijnen, vooral na de tragische kentering in 1871 van het
   Engelse torenschip Captain. De Fransen behielden hun tuigage het langst.
   De zuigerstoommachines gaven de schepen een snelheid van 14 knopen.
   vb. Gloire, Frankrijk, 1860, stoom + tuigage, houten romp met ijzer.
         12 cm pantser.
         77¾ x 17 x 8½ m, 5630 ton, 13 knoop op machine alléén, 750 koppen.
         36 x 16½ cm kanons.
   vb. Warrior, Engeland, 1861, stoom + tuigage, ijzeren romp.
         (zie afbeelding' boven deze paragraaf)
         11½ cm pantser (niet op de stevens).
         127 x 17¾ x 8 m, 9210 ton, 14½ knoop op machine alléén, 705 koppen.
         26 x 68 pnd, 10 x 18 cm, 4 x 40 pnd kanons.
         Museumschip in Portsmouth.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De bouwtekening van Ericsson voor de federal USS Monitor uit 1862 (zie gegevens')

  ▪Monitor (half 19e eeuw)   (menu,  verklarende woordenlijst)
   Monitors waren in wezen drijvende pantserbatterijen die door het grote gewicht van het pantser zeer
   diep lagen, vrijwel zonder vrijboord, waardoor zij nauwelijks zeewaardig waren. Monitors maakten wel
   zeereizen, maar werden toch vooral ingezet op rivieren en waterwegen.
   Eén draaibare geschutstoren (soms een tweede toren).
   De zuigerstoommachines gaven de schepen een snelheid van 14 knopen (de oorspronkelijke USS
   Monitor liep overigens slechts 8 knopen). De hulptuigage was verdwenen. 
   vb. Monitor, Amerikaans ("Noordelijken"), 1862, ontwerp Ericsson
         (zie afbeelding' boven deze paragraaf)
         52 x 12½ x 3¼ m, 987 ton, 8 knopen, 59 koppen
         Pantser 5 lagen van 2½ cm ijzeren plaat op houten romp, toren 8 lagen 2½ cm plaat 
         Diepliggend met vrijboord van 30 cm
         Geen ram, 2 x 28 cm kanons
         Het 52 m lange gepantserde dek stak ver buiten de romp die slechts 40 m lang was. Dat geldt
         ook voor de breedte van 12½ tegen 10½ m.
         De Monitor en de Merrimac beschoten elkaar in de Slag bij Hampton Roads' in 1862 over een
         afstand van slechts 30 m. De strijd bleef onbeslist.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Het Britse kazemat-ramschip Bellerophon uit 1865 (zie gegevens')

  ▪Ramschip (half tot eind 19e eeuw)   (menu,  verklarende woordenlijst)
   De ramschepen kwamen voort uit de pantserschepen, en hebben dezelfde hoofdkenmerken, ook
   m.b.t. de geleidelijk verdwijnende hulptuigage (zie Pantserschip').
   Ramschepen kwamen tot ontwikkeling na het gevecht tussen de Monitor' en de Merrimac in 1862
   (zie Slag bij Hampton Roads)', toen bleek dat de sterkte van het pantser het tijdelijk had gewonnen
   van het penetrerend vermogen van de granaat (zie Bewapening'). De ramtactiek lag ook voor de
   hand omdat het geringe effect van de granaten op het pantser de slagafstand al minimaal had ge-
   maakt.
   De Slag bij Lissa' (1866) gaf vervolgens een verkeerde indruk van de mogelijkheid van de in deze
   slag toevallig succesvolle ramtechniek. Wel terecht was de tijdens de slag gebleken noodzaak van
   voldoende vuurkracht in de voorlijke sector. Het was het eerste en tegelijkertijd ook het laatste grote
   ramgevecht.
   Toch had de ramsteven ook een positieve kant: De stroomlijn verbeterde erdoor, de structurele
   sterkte kreeg aandacht, en er werd meer in waterdichte compartimenten gebouwd.
   De ram die bij de pre-dreadnoughts door de komst van de torpedo en van het lange afstands-kanon
   met pantserdoorborende granaten al niet meer erg serieus werd genomen en meer als een
   gelegenheidswapen werd beschouwd, werd bij de dreadnoughts als aanvalswapen verlaten en de
   sterk verbeterde artillerie vergrootte de slagafstand opnieuw.
   Hoewel de massief ijzeren ram die een lengte had van 1½ tot 3½ m dus verdween, vindt men hem
   nog wel terug op enkele 20e-eeuwse marineschepen, maar nu om hydrodynamische redenen en
   meer als een afgeronde bulb-steven dan als een gepunte ram.
   De zuigerstoommachines gaven de ramschepen een snelheid van 14 knopen.
   Rond 1880 is men van smeedijzeren pantsering overgegaan op staalplaat. De dikte van het pantser
   kon plaatselijk oplopen tot 56 cm.
   Aanvankelijk beperkte men om gewicht te besparen de pantsering tot een centrale kazemat (citadel),
   de centraalbatterijschepen. De stevens waren niet of nauwelijks gepantserd en verdeeld in cellulaire
   compartimenten waarvan er enkele met kurk werden gevuld.
   De centrale kazemat werd vervolgens vervangen door draaibare barbettes (een gepantserde opbouw
   zonder bovenbedekking) en geschutstorens (draaibaar op het dek opgesteld gepantserd kanonhuis,
   ramtoren-schip).
   Eind 19e eeuw bleek het nikkel-staalpantser van Harvey (1891) zozeer gewichtbesparend dat de
   aanvankelijk nog te zware geschutstoren de barbette begon te verdringen.
   vb. Bellerophon, Engeland, 1866,
         (zie afbeelding' boven deze paragraaf)
         91½ x 17 x 8 m, 7551 ton, 14 knopen, 650 koppen
         centraalbatterijschip met 15 cm zijpantser
         10 x 23 cm kanons, ramsteven.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Het Nederlandse ramtorenschip Schorpioen (1868)
Kunstenaar onbekend.

   vb. Schorpioen, Nederland, 1868-1906, ramtorenschip
         62½ x 11½ x 4¾ m, 2175 ton, 13 knopen, 137 koppen
         tuigage (584 m2) dat in 1883 werd verwijderd.
         1 tweelingtoren (164½ ton) met getrokken voorlaadkanons 2 x 23 cm, later 1 achterlader van
         28 cm, diverse kleiner kaliber kanons, spartorpedo, ramsteven.
         7½-15 cm zijpantser, 20½-28½ cm geschutstoren, 11½ cm commandotoren, 2-2½ cm dek-
         pantser.
         De Schorpioen was bedoeld voor de verdediging van kust en zeegaten.
         Het schip is te bezichtigen in het marinemuseum te Den Helder. Het zusterschip Buffel (1868) in
         Rotterdam.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Japanse pre-dreadnought Mikasa (1902) uit de Slag bij Tsoesjima' in 1905  (zie gegevens').
Klik in de afbeelding voor een hogere resolutie.

  ▪Pre-dreadnought (eind 19e eeuw)   (menu,  verklarende woordenlijst)
   (= vóór de komst van de Britse HMS Dreadnought')
   Gepantserde slagschepen zonder hulptuigage met gemengde bewapening in geschutstorens.
   De ramsteven werd nog maar nauwelijks als aanvalswapen beschouwd, maar verbeterde wel de
   stroomlijn, verhoogde de aandacht voor de sterkte en bevorderde de bouw in waterdichte compar-
   timenten. Het was nu meer een gelegenheidswapen dan een belangrijke strategische optie.
   Het geschut had een kleiner kaliber dan de voorgaande generatie, maar het had een hogere
   mondingssnelheid en een kortere laadtijd.
   De pre-dreadnought slagschepen hadden een gemengde bewapening van 30½ cm in torens, en 15
   cm die vaak in kazematten werden ondergebracht. Kaliber 15 cm beperkt de slagafstand tot 6-8 km,
   ervan uitgaande dat men slag wilde leveren binnen het schootsveld van alle kanons. Nog kleinere
   kalibers beperkten de slagafstand soms zelfs tot 2½-4½ km. Maar ook dan bleek het 15 cm geschut
   weinig uit te richten en telden alléén de 30½ cm kanons.
   De schepen werden uitgerust met anti-torpedonetten op naar buiten draaiende bomen langs de romp.
   De krachtige, maar weinig betrouwbare, triple-expansie zuigerstoommachine gaf de schepen een
   maximum snelheid van 18 knopen, maar om de kans op machineschade te beperken voer men
   echter ten hoogste 15 knopen.
   Toch was de ontwikkeling van deze machine, samen met het sterkere, en dus lichtere, chroom-nikkel
   staal verantwoordelijk voor betere prestaties dan die van hun voorgangers.
   De eerste praktijktest voor de pre-dreadnoughts was de Russisch-Japanse Oorlog van 1904 met de
   Slag bij Tsoesjima' in 1905. Daarbij bleek de gemengde bewapening geen succes en werd ook duide-
   lijk dat een vlootescorte van torpedobootjagers onontbeerlijk was.
   vb. Mikasa (Japan, 1902), vlaggeschip in de Slag bij Tsoesjima in 1905.
         (zie afbeelding' boven deze paragraaf)
        131½ x 23 ¼ x 8½ m, 15.140 ton, 18½ knoop, 860 koppen.
        Triple-expansie stoommachine.
        4x30½ cm kanons (tweelingtorens), 14x15 cm kanons, 20x7,6 cm kanons.
        Pantser gordel 15-23 cm, stevens 10 cm, horizontaal 5-7½ cm.
        Ram-steven, slechts beschouwd als gelegenheidswapen.
        Opm: De slagafstand werd bepaald door de dracht van het middelbaar geschut, de 15 cm kanons,
                  die in praktijk echter weinig effectief bleken.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Britse HMS Dreadnought (1906), naamgever voor een hele klasse en keerpunt in de ontwikkeling van het slagschip.
(zie de gegevens' en plattegrond')

  ▪Dreadnought, 1e generatie dreadnought (begin 20e eeuw),   (menu,  verklarende woordenlijst)
   genoemd naar de Britse HMS Dreadnought van 1906
   (Eng: Capital ship, Battleship)
   Het middelbaar geschut van 15 cm was tijdens de Slag bij Tsoesjima' in 1905 weinig effectief, en
   beperkte de slagafstand onnodig tot 6-8 km. Om deze reden en om na een salvo vanuit de
   gevechtsmast een betere feedback te hebben, ontwikkelde men het principe van "all-big-guns", d.w.z.
   dat alle kanons van eenzelfde groot kaliber zijn, meestal 30½-34½ cm, en daarvan 8 tot 12 stuks
   tegen 4 met aanvullend kleiner kaliber op de pre-dreadnoughts. Men stapte dus af van de gemengde
   bewapening door geen middelbaar geschut van 15-20½ mm meer op te stellen.
   Hierdoor en door een groter accent op vooruit gerichte kanons werd naar voren een slagkracht
   verkregen als van drie gelijkwaardige schepen met gemengde bewapening, en als van twee met
   breedzijgeschut).
   Later werd wel kleiner 10 cm geschut toegevoegd voor gebruik tegen torpedoboten, en weer later
   werd ook luchtafweergeschut geplaatst.
   Aanvankelijk stonden er ook torens aan weerszijden van de opbouw. In 1909 voerden de V.S. de
   trapsgewijs over elkaar heen vurende in de hartlijn opgestelde torens in, die vanuit de middenlijn 165°
   baksbaar waren. De Engelsen volgden in 1911. Voor een goede vuurleiding waren minimaal 4
   kanons per salvo nodig en een hoge vuursnelheid t.b.v. correcties op het vorige salvo. Op Engelse
   schepen vuurde men daartoe 1 kanon per toren per salvo. Dit systeem vereist dus breedzijvuur van
   minimaal 4 tweelingtorens.
   Verder bracht men torpedobuizen aan.
   De ramsteven van de pre-dreadnoughts was vervangen door een hydrodynamisch gunstige bulb-
   steven, die niet meer als een aanvalswapen werd gezien.
   Gevechten tussen dreadnought-typen vonden door de achtergebleven ontwikkeling van de vuur-
   leiding met optische afstandsmeters in de gevechtsmast, nog plaats op kortere afstand (15 km) dan
   de effectieve dracht (22 km) van de 30½ cm kanons.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Amerikaanse super-dreadnought New York (1914-1946!) in 1915.
Let op de voor die tijd typisch Amerikaanse kooimasten.
(175 x 29 x 8¾ m, 28.500 ton, (2 vóór+3 achter)x2x36 cm kanons, 20 knopen)

   De Amerikaanse slagschepen kenmerkten zich door vakwerk- of kooimasten waar de Britten de
   gebruikelijke driepoot-gevechtsmasten bleven voeren. Zij bleken beter bestand tegen trillingen en
   vormden daarmee een stabieler platvorm voor de vuurleiding. Bovendien ondervonden zij minder
   windvang, waren zij beter bestand tegen granaatvuur en konden zij door het geringer gewicht hoger
   worden opgebouwd dan de driepoot-mast. Wij zien deze typisch Amerkaanse masten ook al op hun
   pre-dreadnoughts.
   De stoomturbine (veel betrouwbaarder dan de zuigermachines) gaven de schepen een hoge
   maximum snelheid van 21-22 knopen, die ook lang zonder machineschade kon worden volgehouden.
   De eerste dreadnoughts waren nog kolen gestookt, maar men ging al gauw over op olie. Olie was
   schoner, gemakkelijker te laden, gaf geen verraderlijke zwarte rook en vergrootte de snelheid van de
   schepen tot ca. 23-25 knopen.
   vb. Dreadnought (Engeland, 1906, naamgever van een heel ontwerpconcept)
         (zie afbeelding' boven deze paragraaf en plattegrond')
         Geïntroduceerd door de First Sea Lord (minister van marine) Sir John "Jacky" Fisher.
         161 x 25 x 9 m, 20.730 ton, 21 knoop, 810 koppen.
         10x30½ cm kanons (tweelingtorens, in de configuratie 2-2 voor, 2 achter, 2-2 in de midscheeps), 
         max. dracht van 32 km (de echt maximale, maar krachteloze, dracht was 45 km), later ook 10 cm
         kanons. Vijf torpedobuizen van 45½ cm.
         Pantser gordel 20½-27 cm, stevens 10-15 cm, horizontaal 9½ cm.
         Het schip was ontworpen voor toepassing van gestandaardiseerd gesneden pantserplaten,
         waardoor het sneller en goedkoper te bouwen was (ongeveer één jaar i.p.v. 3½ jaar).
         Bulb-steven.
         De ontwerpfouten waren de plaatsing van de driepotige gevechtsmast (op een andere plaats om
         met de kraan de sloep te kunnen strijken, maar daarmee wel de waarnemer voor de vuurleiding in
         de rook en de hitte van de schoorsteen plaatsend), en de onvoldoende bewapening tegen
         torpedoboten.
         Vanwege de laatste dreiging verving men de 7,6 cm door 10 cm kanons.
         De onhandige plaatsing van twee geschutstorens buiten de hartlijn naast de opbouw werd nog op
         enkele opvolgers voortgezet. Later kwamen algemeen over elkaar heen vurend in de hartlijn te-
         recht.

   Met de komst van de Dreadnought waren alle tot dusver gebouwde schepen in één klap verouderd.
   De Duitsers moesten hun bouwprogramma afbreken en nieuwe marinewetten indienen. Zij gingen
   terug naar de tekentafel. Het was het begin van een nieuwe wereldwijde en geldverslindende
   wapenwedloop.
   Engeland besloot in de wapenwedloop met Duitsland tot een ambitieus bouwprogramma volgens het
   principe "Twee kielen tegenover één".
   De eerste Duitse dreadnought was de Nassau van 1908, maar die eerstelingen hadden net als de
   eerste Amerikaanse dreadnoughts geen turbineaandrijving.
   De Duitsers verbreedden het Kieler Kanaal en bouwden bredere droogdokken om dreadnoughts te
   bouwen die breder en beter gepantserd waren dan die van de Engelsen. Bovendien vonden de
   Duitsers met die verbreding ruimte voor een langsscheeps anti-torpedoschot (stalen binnenwand van
   5 cm dik over de hele lengte van de romp op 4 m afstand tot de huid). Er ontstond zo aan weerszijden
   een ruimte die dienst deed als kolenbunker, maar die vooral hun schepen tijdens WO1 effectief 
   beschermde tegen onderwaterexplosies.
   De Duitse schepen hadden slechts de beschikking over 30½ cm geschut toen de Engelsen al grotere
   kalibers inbouwden, maar daar staan een betere bepantsering en betere granaten tegenover.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Britse super-dreadnought Iron Duke (1914), het vlaggeschip van Sir Jellicoe tijdens de Slag bij Jutland' in 1916.
(zie gegevens')
Klik in de afbeelding voor een hogere resolutie.

  ▪Super-dreadnought, 2e generatie dreadnought (begin 20e eeuw)   (menu,  verklarende woordenlijst)
   (Eng: Capital ship, Battleship)
   Zelfde kenmerken als de dreadnought, echter beduidend groter en zwaarder:
      50% zwaarder, 30% dikker pantser, tweemaal zoveel vermogen, 4 knopen sneller en in staat
      granaten af te vuren die 2½x zo zwaar waren.
   De ramsteven van de pre-dreadnoughts was bij de eerste generatie dreadnoughts al vervangen door
   een hydrodynamisch gunstige bulb-steven, die niet meer als een aanvalswapen werd gebruikt.
   All-big-guns principe: 34½-40½ cm, 15 cm kanons en torpedobuizen.
   In 1912 bouwden de Engelsen de eerste super-dreadnought, de Orion, 22.500 ton, 10x34 cm kanons
   in dubbeltorens in de hartlijn geplaatste trapsgewijs over elkaar heen vurend, 30½ cm pantsergordel.
   Deze klasse werd in 1913 gevolgd door de King George V-klasse (een andere dan die uit WO2), in
   1914 door de Iron Duke'-klasse, in 1915 de Queen Elizabeth'-klasse, en in 1927 door de Rodney'-
   klasse.
   De Engelsen brachten in de Queen Elizabeth-klasse torpedoschotten aan die echter door de kleinere
   breedte dan de Duitse schepen (slechts 2½ m afstand tot de huid in verband met de smallere
   droogdokken) minder effectief waren. Daarom brachten zij torpedoblaren aan tegen de buitenhuid. Dit
   bleek slechts minder dan 1 knoop snelheidsverlies te geven.
   In 1913 keerden de V.S. met de dreadnoughts van de Oklahoma-klasse terug naar concentratie van
   de pantsering (34½ cm op de vitale delen en 20½ cm voor de rest). Een alles-of-niets principe dat
   snel door alle andere marines werd gevolgd. Deze klasse had ook de eerste drielingtorens.
   Verder ontwikkelden de Amerikanen de elektrische aandrijving (eigenlijk transmissie, zie
   Scheepsmachine'), die standaard werd op al hun kapitale schepen tot 1937, toen de Amerikaanse
   marine bij haar snelle slagschepen terugkeerden naar turbines met tandwieloverbrenging.
   De andere marines bleven achter bij die van Engeland, Duitsland en de V.S.
   vb. Iron Duke-klasse (Engeland, 1914)
         (zie afbeelding' boven deze paragraaf)
         180 x 27 x 8¾ m, 29.500 ton, 21½ knoop, 1022 koppen.
         10x34½ (tweelingtorens) en 12x15 cm kanons, 4 torpedobuizen van 53½ cm.
         Pantser gordel 20½-30½ cm, stevens 6-15 cm, horizontaal 9½-15, bulb-steven.
         Opm: Vlaggeschip van Sir Jellicoe tijdens de Slag bij Jutland' in 1916.
   vb. Queen Elizabeth-klasse (Engeland, 1915), waaronder de Warspite
         (zie afbeelding' hieronder)
         195½ x 29¼ x 10¾ m, 33.020 ton, 24 knopen, 1300 koppen.
         8x38 (tweelingtorens) en 16x15 cm kanons, 4 torpedobuizen van 53½ cm.
         Pantser gordel 15-33 cm, stevens 10-15 cm, horizontaal 11½-18½, bulb-steven.
         Opm: Deed na verbouw nog dienst in WO2.
   vb. Rodney (Engeland, 1927, Nelson-klasse)
         (zie afbeelding' en plattegrond')
         220 x 32 x 10 m, 33.950 ton, 24 knopen, 1640 koppen.
         9x40½ cm (drielingtorens, in configuratie 3-3 voor en geen achter) en 12x15 cm kanons,
         2 torpedobuizen van 61 cm.
         Pantser gordel 35½ cm, horizontaal 23½-32 cm, geen bulb-steven.
         Opm: Eerste Britse slagschip met pantser volgens het alles-of-niets principe (een zware
                   middengordel maar dun aan de stevens).


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Britse super-dreadnought Queen Elizabeth (1915) in 1941, kort na haar laatste verbouwing.
(zie gegevens' hierboven)

   De praktijktest voor de (super) dreadnoughts en slagkruisers was WO1, met de Slag bij de Doggers-
   bank' (1915) en de Slag bij Jutland' (1916)  (zie ook Oorlogshandelingen oppervlaktevloot WO1').
   Bij de Slag bij de Doggersbank bleek een fout in het ontwerp van de geschutstorens (die bij beide
   marines via het kruitmagazijn met elkaar in verbinding stonden), en die alléén bij de Duitsers aan het
   licht kwam door de erdoor veroorzaakte zware schade aan de Seydlitz. De Duitsers verbeteren
   daarop als enige hun torenconstructie, wat de Engelsen tijdens de slag bij Jutland zouden onder-
   vinden. Verder bleek de kwetsbaarheid van te trage pantserkruisers met de ondergang van de
   Duitse Blücher. De kwetsbaarheid van de te licht gepantserde slagkruisers kwam tijdens deze slag
   nog niet aan het licht.
   In de Slag bij Jutland werd met het in de lucht vliegen van de Engelse Queen Mary, de Indefatigable
   en de Invincible de kwetsbaarheid van de slagkruiser ondubbelzinnig aangetoond. De Lion' deelde
   bijna hun lot. En vele van de andere Engelse slagkruisers liepen zware schade op. Het concept van
   de slagkruiser zou op langere termijn worden verlaten.
   De ontwerpfout van de geschutstorens, die via het kruitmagazijn met elkaar in verbinding stonden,
   kwam nu ook bij de Britten aan het licht.
   En ook in deze slag bleek de kwetsbaarheid van de trage pantserkruiser, door het verlies van drie
   van zulke Engelse schepen.
   De super-dreadnoughts van de Engelse Queen Elizabeth'-klasse, die waren ontwikkeld uit de Iron 
   Duke'-klasse, voldeden goed m.b.t. zowel snelheid als bescherming en brachten de Duitse slagvloot
   zware schade toe. Zij zetten met dit succes op hun beurt weer de ontwikkeling in van de snelle
   slagschepen. De klasse deed na enige verbouwingen nog dienst tijdens WO2.
   Overigens bleef de schade aan de Duitse schepen, ook bij de slagkruisers, beperkt dank zij de betere
   gordel-pantsering en de waterdichte indeling. De horizontale pantsering was bij beide onvoldoende.
   Het Duitse torpedoschot bleek bij een torpedotreffer op de Seydlitz goed te voldoen.
   De Hood' (1920) zou de laatste Engelse slagkruiser worden, die tijdens WO2 helaas eveneens het
   slachtoffer zou worden van onvoldoende pantsering, met name van het dek. Zij was ten onrechte
   geclassificeerd als slagschip.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Het Duitse snelle slagschip Bismarck uit 1940 (zie gegevens)

  ▪Snel slagschip, 3e generatie dreadnought (kwart 20e eeuw, tot 1942 het principale schip)
   (Eng: Capital ship, Battleship)   (menu,  verklarende woordenlijst)
   (zie ook Vergelijkende scheepsbouw WO2')
   Na analyse van de Slag bij Jutland' ontwikkelde men het slagschip verder op de weg van de super-
   dreadnought Queen Elizabeth'. De slagkruiser Hood' was, hoewel vooral horizontaal onvoldoende
   gepantserd, al een eerste aanzet.
   De behoefde aan snellere slagschepen dan super-dreadnoughts werd ook ingegeven door het inzicht
   dat slagschepen met de 30 mijls carriers in vlootverband moesten kunnen opereren.
   Gewichtsbesparingen en een hoger rendement van de machines maakte de ontwikkeling van het
   snelle slagschip met de pantsering van een slagschip en de snelheid van een slagkruiser tot 25 á 32
   knopen mogelijk. Zo vergde het opvoeren van de hoogste snelheid van 23 tot 30 knopen viermaal
   meer machinevermogen.
   De conversie werd mogelijk gemaakt door:
     -Het in de V.S. ingevoerde concept van concentratie van de pantsering van alléén de vitale delen,
      het alles-of-niets principe.
     -Opoffering van enig zijpantser voor verbetering van de horizontale pantsering in verband met lucht-
      dreiging en artillerieduels over grote afstand waarbij de granaten onder een steile hoek inkomen.
     -Beperking van het kaliber van de hoofdbewapening tot 8x33 cm kanons.
     -Oververhitte stoom door ketels met nauwe pijpen, wat al op de Hood werd toegepast, genereerde
      meer energie bij minder gewicht.
     -Hogedruk stoom verminderde het aantal benodigde ketels, spaarde 50% uit op het gewicht van de
      machine en 33% op het volume, en verhoogde de actieradius bij een snelheid van 10 knopen tot
      het drievoudige.
     -Terugkeer van elektrische transmissie met regelweerstanden naar turbines met tandwielover-
      brenging.
     -Sterke verbetering van de dieselmotor waardoor de ermee uitgeruste vestzakslagschepen (eigenlijk 
      pantserkruisers) een snelheid kregen van 28½ knoop bij een zeer grote actieradius.
   Deze generatie van de snelle slagschepen kon ook de beschikken over moderne elektronische
   middelen, zoals radar, radiotelegrafie, telefonie etc.
   De stroomlijn-bulbboeg van de dreadnought kreeg overigens een nog minder geprononceerde vorm.

   Het Vlootverdrag van Washington van 1922 beperkte de marines in aantallen schepen en tonnages
   door per land het aantal schepen per type vast te leggen dat een marine mocht bezitten.
   (zie Vergelijkende scheepsbouw WO2')
   En dat leidde tot:
     -Zoveel mogelijk gewichtsbesparing zoals lassen in plaats van klinken, en het gebruik van alu-
      minium waar sterkte geen rol speelde.
     -Scherp bij de grens van de bepalingen ontworpen nieuwe schepen.
     -Afdanken van oude slagschepen.
     -Bestemmingsverandering van slagkruisers waarvan de kiel al was gelegd, door hen af te bouwen
      tot vliegdekschepen.
     -Modernisering van de oudere slagvloot:
        ▫Verbetering van de schootsafstand (nieuwe kanons, grotere elevatie).
        ▫Uitbreiding luchtafweergeschut.
        ▫Stookolie in plaats van kolen.
        ▫Toepassing van hogedrukstoom.
        ▫Betere horizontale pantsering.
        ▫Torpedoblaren.
        ▫Verbetering van vuurleiding en elektronica etc.
        De snelheid van die oude schepen kon door enkele van deze wijzigingen met 5 knopen oplopen.
   De voorgeschreven tonnages werden overigens door Japan, Duitsland en Italië bewust heimelijk
   overschreden, voor Engeland reden voor een bilaterale overeenkomst met Duitsland in 1935 dat het
   Duitse tonnage van de oppervlaktevloot beperkte tot 35% van die van Engeland, en die van onder-
   zeeërs tot 45%.
   Duitsland werd nog eens extra beperkt door het Verdrag van Versailles waarin na WO1 aan de
   Duitse marine de beperking werd opgelegd dat het geen schepen mocht bezitten groter dan 10.000
   ton. Duitsland stelde daarom de binnen deze beperkingen liggende Pantserkruiser-klasse (vestzak-
   slagschip) Graf Spee' in dienst.
   In 1934 zegde Hitler het Verdrag van Versailles overigens eenzijdig op. En toen in 1936 ook het
   Verdrag van Washington afliep zonder zicht op verlenging, brak een nieuwe wapenwedloop uit.
   Japan bouwde tenslotte de reusachtige Yamato'-klasse. Deze schepen waren zeer breed om de 
   diepgang in de thuiswateren te beperken. Hun bouw was in 1935 ingegeven door het idee dat de
   Amerikanen geen schepen zouden willen bouwen die niet door het Panamakanaal konden zonder de
   sluizen ervan te verbreden, wat volgens hen neerkwam op een grens van 64.000 ton, 10x46 cm
   kanons bij een snelheid van 23 knopen (meer snelheid vereist een grotere waterverplaatsing). En dat
   was een onjuiste veronderstelling.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Japanse Yamato (1945), hoogtepunt en eindpunt in de ontwikkeling van het slagschip.
(let op de voor Japanse slagschepen en kruisers typerende hoge pagode-brugopbouw)
(zie gegevens')

   vb. Duke of York (Engeland, 1941, King George V-klasse, waaronder ook de Prince of Wales)
          (zie afbeelding)
         227 x 31½ x 10½ m, 42.050 ton, 28½ knoop, 1556 koppen.
         10x35½ cm (vierlingtorens, in configuratie 4-2 vóór en 4 achter)
         en 16x13½ cm kanons (dual-purpose, tegen lucht- en oppervlaktedoelen),
         3 vliegtuigen.
         Pantser gordel 11½-38 cm en horizontaal 19-28.
         Opm: Geringe uitwatering boeg in verband met ontwerp-eis m.b.t. een voorlijk schootsveld.
   vb. Bismarck-klasse (Duitsland, 1940, waaronder ook de Tirpitz)
         (zie afbeelding' boven deze paragraaf)
         251 x 36 x 9¼ m, 50.300 ton, 30 knopen, 2065 koppen.
         8x38 cm (tweelingtorens) en 12x15 cm kanons, 6 vliegtuigen.
         Pantser gordel 14½-32½ cm en horizontaal 16-20 cm, Atlantische boeg.
   vb. Iowa-klasse (V.S., 1943, waaronder ook de New Jersey en de Missouri)
         (zie afbeelding' van de Missouri)
         270½ x 33 x 11½ m, 45.000 ton, 33 knopen, 2630 koppen.
         9x40½ cm (drielingtorens) en 20x12½ cm kanons.
         Pantser gordel 4-30½ cm, horizontaal 22-22½ cm, Atlantische boeg.
   vb. Yamato-klasse (Japan, 1941, waaronder ook de Musashi)
         (zie afbeelding hierboven)
         263 x 39 x 10½ m, 72.000 ton, 27 knopen, 2767 koppen.
         9x46 cm (drielingtorens) en 6x15½ cm kanons, 6 vliegtuigen.
         Pantser gordel 10-41 cm, horizontaal 20-23 cm, Atlantische boeg.

   Tijdens WO2 bleek de rol van het slagschip vrijwel uitgespeeld. Zij fungeerden voornamelijk nog als
   intensief luchtafweer (paraplu) voor de carriers en voor het bombarderen van kustversterkingen als
   voorbereiding op een landing.
   En hoewel zij de carriers ook tegen Japanse vlooteenheden moesten beschermen, kwam het zelden
   tot een treffen tussen slagschepen. Rond 1942 waren de carriers, en niet langer slagschepen, de
   principale schepen van de vloot.
   Jacky Fisher zei kort voor zijn overlijden in 1920 met onthutsende helderheid van geest over zijn
   eigen creatie: "Waarom houden wij deze schepen eigenlijk? Alles wat wij nu nodig hebben is een
   vloot als onderdeel van de luchtmacht. Dat is de marine van de toekomst".





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Britse slagkruiser Lion uit 1912, het vlaggeschip van Beatty in de Slag bij de Doggersbank' in 1915 (zie gegevens')

  ▪Slagkruiser (Eng: Battlecruiser)   (menu,  verklarende woordenlijst)
   (zie ook Vergelijkende scheepsbouw')
   In 1908 werd de Inflexible door Sir John Fisher als eerste slagkruiser geïntroduceerd.
   Een slagkruiser had veel weg had van een dreadnought. Hij was iets groter, maar had minder pantser
   t.b.v. een grote vuurkracht bij een hogere snelheid.
   Deze eerste slagkruisers waren, met een waterverplaatsing van 17.250 ton, een bewapening van
   8x30½ cm en 16x10 cm kanons en een snelheid van 25 mijl nog klein, maar zij groeiden met de
   ontwikkeling van dreadnought naar super-dreadnought mee. De ramsteven werd ook bij hen ver-
   vangen door de hydrodynamisch gunstige bulb-steven.
   De slagkruiser had dezelfde of bijna dezelfde vuurkracht als een dreadnought, had net zo min
   middelbaar geschut, en werd door een bijna dubbel zo zware turbine voortgestuwd waardoor zij
   zo'n 28 knopen liep, ca. 6 knopen sneller dan een dreadnought.
   De visie op het gebruik was onduidelijk: Verkenning (Fishers oorspronkelijke doelstelling), of ook
   onderschepping van kapers en het tot zinken brengen van buiten gevecht gestelde slagschepen? Of
   zelfs een bescheiden rol in de slagvloot zoals verrassings- of schijnaanvallen?
   Door die verwarring werden de slagkruisers verkeerd ingezet, en wel voor taken waarbij het pantser
   onvoldoende bleek.
   Maar ook voor de oorspronkelijke verkenningstaak bleek de slagkruiser onvoldoende gepantserd
   doordat geschut verder was gaan reiken dan de zichtafstand (met name het dekpantser was bij
   afstandsschoten met grote elevatie kwetsbaar). Het concept werd later dan ook weer verlaten, vooral
   toen de verkenningstaak bij het vliegtuig kwam te liggen.
   Na de eenzijdige opzegging van het Verdrag van Versailles bouwde Duitsland de slagkruisers
   Scharnhorst en Gneisenau, die ook wel ten onrechte als snelle slagschepen worden geclassificeerd.
   vb. Lion-klasse (Engeland, 1912, waaronder ook de Queen Mary)
         (zie afbeelding' boven deze paragraaf)
         210 x 27 x 9¾ m, 30.820 ton, 28 knopen, 1092 koppen.
         8 x 34½ (tweelingtorens, in de configuratie 2-2 voor, 2 achter, 2 in de midscheeps), 16 x 10 cm
         kanons, 2 torpedobuizen van 53½ cm, bulb-steven.
         Pantser gordel 10-23 cm, hoofddek 2½-6½ cm, horizontaal 5-9 cm.
   vb. Derfflinger (Duitsland, 1914)
         210½ x 29 x 8¼ m, 31.200 ton, 26½ knoop, 1112 koppen.
         8 x 30½ (tweelingtorens), 12 x 15 cm kanons.
         Pantser gordel 30 cm.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Britse slagkruiser Hood, ten onrechte geclassificeerd als slagschip (te slecht beschermd)


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Nogmaals de Hood, let op de geringe uitwatering van het achterschip.

   vb. Hood (Engeland, 1920)
         (zie afbeelding hierboven)
         262½ x 31¾ x 9¾ m, 46.680 ton, 31 knopen, 1169 koppen.
         8 x 38 (tweelingtorens), 12 x 14 cm kanons, 6 torpedobuizen van 53½ cm, geen bulb-steven,
         pantser gordel 12½-30½ cm, stevens 12½-15 cm, horizontaal 9½ cm.
         Na modernisering in 1941: 29 knopen, 1421 koppen.
         De Hood neigde, dankzij ontwerpaanpassingen m.b.t. de pantsering, meer naar een snel
         slagschip dan naar een slagkruiser, en werd ten onrechte als slagschip geclassificeerd. Zij had
         immers een relatief dun pantser (vooral horizontaal) in plaats van het alles-of-niets principe van
         schepen met een compactere opbouw (een zware middengordel maar dun pantser aan de
         stevens). Het extra pantser maakte overgens dat zij zo diep lag dat het achterdek  vaak over-
         spoeld werd, vooral in ondiep water.
         Zij moest eigelijk voor twee jaar uit de vaart genomen worden voor noodzakelijke verbeteringen,
         maar dat bleef uit ten behoeve van het noodzakelijk geachte vlagvertoon met dit imponerende
         schip, en door de druk van de heersende oorlogsdreiging.
         In 1941 werd de Hood met het 5e salvo op grote afstand en met grote elevatie door de Duitse
         Bismarck' in een enorme explosie tot zinken gebracht, wellicht door die te lichte horizontale
         pantsering.
   vb. Scharnhorst (Duitsland, 1939, waaronder ook de Gneisenau)
         235 x 30 x 9¾ m, 35.400 ton, 31 knopen, 1669 koppen.
         9 x 28 (drielingtorens), 12 x 15 cm kanons, 6 torpedobuizen van 53½ cm,
         pantser gordel 17-25 cm, stevens 3 cm, horizontaal 7-10 cm,
         Atlantische boeg.
   De praktijktest voor de slagkruisers was WO1, met de Slag bij de Doggersbank' (1915) en de Slag bij
   Jutland' (1916). Zie voor de gebleken kwetsbaarheid van de slagkruisers bij Super-dreadnought'.
   Churchill voorzag de problemen met de slagkruisers al tijdens de tewaterlating van de super-
   dreadnought Queen Elizabeth'.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Duitse pantserkruiser (vestzakslagschip) Admiral Graf Spee (1936)
van de Deutschland-klasse (zie gegevens')

  ▪Kruiser (Eng: Cruiser)   (menu,  verklarende woordenlijst)
   (zie ook Vergelijkende scheepsbouw WO2')
   Kenmerk zijn een vrij hoge snelheid, middelzwaar geschut en een vrij grote actieradius. De taken
   waren namelijk verkenning voor de hoofdmacht en patrouillediensten op de handelsrouten (voor
   kaapvaart of voor bescherming).
   In verband met de daarvoor vereiste grote actieradius behield de kruiser haar tuigage langer dan het
   slagschip.

   De eerste kruisers misten de vereiste snelheid en voldoende pantsering voor deze taken. Zij waren
   hooguit geschikt voor het kanonneren van waldoelen.
   Daarom ontwikkelde men een type met een pantserdek en schuin aflopende zijden tot onder de
   waterlijn, de pantserdekkruiser.
   De volgende stap was de invoering van snelvuurkanons die haalbaar waren tot kaliber 15 cm.
   vb. Pantserdekkruiser: Esmeralda (Chili, 1884).
         82¼ x 12¾ x 5½ m, 2930 ton, 18½ knoop, 300 koppen
         geen tuigage (eerste kruiser zonder tuigage).
         2 x 25½, 6 x 15 cm kanons.
         Pantserdek 2½ cm, schuin aflopend tot onder de waterlijn.
         Vocht 1905 in Japanse dienst in de Slag bij Tsoesjima'.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Pantserkruiser versus pantserdekkruiser
Met alleen het gebogen rode pantserdek is dit een pantserdekkruiser,
met de rode pantsergordel erbij is typerend voor een pantserkruiser
(zwart is kolen)

   Met de ontwikkeling van het lichte en sterke Harvey-staal werd het mogelijk een verticale pantser-
   gordel aan de pantserdekkruiser toe te voegen waarbij men de ingesloten ruimte aan de bescherming
   liet bijdragen door er kolen in te storten. De hiermee ontstane pantserkruiser, een soort verkleind
   slagschip, was door het lichtere pantsermateriaal toch sneller dan de pantserdekkruiser.
   In 1935 verbouwde Engeland enkele lichte kruisers tot luchtverdedigingskruisers door het 15 cm
   geschut te vervangen door 10 cm kanons met grote elevatie.
   vb. Pantserkruiser Garibaldi (Italië, 1901)
         111½ x 18¼ x 7 m, 7234 ton, 20 knopen.
         1 x 25½, 2 x 20½, 14 x 15 cm kanons.
        Pantser gordel 8-15 cm en dek 3-5 cm.
   vb. Pantserkruiser Admiral Graf Spee (Duitsland, 1936, Deutschland-klasse, 
         waaronder de later in Lützow omgedoopte Deutschland, en de Admiral Scheer),
         ook wel een vestzakslagschip genoemd.
         (zie afbeelding' boven deze paragraaf)
         186 x 21½ x 7¼ m, 16.200 ton, 28½ knoop, 1150 koppen.
         6x28 cm (drielingtorens) en 8x15 cm cm kanons, 8 torpedobuizen van 53½ cm.
         Pantser gordel 8 cm, torpedoschot 4 cm, horizontaal 4½ cm,
         Atlantische boeg.
         Dieselvoortstuwing.
         Actieradius (kaperschip) 7570 mijl bij 19 knopen.
         Opm: De Admiral Graf Spee werd ontworpen om binnen de beperkingen te blijven die aan
                   Duitsland na WO1 met het Verdrag van Versailles waren gesteld door een toegestane
                   tonnage van max. 10.000 ton.
                   Dit werd bereikt door een elektrisch lasprocedé, dieselvoortstuwing (lichter en zuiniger, dus
                   ook een  grote actieradius) en heimelijke overschrijding van de tonnage tot 12.000 ton.
                   Het is dus geen representatief voorbeeld van een pantserkruiser.
                   Zij was overigens niet beter beschermd dan een 20,3 cm kruiser, en had slechts twee
                   torens, zodat zij haar vuur niet over meer doelen kon verdelen (ondergang Graf Spee bij de
                   Rio de la Plata in 1939, zie Slag bij de Rio de la Plata').



(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Britse middelzware kruiser Exeter (1931) in 1942 voor de kust van Sumatra. 
De kruiser speelde in 1939 een grote rol in de Slag bij de Rio de la Plata' 
en werd in 1942 tot zinken gebracht tijdens de Slag in de Javazee'.
(zie gegevens')

   Tenslotte werd de snelheid met de invoering van de stoomturbine opgevoerd tot boven 30 knopen, en
   rustte men in navolging van de dreadnought ook de kruiser uit met een bewapening volgens het all-
   big-guns principe.
   vb. Zware kruiser:
         Prinz Eugen (Duitsland, 1940, Admiral Hipper-klasse, waaronder de Blücher, niet die uit WO1) 
         (zie afbeelding')
         212½ x 21¾ x 7¼ m, 18.400 ton, 33½ knoop, 1600 koppen.
         8x20,3 cm (tweelingtorens) en 12x10,5 cm kanons en 12 torpedobuizen van 53½ cm,
         3 vliegtuigen
         Pantser gordel 7-8 cm, horizontaal 3-8 cm.
   vb. Middelzware kruiser:
         Exeter (Engeland, 1931, York-klasse)
         (zie afbeelding' hierboven)
         175 x 18 x 5¼ m, 10.410 ton, 32 knopen, 630 koppen.
         6x20½ cm (tweelingtorens) en 4x10 cm kanons en 6 torpedobuizen van 53½ cm,
         1 vliegtuig.
         Pantser gordel 5-7½ cm, horizontaal 5 cm.
         Was betrokken bij de ondergang van de Graf Spee' (zie Slag bij de Rio de la Plata') en in de
         Slag in de Javazee' waar zij ten onder ging.
   vb. Lichte kruiser:
         Ajax (Engeland, 1935, Leander-klasse) 
         (zie afbeelding')
         169 x 17 x 5¾ m, 9740 ton, 32½ knoop, 680 koppen.
         8x15 cm (tweelingtorens) en 4x10 cm en 8 torpedobuizen van 53½ cm.
         Was evenals haar zusterschip Achilles betrokken bij de ondergang van de Graf Spee
         (zie Slag bij de Rio de la Plata').
   De praktijktest voor de pantserkruisers was WO1, met de Slag bij de Doggersbank' (1915) en de Slag
   bij Jutland' (1916)  (Zie Oorlogshandelingen oppervlaktevloot WO1'). Zie voor de gebleken 
   kwetsbaarheid van de pantserkruisers bij Super-dreadnought'.
   Sir John Fisher zei al dat de trage pantserkruisers van rond 1900 zomin konden vechten als vluchten.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Britse carrier Furious in 1917, direct na de conversie van slagkruiser tot carrier, en nog vóór
de verbouwing van 1925 (→ doorlopend vliegdek en intrekbare navigatiebrug aan stuurboord.
De vliegtuigen landden op het achterdek, waar de rookgassen veel turbulentie gaven en waar
de opbouw de tegenwind verstoorde, werden langs de centrale opbouw naar de hangars ge-
bracht en konden desgewenst van daar uit snel vanaf het voordek weer worden afgevlogen.
Op het achter-vliegdek ligt een Sea Scout Zero luchtschip afgemeerd en op het voordek staat
een Sopwith Pup'  warm te draaien  (zie afbeelding' en gegevens' na verbouwing)

  ▪Carrier of vliegdekschip (kwart 20e eeuw)   (menu,  verklarende woordenlijst)
   (zie ook Vergelijkende scheepsbouw WO2')
   Vóór de oorlog duidde men een vliegveld aan met het woord "vliegkamp" en in navolging daarvan
   was een vliegkampschip een schip met vliegdek, liften en hangars met onderhouds- en reparatie-
   faciliteiten. En was een vliegdekschip een schip met alléén maar een vliegdek.
   Tankers en graanschepen, die met een vliegdek voor 6 respectievelijk 4 vliegtuigen waren uitgerust,
   werden dus aangeduid als koopvaardij-vliegdekschip of MAC (Merchant Aircraft Carriers). Tankers
   en graanschepen hadden immers geen grote luiken nodig voor het laden en lossen, en konden dus
   een dubbeltaak uitvoeren als koopvaarder en vliegdekschip.
   Echt omgebouwde koopvaardijschepen werden aangeduid als hulpvliegkampschepen. Zij beschikten
   over meer vliegtuigen (15 tot 24) en over onderhoudsfaciliteiten, en bezaten verbindingsmiddelen om
   die vliegtuigen boven een konvooi te dirigeren.
   In de praktijk hoor je echter bijna nergens meer spreken van een vliegkampschip en vallen beide
   typen onder de verzamelnaam "vliegdekschip" of onder het Engelse "carrier". Nederlands is een
   levende taal, dus zal ik in dit essay de nu gangbare terminologie volgen.
   Carriers die in slagvlootverband opereren werden fleet-carrier genoemd, ter onderscheiding van de
   kleinere en tragere escorte-carriers.
   Afhankelijk van hun taak hadden aanvalscarriers, anti-onderzeebootcarriers of escorte-carriers ver-
   schillende typen vliegtuigen aan boord: Jagers, torpedovliegtuigen, duikbommenwerpers, verkenners
   en patrouillevliegtuigen.
   Een vliegtuigmoederschip was overigens een schip dat drijvervliegtuigen met een kraan buiten boord
   zette, waarna dit toestel vanaf zee opsteeg en daar ook weer landde. En ook slagschepen, kruisers
   en zelfs onderzeeërs konden één of meerdere watervliegtuigen aan boord hebben.

   In 1910 maakte de Amerikaan Ely met een Curtiss tweedekker als eerste een start vanaf een schip,
   de kruiser Birmingham, die voor deze gelegenheid was voorzien van een voorplatform met een
   aanloop van krap 17½ m.
   Hij maakte in 1911 ook de eerste landing op een schip, nu de pantserkruiser Pennsylvania, uitgerust
   met een platform met een uitloop van 36 m. Een remkabelsysteem, 22 lijnen met aan elk einde een
   50 ponds zandzak en een haak aan zijn toestel, bracht hem daarbij binnen 9 m tot staan.
   De eerste marinevliegtuigen waren watervliegtuigen die starten vanaf een schip, en op het water
   naast het schip landden.
   In 1918 stegen zeven Sopwith Camels' op van de Engelse carrier Furious (zie afb.') voor een
   aanval op een Duitse Zeppelinbasis, de eerste carrier-strike. En daarna ging het hard, want in de
   jaren die volgden bereikte het vliegtuig een zodanige staat van ontwikkeling dat de carrier het ooit zo
   machtige slagschip tijdens WO2 volledig bleek te overvleugelen. Slagschepen fungeerden voorname-
   lijk nog als intensief luchtafweer voor de carriers en voor het bombarderen van kustversterkingen als
   voorbereiding op een landing.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Britse carrier Furious na verbouwing in 1925 met een doorlopend vliegdek en een kleine
intrekbare navigatiebrug aan stuurboord  (zie afbeelding' vóór en gegevens' ná verbouwing)

   Het eiland zou bij alle marines, met uitzondering van de Japanse carriers Akagi' en Hiryu, altijd aan
   uiterst stuurboord staan, deels vanwege de natuurlijke neiging van de vliegers om bij een doorstart
   naar links weg te trekken en een linksdraaiend aanvliegcircuit te volgen, deels omdat de schroef-
   richting bij gas geven (van voren gezien linksom) en de torsie van de aanvankelijk gebruikelijke
   rotatiemotoren een veel kortere linker- dan rechterbocht gaf.
   De schoorstenen stonden bij de geallieerden op het eiland om te voorkomen dat de rook over het
   vliegdek kwam drijven en daarbij turbulentie en verminderd zicht zou geven. De Japanners voerden
   de rookgassen nog enige tijd af onder het vliegdekniveau, maar gingen lin 1942 eveneens over tot
   plaatsing op het eiland.
   De Engelsen voorzagen hun carriers van een gepantserd vliegdek boven een dito hoofddek dat hun
   schepen en de hangars aanzienlijk meer bescherming bood tegen duikbommenwerper-aanvallen
   dan het elders gebruikelijke houten vliegdek boven een gepantserd hoofddek. Keerzijde was een
   sterke beperking van het aantal mee te nemen vliegtuigen. De V.S. voorzagen alleen de carriers
   Lexington en Saratoga (1927) van een gepantserd vliegdek, maar Japan volgde na het debacle bij
   Midway (zie Slag om Midway') het Britse voorbeeld vanaf de carrier Taiho (1944), overigens ook de
   eerste Japanse carrier met geheel gesloten en daardoor zeewaardiger boegconstructie zoals bij de
   geallieerden.
   Met de komst van de mechanisch-hydraulische katapult werd het ook mogelijk zwaardere toestellen
   af te vliegen, of af te vliegen zonder eerst in de wind te draaien waarbij een carrier kwetsbaar was
   voor torpedoaanvallen en waarbij hij soms gedwongen werd naar de vijand toe varend te lanceren.
   Omdat het gebruik van de katapult de afvliegprocedure teveel vertraagde, gaf men er (ook op
   de kleinere carriers) doorgaans toch de voorkeur aan zelfs zware jagers als de Hellcat' met warm-
   draaiende motor op het achterdek te parkeren om hen dan kort na elkaar op eigen motorvermogen
   tegen de wind in af te vliegen. De lanseerfrequentie van een Amerikaanse carrier bedroeg tijdens
   WO2 één start per 20 à 30 sec.
   Landende toestellen waren voorzien van een vanghaak om één van de dwars over het dek ge-
   spannen remkabels te grijpen die het toestel eveneens met een mechanisch-hydraulisch systeem
   tot staan brachten. Werden de kabels gemist, dan resteerden een geforceerde doorstart of de ver-
   sperringskabels. Na een succesvolle landing werd het vliegtuig met ingevouwen vleugels op een
   dekpark geplaatst of met een lift naar beneden gebracht. Gecrashte vliegtuigen werden om reden
   van tijdwinst overboord gezet. Het oplanden van 15 Swordfishes' aan boord van de Britse carrier Ark
   Royal duurde ca. 15 minuten. Bij ruw weer stampte de carrier echter zo hevig dat de naderende
   toestellen gemakkelijk te hoog bij het zakkende achterdek uitkwamen en dan moesten doorstarten
   voor een nieuw landingscircuit, of juist te laag uitkwamen waardoor zij zich tegen het sterk reizende
   achterschip te pletter vlogen. Onder dergelijke omstandigheden kon het oplanden wel ruim een half
   uur in beslag nemen. Een zeer ervaren batsman die de toestellen vanaf de bakboordhoek binnen-
   praatte was dan onontbeerlijk.
   Na de oorlog kregen de carriers een hoekdek, deklandingsspiegels en een stoomkatapult. Een hoek-
   dek was een naar bakboord verbreed vliegdek om buiten de hartlijn van de carrier te landen zonder
   het dekpark op het voorschip te hoeven ontruimen. De deklandingsspiegels (OLS = Optical landing
   system) geven in de laatste fase van de landing visuele glijhoek-informatie t.o.v. de ideale naderings-
   baan aan de piloot van het binnenkomende vliegtuig.
   Tijdens WO2 hadden Duitland en Italië geen zelfstandige marine-luchtmacht, wat de ontwikkeling van
   het dienstvak sterk zou hebben afgeremd als men daar de voorgenomen bouw van carriers daad-
   werkelijk had uitgevoerd. In Engeland kreeg de marine pas in 1937 een eigen luchtmacht, en dat was
   eigenlijk al te laat voor een goede ontplooiing. Amerika en Japan bewezen het gelijk van een onaf-
   hankelijke marine-luchtmacht met de opmerkelijke successen van hun carriers bij de strijd in de
   Pacific. Successen die in hoge mate zijn terug te voeren op de kwaliteit van de vliegopleiding en op
   ontwikkeling en productie van het vliegend materieel.

     -Engeland
      Engelands eerste carrier was de in 1918 omgebouwde lichte kruiser Furious. Het schip kreeg een
      af- en een opvliegplatform voor de Sopwith Pup', met daartussen de brug en de schoorsteen. Het
      landen was door de wervelingen van rookgassen en het afschermen van tegenwind door de mid-
      scheepse opbouw geen succes. Daarom liet men de vliegtuigen wel vanaf de carrier opstijgen,
      maar liet ze voorlopig nog even op land of in zee landen.
      De volgende carrier was het in 1918 verbouwde passagiersschip Argus (173 m, 15.775 ton 20½
      knoop, 20 vliegtuigen ). Het schip kreeg een van voor tot achter doorlopend vliegdek, wat het de
      spotnaam "flat iron" opleverde. De rookgassen werden langs de achtersteven geleid. De remkabels
      waren geen succes, maar met de toenmalige generatie vliegtuigen kon nog zonder remsysteem
      geland worden.
      In 1924 werd de ombouw van een slagschip tot de carrier Eagle (203½ m, 26.000 ton, 22½ knoop,
      21 vliegtuigen, Seahurricanes) afgerond. Dit was het eerste schip met commandobrug en schoor-
      stenen op een eiland uiterst stuurboord, zodat de commandobrug niet ten koste ging van een vrij
      vliegdek over het gehele schip.
      In 1923 werd de nieuwbouw voltooid  van de carrier Hermes (182¼ m, 13.000 ton,  25 knopen, 20
      vliegtuigen) volgens hetzelfde eiland-concept als bij de Eagle.
      De Furious' werd tot in 1925 opnieuw verbouwd (224 m, 26.500 ton, 30 knopen, 36 vliegtuigen). Het
      schip kreeg daarbij een doorlopend vliegdek zoals op de Argus en er kwam aan stuurboord een
      kleine intrekbare navigatiebrug.
      Anders dan in de V.S. en Japan werd de verdere ontwikkeling helaas afgeremd door de overdracht
      van de marineluchtvaart van de Admiraliteit naar de RAF in 1918, een fout die te laat pas in 1937
      werd gecorrigeerd.
     -V.S.
      De eerste Amerikaanse carrier was de in 1922 verbouwde kolenboot Langley (165¼ m, 13.000 
      ton, 15½ knoop, 34 vliegtuigen), een eilandtype carrier met aan bakboord (ongelukkig gekozen
      i.v.m. turbulentie) naar buiten draaibare schoorstenen.
     -Japan
      Japan bouwde in 1922 de carrier Hosho (168¼ m, 9494 ton, 25 knopen, 15 vliegtuigen) met neer-
      klapbare schoorstenen. Het was de eerste carrier, en ook de laatste die Japan nog zou bezitten...


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Amerikaanse carrier Yorktown 1937) zou in de Slag om Midway' tot zinken worden gebracht.
(zie andere afbeelding' en gegevens')

   Bovenstaande carriers waren gereed of in aanbouw toen het Vlootverdrag van Washington van 1922
   in werking trad (zie Vergelijkende scheepsbouw WO2'). Het verdrag beperkte het totale tonnage
   aan carriers tot 135.000 ton voor Engeland en de V.S., 81.000 ton voor Japan en 12.250 voor
   Frankrijk en Italië. Het maximale tonnage van een nieuwbouw-carrier werd gesteld op 27.000 ton.
   Verder mochten Engeland, de V.S. en  Japan elk 2 schepen af- of ombouwen tot carriers tot
   maximaal 33.000 ton.
   Dit alles had natuurlijk gevolgen voor de bouwplannen.

     -Engeland
      In 1928 en 1930 bouwde Engeland de bestaande ongepantserde kruisers Courageous en Glorious 
      om tot eilandcarriers (beide 224 m, ca 27.000 ton, 30 knopen, 48 vliegtuigen, zusterschepen van
      de Furious'). Zij hadden net als de Furious een lager gelegen afvliegdek vóór de hangar met een
      lengte die 1/3 bedroeg van de scheepslengte.
      De nieuwbouw bestond uit de eiland-carrier Ark Royal' In 1938 (240 m, 27.720 ton, 30 knopen, 26
      Swordfishes') waarbij, net als bij de Amerikaanse Lexington en Saratoga, hangar en vliegdek in de
      romp waren opgenomen. Het Britse vliegdek was dus gepantserd en ook de hangar was be-
      schermd met een doosvormig pantser.
      Deze bouwwijze zou voortaan voor alle Britse carriers worden gevolgd, terwijl de V.S. juist zouden
      terugkeren naar het concept van boven het stalen hoofddek geplaatste hangars en vliegdek (dus 
      beide ongepantserd).
     -V.S.
      In 1927 werden de onvoltooide slagkruisers Lexington en Saratoga (beide ongeveer 275 m, 39.500
      ton, 33 knopen, 80-90 vliegtuigen) afgebouwd als carriers. Zij hadden elk 8 x 20,3 cm kanons die
      echter vlak voor de oorlog werden verwijderd. Deze eiland-vliegdekschepen waren de eerste (en
      anders dan bij de Britten) ook de laatste carriers met in de romp opgenomen en dus gepantserde
      hangars onder een 7½ cm dik stalen vliegdek.
      De nieuwbouw bestond uit de Ranger in 1934 (220 m, 17.577 ton, 29½ knoop, 86 vliegtuigen), de
      Yorktown' in 1937, de Enterprise' in 1938 (beide laatste 230 m, 25.500 ton, 32½ knoop, 90 vlieg-
      tuigen) en de kleinere Wasp in 1940 (210 m, 19.116 ton, 29½ knoop, 76 vliegtuigen). Deze schepen
      hadden weer een ongepantserde hangar en een houten vliegdek boven het met 7½ cm staal ge-
      pantserde hoofddek.
     -Japan
      In 1927 en 1928 bouwde Japan twee onvoltooide slagkruisers af tot de eiland-carriers Akagi' (260½
      m, 41.300 ton, 31½ knoop, 66 vliegtuigen + 25 in reserve) en Kaga (247½ m, 38.200 ton, 28
      knopen, 72 vliegtuigen + 18 in reserve).
      De nieuwbouw betrof de Ryujo in1933 (180 m, 13.650 ton. 29 knopen, 37 vliegtuigen + 11 in
      reserve), Soryu in 1937 en Hiryu in 1939 (beide laatste 222 m, ca. 20.000 ton, 34½ knoop, 57
      vliegtuigen + 16 in reserve).
      De Kaga en de Soryu hadden het eiland zoals gebruikelijk aan stuurboord, de Akagi en de Hiryu
      aan bakboord, om paarsgewijs met de andere te kunnen opereren ten einde hun vliegtuigen
      tegengestelde circuits te laten vliegen en elkaar zo dus niet te hinderen (als men eiland-op-eiland 
      naast elkaar voer, lagen de aanvliegrouten van elkaar gescheiden zoals de cirkels van een liggende
      "8"). Het bleek geen succes, want de vliegersreflex en de schroefdraairichting lieten zich slecht ver-
      enigen met een rechtsdraaiend aanvliegcircuit, en het is dan ook niet herhaald.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Amerikaanse carrier Essex (1942) in 1943, de eerste van een klasse van 24 carriers (zie gegevens')

   In 1936 liep het Vlootverdrag van Washington af, en waren de marines niet langer beperkt in aan-
   tallen en tonnages.

     -Engeland
      In 1940 bouwde Engeland 4 carriers van de Illustrious-klasse (226¾ m, 28.661 ton, 30½ knoop, 72
      vliegtuigen)  (waaronder ook Formidable, Victorious en Indomitable') met een uitgebreide pantsering
      van hangar en 7½ cm dik stalen vliegdek, dat tijdens de Japanse kamikazeaanvallen aan het einde
      van WO2 zijn waarde zou bewijzen t.o.v. de Amerikaanse carriers zonder gepantserd vliegdek.
      De keuze voor een gepantserd vliegdek werd ingegeven door de wetenschap dat zij in de nauwe
      wateren van de Noordzee en de Middellandse Zee te maken zouden krijgen met op land gesta-
      tioneerde bommenwerpers. Het bleek echter ook de juiste keuze te zijn voor de carrier-oorlog in de
      Pacific.
      De pantsering beperkte wel de grootte van de hangar en ging dus ten koste van de vliegtuig capa-
      citeit, die bij oplevering slechts 36 vliegtuigen bedroeg, maar die na verbouwing dank zij een dek-
      park met crash-barrier op 72 kwam.
      De Implacable en de Indefatigable waren soortgelijke schepen, maar door een extra hangar ge-
      schikt voor 72 toestellen.
     -V.S.
      Amerika bouwde in 1941 de Hornet (251½ m, 29.114 ton, 32½ knoop, 90 vliegtuigen), een ge-
      wijzigde versie van de Yorktown'. De Langley werd geherclasseerd tot moederschip voor water-
      vliegtuigen.
      Tijdens de oorlog, in 1942, bouwden de V.S. 24 eiland-carriers van de Essex'-klasse (266 m, 36.380
      ton, 33 knopen, 100 vliegtuigen), bouwtijd 17 maanden. De uitgebouwde bakboords-vliegtuiglift (be-
      staand uit een smal platvorm voor de voorwielen en een naar bakboord uitstekende uithouder voor
      het staartwiel) is typisch Amerikaans. De Britten hadden immers een gesloten gepantserde hangar.
      Verder bouwden zij in 1943 9 lichte kruisers af tot de Independence-klasse (190 m, 14.751 ton, 31
      knopen, 30 vliegtuigen).
      De V.S. brachten 110 escorte-carriers in de vaart (38 voor de Atlantische Oceaan) aan verbouwde
      olietankers (18 knopen) en nieuwbouw. Tot die laatste groep behoren de Casablanca-klasse in
      1943 (zie afbeelding') en de Commencement Bay-klasse in 1944 (170 m lang, 10.900 ton, 19
      knopen, 34 vliegtuigen). Hun taken bestonden uit konvooi-escorte en de rol van vlaggeschip van
      jachtgroepen op Duitse U-boten.
     -Japan
      Japan bouwde in 1941 de uitstekende carriers Shokaku en de Zuikaku (beide ca. 257½ m, 32.000
      ton, 34½ knoop, 72 vliegtuigen + 12 in reserve), die in bepaalde opzichten beter waren dan de
      Amerikaanse Essex-klasse.
      Verder verbouwde Japan olietankers en passagiersschepen tot de lichte carriers Zuiho en Shoho
      (1940 en 1941, beide ca. 205 m, 14.200 ton, 28 knopen, 30 vliegtuigen), resp. de Hiyo en de Junyo
      (beide laatste 1942, 219¼ m, 26.949 ton, 25 knopen, 53 vliegtuigen). De Hiyo en de Junyo waren 
      de eerste Japanse carriers met de schoorsteen op het eiland (26° naar buiten staand) i.p.v. het tot 
      dusver bij hen gebruikelijke ontwerp waarbij de rookgassen onder vliegdekniveau werd afgeblazen.
      Tijdens de oorlog bouwde Japan in 1944 de krachtige carriers Taiho (260½ m, 37.270 ton, 33
      knopen, 65 vliegtuigen) en Unryu (227¼ m, 17.480 ton, 34 knopen, 57 vliegtuigen + 8 in reserve).
      De Taiho was de eerste Japanse carrier met een gepantserd vliegdek van 9½ cm, echter zonder
      pantsering van de hangar zoals bij de Britten, en ook de eerste met een geheel gesloten en dus 
      zeewaardiger boeg.
      Verder werd in 1942 een onderzeebootmoederschip verbouwd tot de lichte carrier Ryuho (215½ m,
      16.700 ton, 26½ knoop, 31 vliegtuigen).
      Na de Slag om Midway' in 1942 begon Japan aan een omvangrijk nieuwbouwprogramma.
      Het onvoltooide slagschip Shinano werd in 1944 als carrier afgebouwd (266 m, 72.000 ton, 27
      knopen, 47 vliegtuigen + 139 in reserve). De Shinano, de grootste carrier van WO2, was met haar
      10 cm stalen pantserdek en 16 x 12½ cm kanons meer een luchtbasis dan een carrier, met als
      taken bijtanken, herbewapening, reparatie en onderhoud van vliegtuigen van de andere carriers. In
      1944 werd dit schip echter, op weg naar Kore voor de definitieve afbouw, getorpedeerd door een
      Amerikaanse onderzeeër.
      In hetzelfde jaar werd de eveneens onvoltooide zware kruiser Ibuki als lichte carrier afgebouwd
      (205 m, 12.200 ton, 29 knopen, 27 vliegtuigen). En tenslotte werden in 1943 en 1944 twee
      moederschepen voor watervliegtuigen, Chiyoda en Chitose, omgebouwd tot lichte carriers (beide
      192½ m, 15.300 ton, 29 knopen, 30 vliegtuigen).
     -Duitsland
      De in Duitsland in 1937 op stapel gezette carrier Graf Zeppelin werd nooit voltooid.
     -Italië
      De in 1940 in Italië begonnen verbouw van een passagiersschip tot de carrier Aquila werd
      voorkomen door oorlogsschade tijdens de werkzaamheden.

   Opm:
     -Nederland na de oorlog
      De Engelse Colossus-klasse was een lichte carrier, waarvan er na de oorlog, in 1948, één aan
      Nederland werd verkocht. Dit schip, de Venerable, werd omgedoopt in Karel Doorman (214 m,
      19.790 ton, 24 knopen, 20 vliegtuigen). Van1955 tot 1958 werd dit schip gemoderniseerd, en kreeg
      het ondermeer een hoekdek, deklandingsspiegels, een stoomkatapult i.p.v. de oude mechanisch-
      hydraulische, en een nieuw eiland.
      Na een brand in 1968 werd de Doorman aan Argentinië verkocht waar hij werd omgedoopt tot
      "25de Mayo" of "Ara Vientecinco de Mayo". Tenslotte werd hij in 2000 in India op het strand gezet
      om te worden gesloopt.
      Overigens was dit niet de eerste Karel Doorman. Zijn voorganger was de ex-Nairana (161 m,
      14.050 ton, 17 knopen, 18 vliegtuigen), een tot escorte-carrier verbouwd vrachtschip. Dit schip werd
      in 1946 van de Britten geleend. Bij aankoop van de Colossus-carrier werd de Karel Doorman I weer
      aan de Britten teruggegeven.
      Momenteel heeft Nederland een fregat in de vaart met de naam Karel Doorman.
      
   Tijdens WO2 werd het vliegdekschip de alles bepalende factor. Slagschepen kwamen er in de
   Pacific nauwelijks nog aan te pas, met uitzondering van een kort nachtgevecht bij Guadacanal en de
   Slag in de Golf van Leyte'. Op enkele kleinere schermutselingen na hielden zij zich voornamelijk bezig met
   luchtafweer en kustbeschietingen ter voorbereiding van landingen.
   De V.S. gingen de oorlog in met 7 carriers, tegen Japan met 9 carriers, waar tegenover staat dat de
   V.S. 11 carriers van de Essexklasse op stapel hadden staan.

   Ook de Slag om de Atlantische Oceaan' werd uiteindelijk beslist door de inzet van escorte-vliegdek-
   schepen:
   Toen de V.S. eind 1941 in de oorlog kwamen, bouwde men 39 koopvaardijschepen om tot hulp-
   vliegdekschepen die over 15 tot 24 vliegtuigen en de verbindingsmiddelen om die vliegtuigen boven
   een konvooi te dirigeren beschikten.
   Zij opereerden met de voor dit doel uitstekende Fairey Swordfish' dubbeldekker, uitgerust met
   dieptebommen, met een maximum snelheid van 222 km/uur.
   In het begin van de oorlog werden ook CAM-schepen ingezet (Catapult Aircraft Merchantmen),
   vrachtschepen die waren voorzien van een katapult op de boeg voor één Hurricane'. CAM-schepen
   waren dus in feite "one-shot-weapons" waarbij de Hurricane (een landvliegtuig) bovendien op zee
   diende te landen.
   Zij moeten, net als de Fighter Catapult Ships (hulpschepen met katapults en jachtvliegtuigen), als een
   noodgreep worden beschouwd. Meer dan een derde ervan ging verloren en het idee werd verlaten
   zodra er voldoende escorte-carriers waren.
   Vanaf 1942 zette men MAC-schepen in (Merchant Aircraft Carriers of koopvaardij-vliegdekschepen),
   redelijk snelle tankers en graanschepen die met een vliegdek werden uitgerust voor 6 respectievelijk
   4 vliegtuigen. Tankers en graanschepen hadden immers geen grote luiken nodig voor het beladen en
   konden dus een dubbeltaak uitvoeren als koopvaarder en vliegdekschip.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Japanse carrier Hiryu (1939) met de voor Japanse carriers kenmerkende open boegconstructie en neerklap-
bare schoorstenen, maar evenals bij de Akagi heel ongebruikelijk met het eiland aan bakboord. De bedoeling was
dat de aanvliegroutes beter gescheiden zouden blijven als de Hiryu en de Soryu (respectievelijk de Akagi en de Kaga
eiland-op-eiland naast elkaar zouden opereren. Het bleek geen succes.
Klik in de afbeelding voor een hogere resolutie.

   Zie voor de inzet van beschreven carriers Oorlog in de Pacific' en Strijd in de Middellandse Zee', en
   voor een beschrijving van de carrier-vliegtuigen bij Vliegtuig'.

   Vb. Furious (in 1917 conversie slagkruiser naar carrier), Engeland
         (zie afbeelding' boven deze paragraaf)
         In 1925 opnieuw verbouwd tot een doorlopend vliegdek met aan stuurboord een kleine intrekbare
         navigatiebrug.
         (zie afbeelding')
         224 x 26¾ x 8¼ m, 26.500 ton, 30 knopen, 1206 koppen.
         10 x 14 cm kanons.
         36 vliegtuigen.
         Pantser hoofddek en opperdek waren 2½ cm en 2-4½ cm dik.
         De Furious maakte de begintijd mee, werd meermalen verbouwd en vocht in twee wereldoorlogen
   Vb. Illustrious-klasse (1940), Engeland, waaronder Formidable, Victorious, Indomitable', Implacable
         en Indefatigable.
         226¾  x 29 x 8½ m, 28.661 ton, 30½ knoop, 1900 koppen.
         16 x 11½ cm kanons.
         36 vliegtuigen, later met dekpark met crash-barrier 72 toestellen.
         Hangar en vliegdek waren 7½ cm dik gepantserd in verband met de dreiging van op land gesta-
         tioneerde vliegtuigen in de nauwe vaarwateren van Noordzee en Middellandse Zee. De daartoe
         vereiste gewichtsbesparing maakte slechts één hangardek en een halvering vliegtuigen ten op-
         zichte van de Ark Royal'-klasse mogelijk. Na verbouwing kwam het aantal vliegtuigen toch op 60
         dank zij een dekpark met crash-barrier.
         De Implacable en de Indefatigable waren soortgelijke schepen, maar door een extra hangar
         geschikt voor 72 toestellen.
   Vb. Yorktown-klasse (1937), V.S., waaronder Enterprise' en Hornet
         (zie afbeelding' en 2e afbeelding')
         230 x 25¼ x 8 m, 25.500 ton, 32½ knoop, 2217 koppen.
         8 x 12½ cm kanons.
         90 vliegtuigen.
         Ongepantserde hangar en houten vliegdek boven het 7½ cm dikke stalen hoofddek.
         Beschadigd in de Slag in de Koraalzee', en tot zinken gebracht tijdens de Slag om Midway' (1942).
         (zie ook Oorlog in de Pacific')
   Vb. Essex-klasse (1942), V.S., 24 schepen
         (zie afbeelding')
         266 x 28 x 8½ m, 36.380 ton, 33 knopen, 2600 koppen.
         12 x 12½ cm kanons.
         100 vliegtuigen.
         Gepantserde hangar 7½ cm en houten vliegdek boven een 4 cm dikke stalen hoofddek.
   Vb. Akagi (1927), Japan
         (zie afbeelding')
         260½ x 31¼ x 8¾ m, 41.300 ton, 31½ knoop, 2000 koppen
         10 x 20 cm kanons
         66 vliegtuigen + 25 in reserve
         Ongepantserde hangar en houten vliegdek boven een 2-10 cm dikke stalen hoofddek.
         Afgebouwd zonder eiland, maar al gauw een kleine navigatiebrug, eerst aan stuurboord en na
         een 2e verbouwing aan bakboord t.b.v. samenwerking met de Kaga. Akagi en Hiryu' hadden het
         eiland aan bakboord, om een efficiëntere vliegafhandeling mogelijk te maken bij het werken in
         teamverband met Kaga, resp. Soryu (als men eiland-op-eiland naast elkaar voer, lagen de aan-
         vliegcircuits van elkaar gescheiden zoals de cirkels van een liggende "8"). Het bleek geen succes
         omdat de schroefdraairichting de vliegtuigen bij een doorstart naar het aan bakboord opgestelde 
         eiland deed afdraaien en het werd dan ook niet meer herhaald.

   Vb. Shokaku-klasse (1941), Japan, waaronder Zuikaku
         257½ x 26 x 9 m, 32.000 ton, 34½ knoop, 1660 koppen.
         16 x 12½ cm kanons.
         72 vliegtuigen + 12 in reserve.
         Ongepantserde hangar en houten vliegdek boven een stalen hoofddek.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De stamvader van de Duitse U-boot, de U-1 uit 1906.

  ▪Onderzeeboot (submarine, U-boot) (militair bruikbaar eind 19e eeuw)   (menu,  verklarende woordenlijst)
   (zie ook Vergelijkende scheepsbouw WO2')
   Het marine-taalgebruik spreekt van een "boot", niet van een "schip". Zo ook van een onderzeeër of
   een onderzeeboot, en niet van een duikboot. In de eerste fase van WO2 sprak Karl Dönitz (in WO2
   bevelhebber van de Duitse Kriegsmarine en pleitbezorger van het U-bootwapen) soms zelf over
   duikboten omdat zij voornamelijk aan de oppervlakte opereerden. Pas toen de geallieerde luchtmacht
   de U-boten onder water begonnen te dwingen kon er eigenlijk pas echt worden gesproken van onder-
   zeeërs, vooral toen deze werden uitgerust met de snorkel.

   De eerste beschrijving van een onder water varende boot die mogelijk heeft gewerkt, is het met
   lederen binnenboordtanks uitgerust roeivaartuig van de Engelsman Bourne uit 1578. In 1620 voer de
   Nederlander Cornelis Drebbel met een door riemen voortbewogen onderzeeboot van Westminster
   naar Greenwich. De boot voer echter niet geheel onder water. Bovendien bracht hij de boot niet met
   de ballast maar door riemkracht omlaag. En daarmee zijn dan al direct de twee technieken zichtbaar
   gemaakt waarmee een boot onder water kan worden gebracht: verandering van massa (Bourne), en
   neerwaartse druk die door de vaart op de boot kan worden uitgeoefend (Drebbel).
   De hieropvolgende periode stond de ontwikkeling van de duikboot enigszins stil, en werd de aandacht
   vooral besteed aan de ontwikkeling van de duikklok, een tijdelijke verblijfplaats voor duikers bestaand
   uit een omgekeerde bekervorm met ingesloten lucht die men met een kabel onder water liet zakken.
   In 1766 werd tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tevergeefs getracht met de door de Amerikaan
   Bushnell ontworpen Turtle een Engelse oorlogsbodem in de haven van New York tot zinken te
   brengen. De Turtle werd met handkracht aangedreven: een horizontale en een verticale schroef en
   een handpomp voor het verwijderen van binnengelaten ballastwater. De bewapening bestond uit een
   lading aan een lijn, die was verbonden met een boorschroef. Deze laatste moest onder water in de
   bodem van het doelschip worden vastgedraaid.
   De Amerikaan Robert Fulton bouwde in 1800 de succesvolle door drie man hand-voortbewogen 
   Nautilus. De boot had een commandotoren, duikroeren (zij het te klein en te gering in aantal) en een
   inlaatklep, en kon een uur lang onder water blijven tot een diepte van 7½ m bij een snelheid van 2-3
   knopen. Een hulptuigage verlichtte het werk als de omstandigheden het toelieten. Toch weigerden
   zowel Engeland als Frankrijk het vaartuig te accepteren uit afkeer voor deze in hun ogen verwer-
   pelijke strijdwijze. De Engelsen vreesden bovendien dat acceptatie de verdere ontwikkeling van de
   onderzeeboot zou aanmoedigen, waardoor hun suprematie op zee bedreigd zou kunnen worden.
   De in 1850 door de Duitser Bauer ontwikkelde Brauntaucher was gebaseerd op de Nautilus, en
   uitgerust met in lengterichting verplaatsbare ballast om de duikmanoeuvres te ondersteunen.
   De Plongeur van de Fransman Brun uit 1863 werd aangedreven door samengeperste lucht, die ook
   werd aangewend voor het legen van de ballasttanks. Zij was bewapend met een spartorpedo.
   Ook de door de Amerikaan Hunley in 1863 ontworpen handaangedreven onderzeeboot was uitgerust
   met een spartorpedo, maar hij bracht daarmee tijdens een demonstratie ook zichzelf tot zinken. Een
   later model was in 1864 de eerste duikboot die een vijandelijk schip tot zinken bracht, het federale
   stoomschip Houstanic, waarbij de onderzeeër echter ook zichzelf tot zinken bracht. Een spartorpedo
   was duidelijk gevaarlijker voor de aanvaller dan voor het doelschip. De Hunley kon, door 8 man
   aangedreven, een snelheid halen van 2½ knoop.
   In 1875 bouwde de Amerikaan John Holland zijn eerste onderzeeboot. De aandrijving vond plaatst
   door een fietsbeweging. De boot was niet bewapend.
   De door de Engelsman Garrett ontworpen Resurgam werd aangedreven door stoomkracht. Onder
   water maakte hij gebruik van tijdens de oppervlaktevaart opgewekte stoom die als latente warmte in
   heetwaterketels werd opgeslagen, en die de boot onder water gedurende 4-5 uur een snelheid gaf
   van 2-3 knopen over een afstand van 10 mijl. De boot was echter moeilijk op constante diepte te
   houden (langsstabiliteit) als gevolg van het ontbreken van duikroeren, en als gevolg van de te grote
   watertanks waarin het water in de lengterichting heen en weer stroomde.
   Door dit succes geïnspireerd, ontwierp de Noor Nordenfelt samen met Garrett in 1885 een volgens
   hetzelfde principe aangedreven onderzeeër, bewapend met de inmiddels ontwikkelde Whitehead-
   torpedo in een buis in de opbouw boven de boeg en een 1 inch kanon. Een verbeterde type liep
   boven water 14 knopen, en onder water 5 knopen over een afstand van 20 mijl. De zijwaartse
   stabiliteit was echter onvoldoende door de toepassing van twee weinig efficiënte verticale schroeven
   voor de langsstabiliteit, en er waren nog altijd problemen met die langstabiliteit. De problemen met de
   langstabiliteit werden veroorzaakt door de weliswaar aanwezige, maar nog altijd te kleine en in te ge-
   ring aantal aanwezige duikroeren bij de boeg, en net als haar voorganger door de te grote
   heetwaterketels. Tenslotte waren er problemen met de balansverandering bij het afvuren van de
   relatief zware torpedo.
   In 1886 bouwde de Spanjaard Peral de eerste onderzeeër met een elektromotor, overigens als enige
   voortstuwing en zonder aparte machine voor bovenwatervaart.
   In hetzelfde jaar ontwierp de Fransman Goubet eveneens een elektrisch aangedreven boot die haar
   langsstabiliteit ontleende aan een slinger die bij elke afwijking van de horizontale positie het
   ballastwater van de ene steven-tank naar de andere pompte.
   In 1893 ontwierpen de Fransen Dupuy de Lome en zijn opvolgers via het tussenontwerp Gymnote
   (1890) de eerste militair bruikbare onderzeeër, de Zedé. Eveneens geheel elektrisch aangedreven,
   48 m lang, 265 ton, 9 knopen boven water en 6½ knoop onder water. De lengtestabiliteit was nu door
   drie paar duikroeren (vóór, midden en achter) opgelost. De veiligheid (overspoeld raken) en het zicht
   werden bevorderd door een commandotoren en een loopbrug in de lengterichting. De bewapening
   bestond uit één boegbuis voor 3 torpedo's.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Een Japanse Holland-onderzeeër type VII (1905). 
20½ m lang, 106 ton, 10 koppen

     -V.S.
      In 1894 ontwierp de Amerikaan John Holland zijn model No. 8, 16½ m lang, 70 ton. De ballasttanks
      (er was geen dubbele wand) werden met perslucht leeggeblazen en er waren voor en achter
      perslucht bestuurde trimtanks, in combinatie met rolroeren. De enkelvoudige schroef werd
      beurtelings aangedreven door een benzinemotor die ook de accu's oplaadde, of door een
      elektromotor voor de onderwatervaart. De machine dreef dus nog niet via de generator de
      elektromotor aan. Benzine is in zo'n afgesloten ruimte overigens bijzonder explosiegevaarlijk.
      De Holland No. 8 haalde boven water een snelheid van 8 knopen, en onder water 5 knopen
      gedurende 4 uur. Het drijfvermogen was slechts 12% (dus veel minder uitwatering dan
      onderstaande Narval). De No. 9 was groter, 19½ m lang, 104 ton.
      De bewapening bestond uit één torpedobuis in de boeg en uit 2 dynamietkanons.
      Holland verkocht er in 1900 enkele aan de Amerikaanse marine, en in 1901 aan de Engelsen.
      In 1911 ontwierpen de V.S. hun eerste diesel-elektrische onderzeeboot (zie de navolgende Naiade
      en Aigrette).
     -Frankrijk
      In 1899 ontwierp de Fransman Laubeuf de Narval, eveneens met gescheiden machines voor
      boven- en onderwatervaart. Voor boven water een oliegestookte triple-expansie stoommachine die
      tevens de batterijen laadde, en voor onderwatervaart een elektromotor. Net als bij de Holland No. 8
      dreef de stoommachine nog niet via de generator de elektromotor aan.
      Probleem bij deze toepassing van de stoommachine was dat men de ketel moest koelen en stoom
      moest afblazen voordat men onder water kon gaan, en dat koste 21 min, later 12 min. De
      bovenstaande Holland-boten kenden dit probleem niet dankzij hun keuze voor benzinemotoren.
      De Narval was 34 m lang, 200 ton, en liep 10 knopen boven water (met een bereik van 500 mijl bij
      6½ knoop) en 5½ knoop onder water.
      De boot had als belangrijke verbetering een binnenhuid (drukhuid van 1,3 cm) en een buitenhuid
      (0,6 cm) met daartussen de ballasttanks die een drijfvermogen gaven van 42%, aanzienlijk meer
      dan de tot dan gebruikelijke 2 tot 3% met hun minimale uitwatering.
      Tussen de binnen- en de buitenhuid vond ook de opslag van stookolie plaats.
      De Narval was bewapend met vier torpedolanceerhouders aan de zijkant van de romp, 2 in het
      midden en 2 achter, in de rand van het dek. Er waren geen torpedobuizen.
      De boot was redelijk zeewaardig, met de lijnen en de eigenschappen van een torpedoboot, en
      begon met zijn toren met periscoop en met het vlakke dek, op de schoorsteen na, op de latere
      klassieke onderzeeërs te lijken. Frankrijk kocht er enkele van.
      Later introduceerde Laubeuf de Naiade, waarbij een benzolmotor tijdens bovenwatervaart via de
      generator de elektromotor (als enige aanwezige machine) aandreef, en de batterijen oplaadde. Op
      de Aigrette van 1904 verving hij de gasoliemotor door de zojuist ontwikkelde diesel, het nog altijd
      gangbare principe van de diesel-elektrische aandrijving.
     -Engeland
      Tot begin 20e eeuw was er in Engeland nog veel weerzin tegen de onderzeeër ("onsportief en on-
      Engels"). In 1901 kreeg de Engelse marine eindelijk belangstelling voor het onderzeewapen met de
      aankoop van enkele exemplaren van de Holland. Daarna ging men plotseling voortvarend over tot
      de ontwikkeling van eigen typen.
      Engeland liet het type A1 onderzeeër bouwen volgens het principe van de Holland No. 9. Onder de
      dynamische First Sea Lord Sir John Fisher ontwikkelde Engeland de typen A, B en C, alle met
      benzinemotor en elektromotor.
      In 1911 kreeg type D dieselaandrijving, een gedeeltelijk dubbelhuidsysteem, met ballasttanks en
      brandstoftanks ertussen buiten de drukhuid. Beide ballasttanks hadden waterventielen onder en
      luchtventielen boven. Men dook door water in te nemen en steeg door water af te blazen met
      perslucht. Natuurlijk gebruikte men daarbij ook de duikroeren. De brandstoftanks stonden aan de
      onderzijde in open verbinding met het zeewater. Doordat zeewater zwaarder is dan dieselolie bleef
      de olie in de tanks.
      De Engelsen bouwden aanvankelijk onderzeeërs met een onderwater-bereik van slechts 150 km,
      voornamelijk voor de kustbewaking.
      In 1910 bouwde de Engelse marine haar eerste diesel-elektrische onderzeeër.
     -Duitsland
      In 1906 liet Duitsland de door de Spanjaard d'Equevilley ontworpen U1 bouwen op basis van de
      Narval van Laubeuf, 31 m lang, 235 ton, een dubbele wand, en een tweedelig voortstuwings-
      systeem met een petroleummotor (veiliger dan benzine). Zij had een bovenwatervaart van 11
      knopen tegen onderwater 8½ knoop. De schepen hadden net als de Narval een plat dek.
      De U1 was de eerste van een generatie goed bewapende en zeewaardige lange-afstands onder-
      zeeërs. Met de U19 introduceerden de Duitsers in 1912 hun eerste diesel-elektrische onderzeeër.

(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Aanval met het dekkanon van een Duitse U-boot tijdens WO1 in 1917. -Eerste Wereldoorlog ▫Ontwikkeling Beide partijen introduceerden het kanon tegen doelen die te klein waren om er een kostbare en slechts in beperkt aantal aan boord beschikbare torpedo aan te spenderen. Bovendien maakte een kanon kustbeschietingen mogelijk. Grote kalibers tegen marinedoelen bleken niet te voldoen. De onderzeeërs werden er te lomp door en zij vormden ook een weinig stabiel geschutsplatform. Ook was het zicht onvoldoende voor een goede vuurleiding. Het >kaliber varieerde dan ook door- gaans van 76 tot 105 mm. De dekkanons verloren hun nut grotendeels bij de invoer van het konvooi-systeem in 1917. Vanaf 1915 bouwden de Duitsers als eersten specialistische onderzeeërs voor het leggen van mijnenvelden. Het verrassingseffect van een 's nachts gelegd mijnenveld was vooral direct na de introductie dodelijk. De mijnen werden gelegd door schuin vericale, of horizontaal door de hek lopende buizen. De periscoop werd verbeterd door naast de richt-periscoop ook een aparte groothoek (horzontaal en verticaal) zoekperiscoop in te voeren. ▫Duitse onderzeeërs -U9-klasse Vanaf 1910, 57½ m lang, 500 ton, 29 koppen. Petroleum/elektrisch. Bovenwatersnelheid 14 knopen, onderwater 9 knopen. Geen kanon, 4 torpedobuizen van 45½ cm (2x voor, 2x achter) -U96-klasse Vanaf 1917, 72 m lang, 851 ton, 38 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 17 knopen, onderwater 8½ knopen. Duikdiepte 75 m. Geen kanon, 6 torpedobuizen van 50 cm. Opm: De naamgever U96 bracht op 1 dag 3 pantserkruisers tot zinken. -UCII-klasse Mijnenlegger. Vanaf 1915, 50 m lang, 410 ton, 28 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 17 knopen, onderwater 8½ knoop. 1 x 9 cm kanon, 3 torpedobuizen van 50 cm, 18 mijnen in verticale schachten. -U151-klasse Handelsonderzeeër Deutschland, overige waren U-boot-kruisers. Vanaf 1916, 65 m lang, 1600 ton, 56 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 12½ knoop, onderwater 5 knopen. 25.000 mijl bij 5½ knoop boven water, 65 mijl bij 3 knopen onder water. De Deutschland had geen bewapening. Overige: 2 x 10½ cm kanons, 2 torpedobuizen van 50 cm. Opm: De Deutschland importeerde als blokkadebreker op twee reizen grondstoffen zoals rubber uit de V.S. totdat Amerika in de oorlog kwam. Na het propagandasucces van de Deutschland werd i.v.m. het kleine handelsrendement besloten de overige omgebouwd te leveren als lange-afstands raiders (U-boot-kruisers). ▫Engelse onderzeeërs -A-klasse Vanaf 1902, 30½ m lang, 168 ton, 11 koppen. Benzine/elektrisch. Bovenwatersnelheid 11 knopen, onderwater 7 knopen. Boven water 270 mijl bij 10 knopen. Duikdiepte 30 m. Geen kanon, 2 torpedobuizen van 45½ cm. -E-klasse Vanaf 1902, 53½ m lang, 671 ton, 30 koppen. Benzine/elektrisch. Bovenwatersnelheid 15 knopen, onderwater 10 knopen. Boven water 2600 mijl bij 10 knopen, onder water 99 mijl bij 3 knopen. Duikdiepte 60 m. 1 x 7½ cm kanon, 4 torpedobuizen van 45½ cm. Opm: De Engelse onderzeeërs waren kleiner en hadden een kleinere actieradius. Zij waren meer onderworpen voor kustgebruik. Bijzonder was de Engelse R-klasse, een kleine onderzeeër voor inzet tegen andere onderzeeërs (hunterkiller), die door een gestroomlijnde romp en meer elektrische vermogen onder water 15 knopen liep, en boven water op de te kleine diesel (i.v.m. de kleine beschikbare ruimte door de toegenomen omvang van de batterijcapaciteit) slechts 9½ knoop. Zij had een hydrofoon in de boeg. De grote Engelse K-klasse had door de herinvoer van oliegestookte stoomturbines juist een zeer hoge bovenwatervaart van 24 knopen. Die hoge snelheid moest operaties in vlootverband mogelijk maken. Zij bleken echter door hun grootte van 103 m en 2650 ton soms onmanoeuvreerbaar te raken bij het onder water gaan. Bovendien waren zij kwetsbaar door het toegenomen aantal openingen (schoorsteen en luchtinlaat), overspoeling bij hoge snelheid, aanvaringen door slechte zichtbaarheid en geringe manoeuvreerbaarheid, en friendly fire van oppervlakteschepen die liever meteen schoten dan eerst de identiteit vast te stellen. Italië voerde in WO1 een huzarenstukje uit door met een dwergonderzeeër (een soort menselijke torpedo) de Oostenrijkse super-dreadnought Viribus Unitis in de haven van Pola tot zinken te brengen. -Tussen de oorlogen Na WO1 bouwde Japan enkele reuzenonderzeeërs van 122 m lang, 3530 ton en 4 vliegtuigen met katapult. De meeste onderzeeërs kregen echter tonnages tussen 500 en 2000 ton voor de zeegaande typen, en 250 ton voor kustvaartuigen. De Europese marines bouwden wat kleinere onderzeeërs voor de Noordzee en de Middellandse zee. De Amerikanen en de Japanners grotere typen van 1500 ton of meer voor de Pacific.
(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De U-37, een Duitse U-boot Type IXA, in dok in het Franse Lorient (1940). Met de inname van Frankrijk kreeg Duitsland de beschikking over onderhouds- en reparatiefaciliteiten die veel dichter bij het operatiegebied van de U-boten lagen dan voorheen. Het percentage zeedagen nam daarmee aanzienlijk toe wat van grote betekenis zou zijn in de Slag om de Atlantische Oceaan'. (zie gegevens') -Tweede Wereldoorlog: De voornaamste ontwikkelingen tijdens WO2 waren: ▫Snorkel of snuiver, een Nederlandse vinding uit 1939 die onderwatervaart op periscoopdiepte met de diesel mogelijk maakte. In 1944 door de Duitsers overgenomen. De snuiver bleek echter bij kalme zee toch nog een radar-echo op te leveren. ▫Pillenwerfer die na lancering vanuit een lanceerbuis als een enorme bruistablet werkte, en zo een valse Asdic-echo gaf. Een ervaren Asdic-operateur werd er echter niet door misleid. ▫Pogingen om periscopen en zelfs rompen met rubber te bedekken, in de hoop Asdic-signalen en radar te absorberen, waren maar gedeeltelijk effectief. ▫Als een boot langer onder water werd gedwongen dan haar zuurstofvoorraad toeliet, of na brand aan boord, maakte men gebruik van maskers met een kali-patroon. De kaliumhyperoxide (KO2) reageert met kooldioxide in zuurstof en dikaliumcarbonaat (K2CO3). ▫Met name in Duitsland werden hogere onderwatersnelheden en een grotere actieradius bereikt door stroomlijn, krachtiger motoren en lichte batterijen met grote capaciteit. Resultaat was de conventionele Duitse Type XXI' onderzeeboot, die dankzij een verdrievoudigde batterijcapaciteit en een gestroomlijnde (Walther)-romp een onderwatervaart bezat van 16 mijl, of 4 mijl gedurende ruim 3 dagen. Hij was voorzien van een salvo van 6 buizen en van een mechanisch, en daardoor sneller, nalaadsysteem. Op de toren stond op afstand bediend lucht- afweergeschut. Er werden begin 1945 vier exemplaren afgeleverd, maar die konden niet op tijd in dienst worden gesteld. Boten van het type XVII met Walther-aandrijving liepen onder water zelfs 25 mijl, maar ook zij kwam te laat. Bovendien waren er nog teveel problemen met het onstabiele en gevaarlijk procedé, waarbij stookolie met geconcentreerd H2O2 werd verbrand tot een hogedruk-mengsel van gas en stoom voor de turbine. Als men de problemen had kunnen oplossen, zouden zij sneller zijn geweest dan de meeste escorteurs, en dat zonder de noodzaak naar de oppervlakte te komen om accu's op te laden. Er werd ook gewerkt aan een onderzeeër met een gesloten circuit diesel. ▫Dwergonderzeeboten voor aanvallen binnen havens: -Italianen Twee Britse slagschepen in de haven van Alexandrië beschadigd in 1941. Type Varken, 2-persoons open onderzeeër (menselijke torpedo), 2½ - 3 knopen, 15 m diep, actieradius 30 km. De ladingen werden door een kikvorsman aan de kim van doelschip be- vestigd, en het toestel werd op het dek van een onderzeeër naar zijn doel gebracht. -Japanners Zonder resultaat ingezet bij Pearl Harbor in 1941. Slagschip Ramillies in 1942 bij Madagaskar beschadigd. Beide door Type A, 2-peroons, twee torpedobuizen. Typerend Japans was de kamikaze-dwergonderzeeër type Kaiten, 1944 (met de motor van de Long Lance torpedo type 93), 1-persoons onderzeeër in diverse versies, 30-40 knopen, actie- radius 23-38 km, op het dek van een onderzeeër naar zijn doel gebracht. Nooit succes gehad. -Engelsen Duitse slagschip Tirpitz in 1943 in een Noorse fjord beschadigd. Type X-Craft, 4-persoons gesloten onderzeeër, 6 knopen boven water, 5½ knoop onder water, twee ladingen die werden losgelaten onder het doel, naar zijn doel gesleept. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Duitse U-boot Type VIIA in 1936 (zie gegevens') ▫Duitse onderzeeërs -Type VIIC Zie bovenstaande afbeelding. Vanaf 1936, 67 m lang, 781 ton, 44 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 17 knopen, onderwater 8 knopen. Men kon de bovenwatervaart voor korte tijd nog opvoeren door de diesel- en de elektro- motoren te koppelen. Opladen van de accu's vereiste een bovenwatervaart op de dieselmotor van 2-3 uur. Actieradius bovenwater 5645 mijl bij 12 knopen, onder water 18 uren bij 4 knopen. Duikdiepte 220 m. 1 x 9 cm kanon, 5 torpedobuizen van 53½ cm, of 14 mijnen i.p.v. torpedo's. Opm: De U96 stond model voor de deels op werkelijkheid gebaseerde film "Das Boot". -Type IXB (zie afbeelding') Vanaf 1938, 76½ m lang, 1068 ton, 57 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 18½ knoop, onderwater 7 knopen. Actieradius bovenwater 7555 mijl bij 12 knopen (type IXD 23.000 mijl bij 12 knopen), onder water 20 uren bij 4 knopen. Duikdiepte 200 m. 1 x 10½ cm kanon, 6 torpedobuizen van 53½ cm, of 32 mijnen + 6 torpedo's. Opm: Sommige werden gebruikt als "Melkkoeien" (zie onder). -Type XIV Vanaf 1942, 67 m lang, 1715 ton, 53 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 14½ knoop, onderwater 6½ knoop. Actieradius bovenwater 8075 mijl bij 12 knopen, onder water 14 uren bij 4 knopen. Duikdiepte 240 m. 2 x 3½ cm kanons, groot laadvermogen. Opm: "Melkkoeien", voor bevoorraden van U-boten met 4 torpedo's en 437 ton brandstof. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Duitse Type XXI U-boot met Walther-romp waarvan de stroomlijn hem onder water sneller maakte dan aan de oppervlakte. -Type XXI Vanaf 1944, 77 m lang, 1647 ton, 57 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 15½ knoop, onderwater 16 knopen (dankzij de gestroomlijnde Walther- romp onder water sneller dan aan de oppervlakte). Actieradius bovenwater 9375 mijl bij 12 knopen, onder water 240 mijl bij 6 knopen. 4 x 2 cm of 4 x 4 cm kanons, 6 torpedobuizen van 53½ cm. ▫Engelse onderzeeërs -S-klasse Vanaf 1931, 61½ m lang, 827 ton, 48 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 15 knopen, onderwater 9 knopen. Actieradius bovenwater 6000 mijl bij 10 knopen. Duikdiepte 76 m. 1 x 10 cm kanon, 7 torpedobuizen van 53½ cm. -T-klasse Vanaf 1937, 75 m lang, 1346 ton, 61 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 15½ knoop, onderwater 9 knopen. Actieradius bovenwater 8000 mijl bij 10 knopen. Duikdiepte geklonken 90 m, gelast 107 m. 1 x 10 cm kanon, 11 torpedobuizen van 53½ cm. -U-klasse Vanaf 1937, 52½ m lang, 640 ton, 33 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 14 knopen, onderwater 9 knopen. Actieradius bovenwater 4050 mijl bij 10 knopen. Duikdiepte 60 m. 1 x 7½ cm kanon, 4-6 torpedobuizen van 53½ cm. Goedkoop, en zeer bruikbaar in Noordzee en Middellandse Zee. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De USS Whale in 1945, een Amerikaanse onderzeeër van de Gato-klasse. ▫Amerikaanse onderzeeërs -Porpoise-klasse: Vanaf 1935, 86½ m lang, 1331 ton, 55 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 19 knopen, onderwater 8 knopen. Duikdiepte 76 m. 1 x 7½ cm kanon, 6 torpedobuizen van 53½ cm. -Gato-klasse Vanaf 1941, 93½ m lang, 1845 ton, 80-85 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 21 knopen, onderwater 9 knopen. Actieradius bovenwater 8400 mijl bij 14 knopen. Duikdiepte 91 m. 1 x 7½ cm kanon, 10 torpedobuizen van 53½ cm. ▫Japanse onderzeeërs -Kaidai, type VIB Vanaf 1934 (type I vanaf 1924), 105 m,1420 ton, 68 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 23 knopen, onderwater 8 knoop (type I - 18½ / 8½ knoop). Actieradius boven water 10.000 mijl bij 16 knopen, onder water 90 mijl bij 3 knopen. Duikdiepte 85 m. 1 x 12 cm kanon, 6 torpedobuizen van 53½ cm. Opm: Ingezet bij Pearl Harbor. -I400-klasse Vanaf 1944, 120 m lang, 5306 ton, 144 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 19 knopen, onderwater 6½ knoop. Actieradius bovenwater 25.200 mijl bij 16 knopen, onder water 50 mijl bij 3 knopen. 1 x 14 cm kanon, 8 torpedobuizen van 53½ cm, 3 vliegtuigen. Opm: Ontworpen voor aanvallen op het Panama-kanaal, maar kwam te laat in de oorlog. Doorsnede als een liggende 8. -I201-klasse Vanaf 1945, 79 m lang, 1311 ton, 31 koppen. Diesel/elektrisch. Bovenwatersnelheid 16 knopen, onderwater 19 knopen. Actieradius bovenwater 4870 mijl bij 14 knopen, onder water 114 mijl bij 3 knopen. 4 torpedobuizen van 53½ cm. Opm: Dit ontwerp was in vele opzichten te vergelijken met de Duitse Type XXI' (door speciale rompvorm onder water sneller dan aan de oppervlakte), en was ook beter maar kwam te laat in de oorlog. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Duitse torpedoboot in WO1 ▪Torpedoboot en motortorpedoboot (of torpedomotorboot) (menu, verklarende woordenlijst) Omstreeks 1860 was een torpedoboot kleine stoomsloep met een sparmijn aan het uiteinde van een 7,5 m lange boom (spar) op de boeg. Het uiteinde met de explosieve lading bevond zich onder water. Het systeem bleek voor de aanvaller bijna even gevaarlijk als voor de aangevallene. Vanaf 1875 ontwikkelde men voor het lanceren van de vrij varende Whitehead-torpedo's de eerste echte torpedoboten met een snelheid van 15 mijl. De snelle ontwikkeling blijkt uit een 22½ mijls vaart in 1885, en 27 mijl in 1890. Deze generatie torpedoboten werd nog aangedreven door zuigerstoom- machines. Vb. Engelse torpedoboot uit 1899: 55 m lang, 260 ton, 27 knopen. Rond 1907 hadden de torpedobootjagers, die inmiddels door turbines en stookolie een snelheid haalden van 30-35 knopen, de taak van de torpedoboot overgenomen. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Britse motortorpedoboot tijdens WO2. De explosiemotor maakte motortorpedoboten mogelijk waarvan de snelheid na WO1 tot 40 knopen werd opgevoerd, en tot 50 knopen tijdens WO2. Vb. Amerikaanse motortorpedoboot van de Higgins PT-71 klasse (1941) 24 m lang, 47 ton, 40 knopen, 12 koppen. 1 x 4 cm kanon, 2 of 4 torpedobuizen van 53½ cm, en dieptebommen of mijnen. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De USS Fox, een Amerikaanse flushdeck (= bovendek op één niveau) torpedobootjager in 1920-1930. Van deze zgn. 4-stackers of 4-pijpers (naar het aantal schoorstenen) leverden de destijds officieel nog neutrale VS de Britten er in het kader van de Destroyers for Bases Agreement aan het begin van de oorlog vijftig. Het waren verouderde maar voor hun taak, het open houden van de zeeweg tussen de VS en Engeland, nog alleszins bruikbare schepen. Dit jaren durende en strategisch cuciale gevecht zou de geschiedenis ingaan als de Slag om de Atlantische Oceaan'. ▪Torpedobootjager (torpedo boat destroyer) of jager of destroyer (menu, verklarende woordenlijst) (zie ook Vergelijkende scheepsbouw WO2') Als antwoord op de dreiging van aanvallen met grote aantallen goedkope torpedoboten tegen vloot- eenheden die tijdens het handhaven van een blokkade of bij landingsoperaties in vijandelijke kust- wateren moesten opereren, nam vanaf 1885 de ontwikkeling van torpedobootjagers een aanvang. Uit de eerste jagers met een 22½ mijls snelheid ontwikkelden de Britten in 1895 hun "30-knotters" van 300 tot 400 ton, zij het met een voor hoge snelheden in volle zee wel erg lage en natte bak. De eerste goed werkende stoomturbine was die van Parsons die de door hen gebouwde Turbinia (zie afb.') bij de Koninklijke Vlootschouw te Spithead in 1897 voor het oog van de verbaasde koningin Victoria en haar gevolg met de toen ongelooflijke snelheid van 34 knopen door de linies voortjoeg. De eerste jager met een stoomturbine was de Viper (1899, 36½ knoop). Ongelukken met deze snelle schepen deed de Engelse marine echter met de River-klasse van 550 ton terugkeren naar een zuigermachine en een vaart van 25½ knoop. En de bak was vanaf nu hoger. Omdat de komst van de snelle dreadnoughts ook hogere snelheden van de jagers vereiste, kwam in 1907 met de komst van de Tribal-klasse (niet te verwarren met de Tribal-klasse uit 1936) de olie- gestookte turbine weer terug die deze schepen een snelheid gaf van 33-35 knopen, maar nu met een hogere bak. Daarmee werden na de dreadnoughts en de slagkruisers nu ook de eerste snelle jagers door John Fisher geïntroduceerd. Zij dienden voor begeleiding en bescherming van de slagvloot, en waren daarom ook redelijk zeewaardig. Hun taken bestonden uit het bestrijden van torpedoboten, zelf torpedo's afvuren op kruisers en slagschepen, konvooibegeleiding en onderzeebootbestrijding. -Vlak vóór WO1 kenmerken de Britse jagers zich door sterke schepen met krachtige bewapening. De Duitse jagers waren lichter en minder krachtig bewapend ten gunste van een hogere snelheid en meer torpedobuizen. -Eerste Wereldoorlog ▫Duitse jagers -T150-klasse (1908) 72½ m, 815 ton, 30½ knoop, 87 koppen. 1 x 9 cm kanon, geen torpedobuizen. Opm: Bij de bouw een triple-expansie machine, later een stoomturbine. -B109-klasse (1915) 98 m, 1870 ton, 37½ knoop, 114 koppen. 4 x 10½ cm kanons, 6 torpedobuizen van 50 cm. Opm: Voor eigen gebruik afgebouwde Russische bestelling voor een aantal grote Novik jagers. ▫Engelse jagers -M-klasse (1915) 82 m, 1040 ton, 34 knopen, 80 koppen. 3 x 10 cm kanons, 4 torpedobuizen van 53 cm. ▫Amerikaanse jagers -Flushdeck 4-stack destroyer van diverse klassen (1917) (zie afbeelding boven deze paragraaf) ca. 94½ x 9½ x 2½-3 m, 1150-1330 ton, 32-35 knopen, 122 koppen. 4 x 10½ cm kanons en 12 torpedobuizen van 53½ cm. Opm: Dit waren de 4-pijpers of 4-stackers waarvan Engeland er in 1940 in het kader van de Destroyers for Bases Agreement 50 stuks van de (toen nog neutrale) V.S. kreeg. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Britse F-klasse bakdek (= voordek één niveau hoger) destroyer HMS Fame in 1942. Engeland en Duitsland gaven vaak klassen kleine schepen zoals torpedobootjagers en onderzeeërs een letter die wij terugvinden in de naam van het schip. -Tweede Wereldoorlog ▫Duitse jagers -Z-klasse (1938) 125 m, 3470 ton, 38½ knoop, 313 koppen. 5 x 12½ cm kanons en 8 torpedobuizen van 53 cm. ▫Engelse jagers -K-klasse (1939) 109 m, 2370 ton, 36 knopen, 183 koppen. 6 x 12 cm kanons en 10 torpedobuizen van 53½ cm. Opm: De Tribal-klasse uit deze tijd is een andere dan die van vóór WO1. ▫Amerikaanse jagers -Fletcher-klasse (1942) 112½ m, 2990 ton, 37 knopen, 273 koppen. 5 x 12½ cm dual-purpose kanons en 10 torpedobuizen van 53½ cm. ▫Franse jagers -Fantasque-klasse (1931) 132½ m, 3435 ton, 40-43 knopen, 210 koppen. 5 x 14 cm kanons en 9 torpedobuizen van 55 cm. In 1941 kregen de torpedobootjagers voor de onderzeebootbestrijding de beschikking over de Hedgehog (stekelvarken), een mortier die een patroon van 24 kleine bommen (geen dieptebommen) ver voor het schip uit wierp. In 1943 werden zij uitgerust met de Squid, die 3 gewone dieptebommen ver voor het schip uit wierp. Dieptebommen waren, anders dan de kleine bommen van de Hedgehog, ook effectief als zij op enige afstand van het doel explodeerden. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Het Britse Loch-klasse fregat Ruthven in 1943 (zie gegevens') Escortevaartuig (incl. Fregat en Korvet) (menu, verklarende woordenlijst) Toen de geallieerden tijdens de wereldoorlogen en met name in de slag om de Atlantische Oceaan' en de Noordelijke IJszee (beide WO2) gedwongen werden terug te vallen op de konvooivaart, ontstond behoefte aan escortevaartuigen voor de commandovoering, luchtafweer, bescherming tegen torpedo- boten en onderzeebootbestrijding. Die taken werden tijdens WO1 verricht door torpedobootjagers, en tijdens WO2 door hulpcarriers, torpedobootjagers, fregatten en korvetten. Beide laatste werden speciaal voor dat doel ontworpen. Zij waren door hun zuigerstoommachines niet snel en konden dan ook niet in vlootverband varen met de slagvloot. Maar zij waren snel genoeg voor een konvooi van koopvaarders, en zij waren goedkoop en in korte tijd te bouwen. En dat was van groot belang in de race tussen bouwcapaciteit en tot zinken ge- bracht scheepsvolume en voor het wegwerken van de achterstand in escorte-capaciteit. Bovendien was er een schreeuwend tekort aan torpedobootjagers, die door deze invulling weer vrij kwamen voor hun taken bij de slagvloot. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Amerikaanse Casablanca-klasse escorte-carrier Kwajalein in1944. -Casablanca-klasse (1943), V.S., escorte-carrier 156½ m lang, vliegdek 33 m breed, 10.510 ton, 860 koppen. Triple-expansie machine, 19½ knoop. 1 x 12½ cm kanon, 28 vliegtuigen. Patrouilles op Pacific en Atlantische Oceaan. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Britse Hunt-klasse escorte-torpedobootjager Belvoir in 1939. -Hunt-klasse Type 1 (1939), Engeland, escorte-torpedobootjager (zie afbeelding boven) 85½ m lang, 922 ton, 146 koppen. Stoomturbine, 26 knopen, 2000 mijl bij 12 knopen. 4 x 10 cm kanons, geen torpedobuizen. -Loch-klasse (1943), Engeland, fregat (V.S.: destoyer escort) (zie afbeelding' boven deze paragraaf) 93½ m lang, 1453 ton, 140 koppen. Een fregat was kleiner en trager dan een vloot-torpedobootjager. Triple-expansie machine, 20 knopen, 6426 mijl bij 10 knopen. 1 x 10 cm kanon, 15 dieptebommen, twee Squid-installaties (die 3 dieptebommen ver voor het schip uitwierp). (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Brits korvet van de Flower-klasse (1940) -Flower-klasse (1940), Engeland, korvet In korte tijd en goedkoop te bouwen, vrij traag. 62½ m lang, 1179 ton, 85 koppen. Een korvet was kleiner en trager dan een fregat. Triple-expansie machine, 16 knopen, 2996 mijl bij 12 knopen. 1 x 10 cm kanon, 25-50 dieptebommen, vanaf 1941 Hedgehog (een mortier die een patroon van 24 kleine bommen, geen dieptebommen, ver voor het schip uit wierp). (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Britse kustverdedigings-monitor Havelock van de Abercrombieklasse uit 1915 (zie gegevens') Enkele specifieke scheepstypen (menu, verklarende woordenlijst) ▪Kanonneerboot en rivierkanonneerboot (menu, verklarende woordenlijst) Vaartuigen, bedoeld voor bestoken van doelen op de wal of voor de eigen kustverdediging. Vanaf eind 19e eeuw duidde men er een kleine bewapende boot mee aan, die zich voornamelijk van de torpedoboot onderscheidde door het type bewapening (kanons i.p.v. torpedobuizen en licht geschut). De rivierkanonneerboot was platgeboomd en had een geringe diepgang. Uiteenlopende tonnages en kanonkalibers, en lage snelheid door zuigerstoommachines. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Nederlandse kanonneerboot Johan Maurits van Nassau (1932) op de ree van Gibraltar gedurende de Spaanse Burgeroorlog. -Johan Maurits van Nassau (1932, WO2), Nederland, kanonneerboot 78½ x 11½ x 3½, 1793 ton, 15 knopen, 124 koppen. Triple-expansie zuigermachine. 3 x 15 cm kanons en 1 vliegtuig. Opm: In mei 1940 met succes ingezet tegen Duitse geschuts-stellingen op de Afsluitdijk bij Kornwerderzand. -Abercrombie-klasse (1915, WO1), Engelse kustverdedigings-monitor (kortstaartige kruiser) (zie afbeelding' boven dit hoofdstuk) 98 x 27 x 3 (!) m, 6150 ton, 6 knopen, 198 koppen. Quadruple-expansie zuigermachine 2 x 35½ cm kanons. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Britse Bangor-klasse mijnenveger (WO2) ▪Mijnenveger en mijnenlegger (menu, verklarende woordenlijst) -Een mijnenveger is een speciaal voor het opruimen van mijnen ontworpen schip, dat voor elk type mijn een specifieke veegtechniek toepast. Verankerde mijnen worden losgesneden met een gesleepte uitwaaierende gevlochten staalkabel met een paravaan aan het eind (sleeplichaam met vleugels voor het uitwaaieren en een snijklauw voor het doorsnijden van de verankeringskabel). De mijn gaat dan drijven en wordt tenslotte met boordwapens onschadelijk gemaakt. Voor magnetische en akoestische mijnen gebruikt men elektromagnetisch en akoestisch sleeptuig. Om de mijnenveger zelf te beschermen tegen magnetische mijnen zijn zij gebouwd van niet magnetiseerbare materiaal als hout, aluminium of polyester. Grotere typen mijnenvegers werden ook wel ingezet als escorteschip of als anti-onderzeeboot- korvet. -Een mijnenlegger is een voor het leggen van mijnen ingericht oppervlaktevaartuig of onderzeeboot. Overigens is vrijwel elk soort marinevaartuig in principe in staat mijnen te leggen, ook onderzeeërs. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Een op eigen kracht varend LCVP landingsvaartuig op het strand van Bougainville (1943) ▪Landingsvaartuig (menu, verklarende woordenlijst) Vaartuig met landingsklep in de boeg voor amfibische operaties met mariniers of tanks (o.a. in de Pacific en bij Normandië). Kleine typen (LCVP = Landing Craft Vehicle and Personnel, van enkele tientallen tonnen) vervoerden één peleton mariniers, de grote typen (LCU = Landing Craft Utility, tot ruim 200 ton) debarkeerden tanks en ander zwaar materieel. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Japanse carrier Akagi met het eiland aan bakboord (!) en met Kate' torpedovliegtuigen op het vliegdek in 1942. Op de achtergrond de carriers en slagschepen (van links naar rechts): Soryu, Hiryu, Hiei, Kirishima, Haruna, Kongo, Zuikaku, and Shokaku Japan was de enige grote zeemogendheid die het tactisch en strategisch belang van carriers met torpedo- en duikbommenwerpers in volle omvang inzag en was uitstekend op zo'n moderne oorlog voorbereid. Vergelijkende scheepsbouw WO2 (menu, verklarende woordenlijst) ▪Algemeen (menu, verklarende woordenlijst) Een marineschip is altijd een compromis tussen pantsering, snelheid (machine), geschut (kaliber), zeewaardigheid, actieradius en bewoonbaarheid. Bij een gegeven tonnage betekent dit dat elke ingreep ten koste gaat van één of meerdere van de overige factoren. Vóór WO2 waren alle marines onderhevig aan de beperkingen van het Vlootverdrag van Washington van 1922. De Duitse marine leed bovendien onder beperkingen die het Verdrag van Versailles haar aan het einde van WO1 opgelegde. Het Vlootverdrag van Washington van 1922 beperkte de marines in aantallen schepen en tonnages. Per land werd het aantal schepen per type vastgelegd dat een marine mocht bezitten. Een kruiser werd gedefinieerd tot maximaal 10.000 ton en 20,3 cm geschut. Daarboven, dus ook als het eigenlijk om een slagkruiser ging, telde als slagschip en slagschepen mochten niet groter zijn dan 35.000 ton met 35,6 cm geschut. Het totale tonnages van carriers werd beperkt tot 135.000 ton voor Engeland en de V.S. ieder, 81.000 ton voor Japan en 12.250 voor Frankrijk en Italië (= 5 : 5 : 3 : 1,75 : 1,75). De maximale tonnage van een nieuwbouwcarrier werd gesteld tot 27.000 ton. Verder mochten Engeland, de V.S. en Japan elk 2 schepen ombouwen tot carriers van maximaal 33.000 ton. Deze beperkingen leidden tot zo veel mogelijk gewichtsbesparing (lassen i.p.v. klinken, gebruik van aluminium waar sterkte geen rol speelde), scherp bij de grens van de bepalingen ontworpen nieuwe schepen, afdanken van oude slagschepen, afbouw van slagkruisers waarvan de kiel al was gelegd tot vliegdekschepen, en modernisering van de oudere slagvloot. De voorgeschreven tonnages werden overigens door vooral Japan, Duitsland en Italië bewust heimelijk overschreden. In 1935 sloten Engeland en Duitsland, na Duitse overschrijdingen van het verdrag, een bilaterale overeenkomst dat het Duitse tonnage van de oppervlaktevloot beperkte tot 35% van die van Engeland, en die van onderzeeërs tot 45%. Volgens de door het Verdrag van Versailles na WO1 aan de Duitse marine opgelegde beperkingen, mocht Duitsland geen schepen groter dan 10.000 ton bezitten. Duitsland stelde daarom de binnen deze beperkingen liggende Pantserkruiser-klasse het "vestzakslagschip" Graf Spee' in dienst. Duitsland had naast de beperkingen van het Verdrag van Versailles ook nog eens de handicap dat het niet kon beschikken over een ononderbroken periode van wijzigingen aan oude schepen en ontwikkelingen van het scheepsontwerp. In 1934 zegde Hitler eenzijdig het verdrag op en bouwde Duitsland de slagkruisers Scharnhorst en Gneisenau, 9x28 cm kanons, 32 knopen, die ook wel ten onrechte als snelle slagschepen worden geclassificeerd. En toen ook in 1936 het Vlootverdrag van Washington afliep, zonder zicht op een verlenging, brak een nieuwe wapenwedloop uit. De V.S. hadden het grootste potentieel aan werfcapaciteit. Zij konden daardoor in korte tijd veel werfcapaciteit bijbouwen voor de snelle productie van grote aantallen van een zorgvuldig gekozen ontwerp. Zo was de bouwtijd van de kleine escorte-carriers van de Casablanca'-klasse slechts 3½ maand. Bovendien bezaten zij een grote reparatie-capaciteit, wat blijkt uit de snelle reparatie van veel in Pearl Harbor beschadigde schepen, en de reparatie van buitenlandse schepen als de Engelse carrier Illustrious en het Franse slagschip Richelieu'. Ook in de regio was de herstelcapaciteit opvallend groot. Zo werd de tijdens de Slag in de Koraalzee' zwaar beschadigde carrier Yorktown' in slechts drie dagen i.p.v. de aanvankelijk geschatte drie maanden klaargemaakt voor de Slag om Midway'. De Engelsen hadden weliswaar een grote direct inzetbaar werfpotentieel, maar deze was deels ver- ouderd en weinig flexibel. De marines van Engeland, Italië, Japan en de V.S. begonnen de oorlog naast hun nieuwbouw met verbouwde oude slagschepen uit WO1. De Duitsers en de Fransen hadden aan het eind van WO1 geen vloot, en waren dus geheel op nieuwbouw aangewezen. Vanaf begin WO1 waren de slagschepen van de V.S., spoedig gevolgd door de andere marines, beschermd door het alles-of-niets principe, met een zo dik mogelijk pantser rond de vitale delen en slechts dun gepantserde stevens. Alle marines onderschatten de dreiging van een luchtaanval. De Japanse marine onderkende als enige de offensieve kracht van carriers met torpedo- en duikbommenwerpers, maar verzuimde net als alle andere marines voldoende luchtafweer op de schepen te plaatsen. Vooral carriers, die behalve bij de Britse marine, een ongepantserd houten vliegdek hadden, waren bijzonder kwetsbaar voor luchtaanvallen. Dit bleek met name bij de ondergang van de Japanse carriers in de Slag om Midway en bij de kamikaze -aanvallen aan het eind van de oorlog. Er werd teveel vertrouwd op het eigen jagerscherm. Tijdens de oorlog werd de luchtafweer op de schepen dan ook sterk uitgebreid, zowel op de schepen zelf, als door ombouw tot luchtafweerkruisers. Tijdens WO2 hadden Duitland en Italië geen zelfstandige marine-luchtmacht, wat de ontwikkeling van het dienstvak sterk zou hebben afgeremd als de voorgenomen bouw van carriers ook daadwerkelijk zou zijn uitgevoerd. In Engeland kreeg de marine pas in 1937 een eigen luchtmacht, eigenlijk te laat voor een goede ontplooiing. Duitsland had, net als de V.S., aan het begin van de oorlog problemen met het magnetisch pistool van haar torpedo's. Ook had het, zoals de Britten aan het begin van WO1, problemen met haar granaten die te vaak blindgangers bleken te zijn. Radar en Asdic (onderwater echolocatie, in de V.S. Sonar genoemd) werden beide al vóór WO2 ontwikkeld, en voor beide was er in WO2 een belangrijke rol weggelegd. De Engelsen ontwikkelden Asdic, maar het systeem had beperkingen. Het werkte minder goed in zeer koud water, en het doel verdween bij dichte nadering in de blinde kegel. De Duitse radar werkte met een kleinere golflengte (120 cm) dan die van de Britten (ca. 10 m) waardoor zij met een kleinere antenne konden volstaan. Deze kleinere antenne maakte voor de Duitsers de ontwikkeling van radar aan boord van schepen mogelijk. De Engelsen ontwikkelden echter ook al gauw een type met een kortere golflengte van 1,5 m, waarna de aanvankelijke voorsprong van het Duitse maritieme radar al in 1941 verloren ging. Bij de radar- research had Duitsland tot 1942 nog geen achterstand. Radar kreeg vóór en in het begin van de oorlog in Duitsland echter minder aandacht dan in Engeland, oorzaak van een grote achterstand in de toepassing ervan tegen vliegtuigen. Tenslotte verscheen in 1943 aan geallieerde zijde de 10 cm kortegolf radar (ASV) voor gebruik op vliegtuigen en escorteschepen in hun strijd tegen de U-boten, in het laatste oorlogsjaar gevolgd door het 3 cm radar. Ook in de V.S. en Frankrijk werd nog vóór de oorlog radar ontwikkeld. Japan en Italië volgden pas tegen het eind van de oorlog. Als men de situatie aan het begin van WO2 kort zou willen typeren, zou die er als volgt uit kunnen zien: -Duitsland Briljant ontworpen, maar te kleine schepen door de extra beperkingen die haar na WO1 door het Verdrag van Versailles waren opgelegd. Maritieme radarinstallatie. Goede onderzeeboten. -Engeland Conventionele, sobere en evenwichtige ontwerpen. Maritieme radarinstallatie. Aan het begin van WO2 de grootste en efficiëntste vloot. -Frankrijk Uitstekende en snelle schepen, maar beperkt zeewaardig en met onvoldoende actieradius. Mari- tieme radarinstallatie. Een te kleine vloot. -Italië Redelijk ontworpen schepen, maar onvoldoende onderwaterpantsering en een onvoldoende actieradius. -Japan Uitstekende, en originele ontwerpen met een grote actieradius, maar weinig zeewaardig. Superieure carriers-vloot. -V.S. Conventionele, sobere en evenwichtige schepen met een grote actieradius. Maritieme radar- installatie. Zéér groot potentieel voor het vergroten van de werfcapaciteit voor nieuwbouw en reparaties. Een voortdurende stroom van nieuwe carrier-vliegtuigen en een onuitputtelijk reservoir goed opgeleide piloten. -Rusland Van weinig betekenis. Door gebrek aan "know how" bijna geheel afhankelijk van buitenlandse hulp. Heeft eigenlijk alléén voldoende onderzeeërs, en dan nog grotendeels voor de kustverdediging. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Duitse zware kruiser Prinz Eugen in 1946 (zie gegevens') ▪Duitsland (Kriegsmarine) (menu, verklarende woordenlijst) (zie ook Strijd om de Atlantische Oceaan' en Strijd in de Noordelijke IJszee') -Algemeen Duitsland maakte enkele briljante ontwerpen, die echter ontsierd werden door een paar gebreken en door hun geringe afmetingen, gevolg van de beperkingen die voortvloeide uit het Verdrag van Versailles. Onder Hitler was Duitsland begonnen aan een enorm nieuwbouwprogramma onder de naam "Plan Z". Het voorzag in een sterke vloot in 1944 -1945, bestaande uit 8 snelle slagschepen, 5 slag- kruisers, 4 carriers, 200 U-boten en vele lichte kruisers en torpedobootjagers. De oorlog kwam dus voor Duitsland 5 jaar te vroeg. Verder maakte Duitsland over het algemeen onvoldoende gebruik van de beschikbare technische ontwikkelingen zoals radar. In het begin van de oorlog waren er problemen met de granaten (veel blindgangers) en met het magnetisch pistool van de torpedo's. Zelfs die met contactpistool waren nog lang onbetrouwbaar. De Duitse oppervlakteschepen werden overigens redelijk effectief door de Britten in hun havens geblokkeerd. Alléén de uitstekende U-boten zouden tijdens WO2 een reële bedreiging vormen. In feite bestond de oorlogsinspanning van de Duitse Kriegsmarine slechts uit aanvallen op handels- vaartuigen en verbindingslijnen met U-boten en oppervlakte-raiders. De oppervlakte-raiders dienden vooral het strategische doel veel grotere Britse vlooteenheden aan zichzelf en aan de konvooien te binden. De succesvolste oppervlakte-raiders waren de vestzak- slagschepen, de slagkruisers Scharnhorst en Gneisenau, en de als handelsschip vermomde kaperschepen in de vorm van omgebouwde vrachtvaarders met 5 tot 8 15 cm kanons, torpedo- buizen en mijnen. Hun operatiegebied bestreek alle oceanen, waar zij werden ondersteund door een uitgebreid netwerk van bevoorradingsschepen voor het midden op zee overnemen van brandstof en munitie. Hun successen lagen in de periode 1940-1942, totdat de geallieerden geleerd hadden hun konvooien efficiënt met escortes en luchtbescherming te verdedigen. Het snelle slagschip de Tirpitz was door haar dreigende aanwezigheid in de Noordelijke IJszee een succesvolle raider tegen de konvooien op Moermansk, ook al liep zij zelf nauwelijks de Altenfjort uit. -Carriers De bouw van de enige Duitse carrier Graf Zeppelin werd niet voltooid. Bovendien verzette de Luftwaffe zich tegen de oprichting van een onafhankelijke marine lucht - macht, wat fataal is voor de ontwikkeling van een efficiënte carriervloot. -Slagschepen De Duitse kapitale schepen kenmerkten zich door een Atlantische boeg (klipperboeg) die de zeewaardigheid verbeterde, een schoorsteenkap en een wapenschild aan de zijkant van de boeg. Na WO1 verloor Duitsland vrijwel haar gehele marine, hoewel dat ook het voordeel had dat alle ontwerpen in WO2 nieuw waren. Het ontwerp leed echter onder de na WO1 opgelegde beperkingen (zoals bij het vestzakslagschip van de Deutschland'-klasse), en onder de onderbreking van de continuïteit in de ontwikkeling van het ontwerp, merkbaar bij de slagschepen van de Bismarck'-klasse. De ontwikkeling en zelfs het gebruik van slagschepen eindigde in 1942 met een bevel daartoe tijdens één van die beruchte driftbuien van de in zijn vloot teleurgestelde Hitler. De Duitse slag- schepen werden gedurende de oorlog dan ook nauwelijks ingezet. De vestzakslagschepen van de Deutschland-klasse, de tot Lützow omgedoopte Deutschland, de Admiral Graf Spee' en de Admiral Scheer waren briljant ontworpen, maar door de opgelegde beperkingen eigenlijk te klein, en daardoor niet zo geslaagd als wel wordt beweerd. Eigenlijk waren het meer pantserkruisers dan slagschepen en waren zij niet beter beschermd dan een gemiddelde kaliber 20½ cm kruiser. De klasse had 28 cm kanons in slechts twee torens, zodat zij haar vuur niet over meer doelen kon verdelen, de belangrijkste oorzaak van de ondergang Graf Spee tijdens de Slag bij de Rio de la Plata'. Haar dieselvoortstuwing was lichter en zuiniger dan de conventionele turbine, en gaf dus een grote actieradius, waardoor het wel een goede handelskapers waren. De schepen van de Scharnhorst-klasse, de Scharnhorst en de Gneisenau waren meer slagkruisers dan slagschepen. Zij waren zwak gepantserd en haalden een snelheid van 32 knopen. Het geschut had een kaliber van slechts 28 cm, en het uit twee kalibers bestaande secundair geschut (15 en 10½ cm) belastte het tonnage teveel. De kleine actieradius als gevolg van de stoomturbines maakten hen minder ongeschikt voor kaapvaart, hoewel zij door een netwerk van bevoorradings- schepen daar toch wel succesvol in waren. De schepen van de Bismarck-klasse, de Bismarck en de Tirpitz waren de grootste slagschepen uit WO2 na de Yamato'-klasse (Japan) en Iowa'-klasse (V.S.). Zij waren echter nauwelijks meer dan een vergroting van de dreadnought Baden uit de WO1. De zeewaardigheid was matig en de communicatiesystemen waren slecht beschermd door het te laag liggend pantserdek. Het geschutskaliber van 38 cm was niet beter dan dat van oudere en kleinere slagschepen. Net als bij de Scharnhorst-klasse nam het uit twee kalibers bestaande secundair geschut (15 en 10,5 cm) een te groot deel van de beschikbare tonnage in. De Bismarck was dan ook niet zo subliem als wel werd beweerd. Zij was succesvol tegen de Hood' door een lange-afstands treffer met grote elevatie die insloeg op te zwakke horizontale pantsering van de Hood, maar zij was geen partij voor de Rodney' en de King George V. Van een wel gesuggereerd revolutionair pantsermateriaal was overigens geen sprake. -Kruisers Duitsland had geen tactische of strategische behoefte aan lichte kruisers. Hoewel men een paar bouwde, waren het toch de zwaardere kruisers die meer van zich lieten horen, hoewel ook zij relatief weinig werden ingezet. De Hipper-klasse, met de Prinz Eugen' en de Blücher, waren goed ontworpen zware kruisers. Voor gebruik als handelskapers gaven de stoomturbines echter een te beperkte actieradius. -Torpedobootjagers Duitsland bouwde grote jagers, ergens tussen de afmetingen van een kruiser en een jager in. De schepen bleken echter te kostbaar (het betreft immers de grootste klasse die men als vervang- baar beschouwde), en het veelal ingebouwde 15 cm geschut was te zwaar voor deze klasse. Zij bleken inferieur aan de in grotere aantallen te bouwen kleinere torpedobootjagers als die onder dekking van een kruiser opereerden. Wel werden zij met succes ingezet als snelle mijnenleggers. -Onderzeeboten (zie ook Strijd om de Atlantische Oceaan') Anders dan bij de slagschepen en de kruisers werd de ontwikkeling van onderzeeboten niet onderbroken doordat Duitse teams bouwden in opdracht van andere mogendheden (o.a. voor Nederland). Tot 1943 waren de U-boten aan de winnende hand, ondanks de aanvankelijke problemen met het magnetisch pistool van de torpedo's. Daarna keerde het tij als gevolg van het nieuwbouwpro- gramma en de technologie van de geallieerden, dat zich vertaalde in moderne nieuwe schepen, nieuwe typen radar, (diepte)bomwerpinstallaties op schepen, en raketten en akoestische torpedo's voor vliegtuigen. Eind 1943 waren de U-boten feitelijk verslagen. Nieuwe Duitse technologie voldeed niet of kwam te laat (akoestische torpedo, pillenwerfer, radar- detector, luchtafweergeschut en snorkel). ▫Type VII Zie afbeelding' of gegevens'. Standaardschip voor de korte afstand. Uitstekend ontwerp, beperkte actieradius, grotere duikdiepte dan die van de andere marines. ▫Type IX Zie afbeelding' of gegevens'. Standaardschip voor de oceaanvaart. Groter en zeewaardiger dan de voorgaande. ▫Type XXI Zie afbeelding en gegevens'. Gestroomlijnd, meer batterijen en een snorkel voor een hoge onderwatervaart van 16 mijl. ▫Type XVII Gesloten circuit Walther turbinesysteem op basis van H2O2. Voldeed niet, bleek gevaarlijk en kwam te laat in productie. Opm: Er lagen plannen voor U-boten met een gesloten circuit diesel. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Britse super-dreadnought Nelson (1927), zusterschip van de Rodney (1927), te Spithead in 1937. Een zeer aanvallend concept met drie voor de opbouw geplaatste torens en geen enkele naar achteren, en een goede bescherming. Op de achtergrond liggen twee slagschepen van de Queen Elizabeth-klasse en twee kruisers van de London-klasse voor anker. (zie plattegrond' en gegevens') ▪Engeland (Homefleet) (menu, verklarende woordenlijst) (zie ook Strijd om de Atlantische Oceaan', Strijd in de Noordelijke IJszee' en Strijd in de Middellandse Zee') -Algemeen Engeland begon de oorlog met de grootste marine, en nam aan het einde achter de V.S. de tweede plaats in. Britten ontwierpen en bouwden van oudsher hun schepen volgens het principe van "beter veel goede schepen dan enkele excellente". Dit om in staat te zijn de wereldwijd gespreide Britse belangen overal tegelijk te kunnen verdedigen, en dat zonder de thuisvloot te verwaarlozen. Gevolg was dat de schepen vaak kleiner, conservatiever en minder spectaculair waren. Zo waren Britse kruisers trager dan Italiaanse en minder zwaar bewapend dan Japanse kruisers. De Engelse marine doormaakte, anders dan de Duitse, een ononderbroken ontwikkeling. Dit leidde tot een betere interne bescherming, waardoor de schepen een groter incasseringsvermogen hadden. De Engelse "damage-control standards" waren echter minder dan elders, reden van onnodig verlies van enkele zware bodems, zoals dat van de carrier Ark Royal' die na torpedering in de Middellandse Zee in 1941 ten onder ging. Anders dan wel wordt beweerd (o.a. m.b.t. de Bismarck), bleek bij naoorlogse proeven dat het Engelse pantser niet onderdeed voor het Duitse. Toen het tekort aan voldoende luchtafweer aan het licht kwam, werd dit uitgebreid met 40 mm Bofors en 20 mm Oerlikon geschut. De oude pom-pom, met zijn hoge vuursnelheid maar geringe bereik, bleef daarnaast in gebruik. De onderschatting van de luchtdreiging betrof ook de weerstand tegen shock-damage door near- missers van vliegtuigbommen, oorzaak van de ondergang van de Prince of Wales' in de Pacific terwijl dit schip eerder weinig schade leed onder de treffers van de Bismarck. Fatale delen zoals de hulpmachinerieën werden voortaan flexibel gemonteerd. -Carriers (zie ook hfdst. De ontwikkeling van het mechanisch voortbewogen zeeschip, paragraaf Carrier...') Engeland had aan het begin van de oorlog een achterstand met haar carriers, niet door haar schepen, maar door aantal en kwaliteit van haar marinevliegtuigen. Toen in 1918 de RAF werd opgericht verzuimde men de marine een onafhankelijke vlootarm te geven. Dat resulteerde in verwaarlozing van de marine-luchtmacht door de RAF, en maakte dat ook de admiraliteit haar luchtmacht voornamelijk een verkenningstaak toeschreef, met eventueel een taak als torpedo- platvorm. Men beschikte daardoor uitsluitend over de totaal verouderde Swordfish' tweedekker, die het overigens opvallend goed bleek te doen als torpedovliegtuig. Pas in 1937 besloot men tot de oprichting van een marine-luchtmacht, maar toen was het al te laat voor een goede ontwikkeling en opbouw. Dit ondanks de introductie van de Seafire' (aangepaste Spitfire) en van de van de Amerikanen overgenomen Wildcat' (= Marlet), Hellcat' en Avenger', en van de zelf geproduceerde mislukking, de Barracuda', een duikbommenwerper/torpedovliegtuig. De taken van de Britse carriers bestonden uit vlootaanvallen (zoals de torpedo-aanval door Swordfishes op de Italiaanse slagvloot in Tarente), konvooibegeleiding op de Atlantic en op de Middellandse Zee, en het voorkomen van landingen in het gebied van de Middellandse Zee. Britse carriers hadden, anders dan Japan en de V.S., een gepantserd vliegdek en een doosvormig gepantserde hangar, ook al ging dit ten koste van de vliegtuig-capaciteit. Dit was ingegeven door de aanwezigheid van landvliegtuigen in de nauwe wateren van Noordzee en Middellandse zee, maar het bleek ook in de Pacific nuttig tegen zowel gewone luchtaanvallen als tegen kamikaze-aanvallen. De carriers van Japan en de V.S. bleken bij luchtaanvallen relatief kwetsbaar. -Slagschepen Bij aanvang van oorlog stamden de meeste Engelse slagschepen nog uit WO1, al dan niet verbouwd. De R-klasse (o.a. Royal Oak en Revenge') bestond uit slechts licht verbouwde slagschepen van de Royal Sovereign-klasse uit WO1. Zij waren bewapend met 8 x 38 cm kanons, maar hadden te weinig horizontale pantsering en liepen slechts 21 knopen, reden waarom zij functioneerden als second line slagschepen voor escorte-taken en kustbeschietingen. Van de Queen Elizabeth'-klasse uit WO1 werden o.a. de Queen Elizabeth zelf en de Warspite verbouwd. Zij waren bewapend met 8 x 38 cm kanons en liepen 25 knopen. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Zijaanzicht van de Britse Repulse, gebaseerd op de slagschepen van de Revenge-klasse, maar in 1916 als slagkruiser afgebouwd. De Repulse en de Renown werden na WO1 verbouwd maar bleven na wijzigingen in het ontwerp in feite slechts extra gepantserde slagkruisers. De bewapening van slechts 6 kanons kaliber 38 cm was voor een slagschip te weinig. Ook de Hood' werd na WO1 afgebouwd als slagkruiser en neigde na verbouwingen naar een snel slagschip, maar werd daarop ten onrechte ook zo geclassificeerd. Zij had i.v.m. de gespreide bewapening immers een relatief dun pantser (vooral horizontaal) i.p.v. het alles-of-niets principe van schepen met een compactere opbouw (een zware middengordel maar dun pantser aan de stevens). De noodzakelijke nieuwe verbouwing zou twee jaar duren en bleef i.v.m. de oorlogsdreiging uit. De uitwatering van het achterdek was na de laatste verbouwing te klein. De Hood had 8 x 38 cm kanons en liep na de laatste verbouwing 29 knopen. De Nelson en de Rodney' waren weliswaar slagschepen van na WO1, maar inmiddels toch al wat ouder. In deze klasse waren wel alle lessen van WO1 verwerkt. Zij waren de eerste Engelse slagschepen die gepantserd waren volgens het alles-of-niets principe, en waren uitstekend beschermd. Alle drie de drieling-torens met 40½ cm kanons bevonden zich op het voordek vóór de naar achteren geplaatste brug. De breedte van 32½ m was die welke maxi- maal in de toenmalige droogdokken paste. De vaart bedroeg 23 knopen. De King George V-klasse (5 schepen, waaronder de Duke of York en de Prince of Wales) was nieuw. Zij hadden een goede alles-of-niets pantsering. De weerstand tegen shock-damage van near-missers van vliegtuigbommen was net als bij haar tijdgenoten nog onvoldoende, en ook het luchtafweer moest sterk worden uitgebreid. De klasse was bewapend met 10 x 35½ kanons in vierlingtorens. Dit betrekkelijk kleine kaliber met een relatief korte dracht werd echter gecompenseerd door het aantal en bleek uitstekend te voldoen. Het kleinere kaliber was het gevolg van het feit dat het schip werd ontworpen toen het Vlootverdrag van Washington nog van kracht was. Zwak punt was de geringe uitwatering van de boeg, gevolg van de ontwerp-eis op zeer korte afstand naar voren vuur te kunnen geven. De schepen liepen 29½ knoop. -Kruisers Veel bestaande snelle lichte kruisers werden omgebouwd tot luchtafweer-kruisers met high angle 10 cm geschut. De zware tot lichte kruisers waren uitgerust met 20½ tot 15 cm + 10 cm kanons, en voerden 53½ cm torpedobuizen. De vaart bedroeg 31-33 knopen. vb. York-klasse middelzware kruiser (Exeter', de laatste Engelse kruiser met 20½ cm kanons) Leanderklasse lichte kruiser (Ajax', Achilles, beide met 15½ cm kanons) Aangepaste Leanderklasse (Hobart, Perth en Sydney) -Torpedobootjagers De jagers werden gewoonlijk bewapend met 10, 11½ of 12 cm kanons, en met 53½ cm torpedobuizen. Zij liepen 34-36 knopen. Behalve binnen vlootverband werden zij ook ingezet voor konvooi-escorte. -Onderzeeboten De Engelse onderzeeërs doken minder diep dan de Duitse, maar doken wel sneller wat van groot belang was bij luchtdreiging. Toch gingen er in het heldere water van de Middellandse Zee 45 verloren, tegen 28 in de troebele noordelijke wateren. Tijdens de oorlog werd geleidelijk het lichte en sterke lasprocede ingevoerd. Omdat men verwachtte de onderzeeërs te moeten gaan inzetten tegen goed verdedigde doelen en minder tegen koopvaarders, wat een grotere aanvalsafstand met zich meebracht, besloot men het aantal boegbuizen te vergroten voor een groter salvo torpedo's ineens. Uiteindelijk werden zij in de Middellandse Zee, behalve tegen marinedoelen, ook ingezet tegen de vijandelijke Noord-Zuid konvooi-route, en voor de bevoorrading van Malta. -Fregatten (V.S.: destoyer escorts) Deze schepen waren kleiner en trager dan vloot-torpedobootjagers. Zij waren immers ontworpen voor de taken escorte en onderzeebootbestrijding. De schepen hadden geen turbine, maar een triple-expansie machine die een snelheid gaf van 20 knopen. -Korvetten Korvetten waren kleiner en trager dan fregatten, en waren eveneens ontworpen voor de taken escorte en onderzeebootbestrijding. Zij waren in korte tijd en goedkoop te bouwen. Net als de fregatten waren zij uitgerust met een triple-expansie machine waardoor zij vrij traag liepen, 16 knopen. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Het Franse slagschip Richelieu in 1943, kort na votooiing in de V.S. Let op de camouflage door de opgeschilderde valse stevens. Dit betreft een bijgesneden identificatiefoto van de US Navy. ▪Frankrijk (menu, verklarende woordenlijst) -Algemeen Aan het eind van WO1 had Frankrijk door de intensieve landoorlog geen noemenswaardige marine. De Fransen kozen liever voor nieuwbouw dan die paar oude schepen intensief te verbouwen om aan de moderne eisen te voldoen. En net als de andere marines leed ook de Franse marine onder de beperkingen van het Vlootverdrag van Washington. Bovendien verliepen ontwerpfase en bouw van de schepen opmerkelijk traag, tweemaal zo traag als in Engeland. Gevolg was dat Frankrijk aan het begin van de oorlog nog steeds nauwelijks een vloot bezat, hoewel die wel bestond uit nieuwe uitstekende schepen, vooral m.b.t. de zware kruisers en de grote snelle torpedobootjagers. Franse schepen vielen vaak op door een hoge vaart. Omdat men aanvankelijk Italië als de grootste dreiging zag, en pas later Duitsland, was de vloot ontworpen voor de omstandigheden van de Middellandse zee en de zuidelijke Noordzee. De schepen waren daardoor vaak minder geschikt voor de oceaanvaart, door grootte dan wel i.v.m. een beperkte actieradius. Andere marines waren door ligging en marinetaken meer geneigd tot zeewaardiger ontwerpen, zoals kruisers i.p.v. de grote torpedobootjagers. Frankrijk bezat de technologie voor radar. De Duitsers kregen bij de bezetting in juni 1940 overigens geen enkele intacte radarset in handen. De nieuwbouw stopte natuurlijk met de bezetting van Frankrijk. Diverse schepen ontsnapten, al dan niet voltooid. Vele kwamen echter met de capitulatie-voorwaarden onder controle van de pro-Duitse Vichy regering. In juli 1940 sommeerde de Britten de Franse vloot te demilitariseren. Helaas werden zij vervolgens gedwongen deze vloot in de haven van Mers-el-Kebir met hun geschut buiten gevecht te stellen. -Carriers Frankrijk bezat één als carrier afgebouwd slagschip. Het was geen succes waarna de Fransen terugvielen op de bouw van een vliegtuigmoederschip voor watervliegtuigen en vliegboten. Tenslotte zag men toch de noodzaak voor carriers in en werd besloten tot de nieuwbouw van twee schepen. De eerste was bij uitbreken van de oorlog niet klaar. Het waren trouwens slechte ont- werpen. -Slagschepen De verbouw van de kleine oude slagvloot werd beperkt om geld en werfcapaciteit vrij te maken voor nieuwbouw. De oude vloot was daardoor te slecht gepantserd en te traag om in WO2 een rol te kunnen spelen, en de nieuwbouw verliep te traag om op tijd een volwaardige slagvloot op te bouwen. Nietemin waren de nieuwe Franse schepen van hoge kwaliteit. De slagkruisers Dunkerque en Strasbourg waren ontworpen en ook beslist in staat het op te nemen tegen de Duitse slagkruisers en vestzakslagschepen, of tegen de Italiaanse slagvloot. De 8 x 33 cm kanons waren ondergebracht in twee vierling torens die beide op het voordek stonden. Het secundaire geschut van 16 x 13 cm, eveneens gedeeltelijk in vierling torens, was geen succes i.v.m. de slechte hanteerbaarheid en de kwetsbare constructie, vooral bij dual-purpose toepassing als luchtafweer. De vierling torens waren bedoeld om het tonnage te beperken en zo een betere alles-of-niets pantsering mogelijk te maken, maar bemoeilijkte tegelijk het vuren op meer doelen tegelijk. Zwak punt was verder dat de hoofdbewapening op alléén het voordek wel achterlijker dan dwars kon vuren, maar dat dit zeer ongewenst was i.v.m. de enorme drukgolf ervan op de opbouw. Bovendien was de actieradius onvoldoende. De pantsering was beperkt, maar voldoende voor de taken van een slagkruiser. De schepen liepen 30½ knoop. De Richelieu' en de Jean Bart waren in feite een vergrote versie van de Dunkerque-klasse, en vertoonden dan ook een grote overeenkomst in silhouet. Het waren slagschepen met 8 x 38 cm kanons in vierling torens op het voordek, met dezelfde voordelen en nadelen. De secundaire bewapening van 9 x 15 cm kanons bevond zich nu in drieling torens. De Richelieu was voorzien van een radarinstallatie. Dit schip zag overigens kans te ont- snappen en werd in de V.S. gerepareerd en afgebouwd. De klasse liep 32 knopen. -Kruisers Frankrijk bouwde geen lichte kruisers, maar wel uitstekende zware kruisers. Met name de Algérie was voortreffelijk met haar 8 x 20½ cm kanons, 31 mijl, goede bescherming, goede luchtafweer, voldoende actieradius, en vanaf 1942 zelfs een oorspronkelijk Franse radar- installatie. Zij was echter minder geschikt voor oceaanvaart. Zij verstookte kolen als brandstof. De Fransen hielden langer vast aan kolen omdat zij in bunkers in de zijden een goede bescherming zagen tegen torpedo's. Andere marines zagen meer in olie, om het daarmee uitgespaarde gewicht aan pantsering te besteden. De Fransen gingen tenslotte ook op olie over, maar dan vanwege de grotere actieradius ervan. -Torpedobootjagers Frankrijk bouwde veel zéér grote en zéér snelle torpedobootjagers i.p.v. lichte kruisers. Deze jagers waren bewapend met 14 cm kanons en liepen ruim 40 knopen, de Fantasque zelfs 43 knopen. Afmetingen en de beperkte actieradius maakten hen echter alléén geschikt voor de kustvaart. De Franse middelzware torpedobootjagers liepen 37 knopen. -Onderzeeboten Frankrijk had aan het begin van de oorlog 77 goede onderzeeërs in dienst, wat niet verbaast gezien haar bijdrage aan de ontwikkeling van dit scheepstype. Grofweg bouwde Frankrijk drie typen onderzeeërs: ▫Oceaantypen met een hoge bovenwatervaart van 19-21 knopen voor taken in vlootverband of voor patrouille-vaart. ▫Kusttypen ▫Mijnenleggers (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Het Italiaanse slagschip Roma van de Vittorio Veneto-klasse (1942) ▪Italië (menu, verklarende woordenlijst) (zie ook Strijd in de Middellandse Zee') -Algemeen Vanaf het moment dat Italië op 10 juni 1940 in de oorlog kwam tot de geallieerde invasie in Noord- Afrika in nov. 1942, had Italië op papier de sterkste vloot in de Middellandse Zee. Toch kenmerkte zij zich vooral door inactiviteit en nederlagen, en wel als gevolg van de angst van politici en de admiraliteit om schepen te riskeren. Niet door de kwaliteit van schepen of zeelieden. De zwaardere bodems kenmerkten zich door een slechte onderwater-pantsering. Italië bouwde een combinatie van lichte snelle kruisers en middelgrote zéér snelle torpedobootjagers. De technologie voor radar werd pas tegen het einde van de oorlog ontwikkeld. -Carriers Bij aanvang van de oorlog moest men constateren dat luchtdekking van de vloot door landvlieg- tuigen niet voldeed. De marine ging er daarom toe over twee passagierschepen mede met delen van de geannuleerde Duitse Graf Zeppelin om te bouwen tot carriers. Beide werden echter nog voor de afbouw door luchtaanvallen vernietigd. -Slagschepen Italië begon de oorlog naast hun nieuwbouw met vier grondig verbouwde dreadnoughts uit WO1. Zij werden verlengd en voorzien van krachtiger machines voor een vaart van 26 knopen, en kregen 32 cm kanons en een betere pantsering. Toch werd het geen succes omdat het originele ontwerp niet goed was en de pantsering onvoldoende bleef. Men had beter gekozen voor een verbouwing tot schepen met minder snelheid en tenminste een betere horizontale pantsering. Italië beschikte verder over drie nieuwe slagschepen met een snelheid van 28 knopen en uitgerust met 38 cm kanons (o.a. de Vittorio Veneto'). Zij waren redelijk ontworpen, zij het met een beperkte actieradius en vooral met een matige onderwater-pantsering. -Kruisers De Italianen bouwden lichte en zware kruisers, bewapend met 15 respectievelijk 20½ cm kanons. Zij kenmerkten zich door een erg licht gepantsering, en de zware kruisers waren net als de slag- schepen ook onder water onvoldoende beschermd. Dit lijkt de prijs voor het streven naar snelheid. Er werden snelheden geclaimd van 34 tot 42 knopen. Deze werden echter gemeten tijdens proefvaarten in onafgebouwde staat, leeg en vaak zonder bewapening. Meestal lag de werkelijke maximum snelheid rond een teleurstellende 30 knopen. Ook de actieradius was beperkt. -Torpedobootjagers Italië bouwde vooral middelgrote zéér snelle torpedobootjagers tot 38 mijl en met een bewapening van 12 cm kanons en torpedobuizen. De Italianen beschikten over een zeer goede onderzeebootbestrijding. -Onderzeeboten Italië had de sterkste vloot onderzeeërs ter wereld (Rusland had in aantallen de grootste onder- zeebootvloot). Zij deelden echter in de Italiaanse malaise en boekten weinig succes. Duitse onderzeeërs die door Hitler in 1941 naar de Middellandse Zee werden gezonden, presteerden wel naar behoren. De onderzeeërs waren ruwweg te verdelen in drie typen: Onderzeeërs van 600-800 ton en 14-17 knopen boven water. Grotere van 1000 tot 1500 ton, 17 knopen boven water en 8-9 knopen onder water). En mini-onderzeeërs die naar hun doel werden gebracht op het dek van gemodificeerde normale onderzeeërs. Italiaanse onderzeeërs doken over het algemeen traag, wat hen kwetsbaar maakte voor lucht- aanvallen. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De lichte Japanse carrier Ryujo (180 x 20¾ x 7 m, 15.000 ton, 29 knopen, 48 vliegtuigen waarvan 38 operationeel, 1933), niet te verwarren met de Ryuho van 1942. Zij bleek topzwaar en weinig stabiel, en werd dan ook al snel verbouwd om het schip zeewaardiger te maken. Een flushdeck zonder eiland zien wij wel vaker bij de kleinere Japanse carriers. In het geval van de Ryujo bevond de brug zich ongebruikelijk onder de voorrand van het vliegdek. Toch woog het voordeel van de geringe turbulentie niet op tegen de moeilijker navigatie en het geringe zicht bij vliegdek-operaties en bij een vijandelijke luchtaanval. Let op de voor Japanse carriers karakteristieke open dek-constructie en de neerklapbare schoorstenen aan stuur- boord. De uitwatering was gering, bij de hek zelfs maar 3 m. De Ryujo werd in 1944 bij een Amerikaanse carrier- aanval tot zinken gebracht. Klik in de afbeelding voor een hogere resolutie. ▪Japan (menu, verklarende woordenlijst) (zie ook Oorlog in de Pacific') -Algemeen Japan bleek in staat uitstekende en originele ontwerpen tot stand te brengen. Vooral de carriers lagen ver voor die van de andere marines. Het was eigenlijk de enige grote zeemogendheid die vóór WO2 al het doorslaggevend belang van grote carriers inzag. De noodzaak een oorlog over de grote afstanden van de Pacific te voeren om de import van olie en strategische materialen te verzekeren, dwong Japan tot de bouw van grote schepen met een grote actieradius, die daardoor kostbaar waren en een lange bouwtijd vergden. Het streven naar zware bewapening en hoge snelheid binnen de restricties van het Vlootverdrag van Washington leidde in het begin van de oorlog tot te licht gebouwde en weinig zeewaardige oorlogsschepen. Sommige liepen zelfs reëel gevaar te kapseizen. De Japanse kapitale schepen kenmerkten zich door de hoge pagode-mast, een hoge massieve observatietoren vol platvorms, die de brug weliswaar goed overzicht bood maar ook erg topzwaar maakte. -Carriers (zie ook hfdst. De ontwikkeling van het mechanisch voortbewogen zeeschip, paragraaf Carrier...') Japan was de enige natie die al voor WO2 een groot aantal goed ontworpen carriers bouwde. De carriers Akagi' en de Kaga waren tot carrier afgebouwde slagkruisers. Soryu, Hiryu', Shokaku en Zuikaku behoren tot de succesvolste Japanse nieuwbouw-carriers. Alle namen deel aan de Aanval op Pearl Harbor'. Akagi en Hiryu hadden het eiland aan bakboord, om een efficiëntere vliegafhandeling mogelijk te maken bij het werken in teamverband met Kaga, resp. Soryu (als men eiland-op-eiland naast elkaar voer, lagen de aanvliegrouten van elkaar gescheiden zoals de cirkels van een liggende "8"). Het bleek geen succes, en het werd ook niet meer herhaald. Diverse passagiersschepen, die met een vooruitziende blik met dat voornemen waren ontworpen, werden geconverteerd tot lichte carriers. Zij waren echter te traag voor de vloot en werden daarom ingezet voor training en voor het transport van vliegtuigen, maar men had hen beter kunnen ge- bruiken als escortecarrier. Net als bij die van de V.S. was geen van deze carriers voorzien van een gepantserd vliegdek, reden van de vooral in de Slag om Midway' gebleken kwetsbaarheid voor luchtaanvallen. Zij meenden ten onrechte dat pantsering van het vliegdek bij het opereren buiten het bereik van landbommenwerpers niet nodig was, en dat het eigen jagerscherm op de Pacific, ver van vijande- lijke landbases, zou voldoen. De Japanse carriers hadden ook te weinig luchtafweer. Britse carriers hadden wel een gepantserd vliegdek en hangar die goed bestand bleken tegen gewone luchtaanvallen en kamikaze-aanvallen, hoewel dit ten koste van de vliegtuig-capaciteit ging. De Taiho uit 1944 was de enige Japanse carrier met een gepantserd vliegdek, echter zonder ommanteling van de hangar zoals bij de Britten. -Slagschepen Japan verbouwde vier slagschepen van de Kongo-klasse uit WO1 tot snelle schepen met 8 x 35½ cm en 8 x 15 cm kanons, en een snelheid van 30 knopen. Zij waren echter onvoldoende gepant- serd. Daarna werden twee slagschepen van de Nagato-klasse verbouwd tot goede schepen, met 8 x 40½ cm en 18 x 14 cm kanons, en een snelheid van 25 knopen. De nieuwbouw betrof twee schepen van de reusachtige Yamato'-klasse. Hun bouw was ingegeven door het idee dat de Amerikanen geen schepen zouden bouwen die niet door het Panamakanaal konden, dat volgens hen neerkwam op een grens van 64.000 ton, 10 x 46 cm kanons bij een snelheid van 23 knopen. Deze veronderstelling was onjuist omdat de V.S. wel degelijk bouwplannen hadden voor schepen die niet door het kanaal zouden kunnen, en omdat de berekende kritische grens te laag lag. De Yamato-klasse, waartoe ook de Musashi behoorde, droeg 9 x 46 cm en 12 x 15½ cm geschut, bij 65.020 ton en een snelheid van 27 knopen. Zij waren zeer breed om de diepgang in de thuis- wateren te beperken, en waren t.b.v. de snelheid voorzien van een zeer grote bulb-steven. Het pantser was bestand tegen 46 cm treffers, hoewel de pantsering onder water onvoldoende was. Toch was het verspilde geld, materiaal en werfcapaciteit omdat een dergelijk groot schip toch niet bestand bleek tegen de talrijke inslagen door meerdere kleinere slagschepen tegelijk, of tegen vele bomexplosies van grote zwermen bommenwerpers wat tenslotte ook zou gebeuren. -Kruisers Japan bouwde lichte kruisers, gebaseerd op de Kuma-klasse, 36 knopen, 4 x 14 cm kanons en tot 40(!) x 61 cm buizen voor de uitstekende Long Lance torpedo's, en sommige ook met voorzienin- gen voor 8 Kaiten dwergonderzeeërs. Verder middelzware (afgeleid van de Furutaka-klasse) en zware kruiser klassen (afgeleid van de Myoko-klasse), 34-35½ knopen, 10 x 20½ cm kanons en 8 tot12 x 61 cm buizen voor Long Lance torpedo's. Zij vielen ondanks de lichte constructie op door een zeer groot incasseringsvermogen voor oorlogsschade, zoals de Mogami-klasse zware kruisers (waaronder ook de Mikuma) bewees. De Chokai-klasse zware kruiser had een vergrote brug voor gebruik als vlaggeschip. -Torpedobootjagers De Fubuki-klasse en verdere ontwikkelingen meetten 1670 ton, 38 knopen, 6 x 12½ cm dual- purpose (tegen zee- en luchtdoelen) en 9 x 61 cm buizen voor Long Lance torpedo's. Omdat zij echter onzeewaardig bleken werden de jagers extra geballast en versterkt, waardoor de waterverplaatsing toenam tot 2130 ton en de snelheid afnam tot 34 knopen. Japan plaatste als eerste gesloten geschutstorens op haar jagers. De Japanse torpedobootjagers bleven de gehele oorlog verstoken van radar, en waren uitgerust met een gebrekkige sonar. Zij waren dus slechts beperkt bruikbaar in een oorlog die zich voor- namelijk in de lucht en onder water afspeelde. Tekenend voor de situatie is dat er meer jagers verloren gingen door Amerikaanse onderzeeërs dan andersom. -Onderzeeboten Bij de ontwikkeling van onderzeeërs voor de wijde Pacific baseerde Japan zich net als de Amerikanen op de Duitse U151' cruiser-klasse uit WO1. De onderzeeërs doken traag als gevolg van hun omvang, wat hen kwetsbaar maakten voor luchtaanvallen. Ook maakten zij naar de toen geldende maatstaven vrij veel lawaai. Diverse typen, alle relatief vrij groot: ▫Middengrote onderzeeërs tot 1000 ton en actieradius van 4400 mijlen voor de thuiswateren. ▫Grotere typen van ca. 1600 ton, actieradius van ruim 8800 mijl en een oppervlaktevaart van ruim 20 knopen voor deelname aan vlootacties. ▫Grote typen (cruiser) van ruim 2000 ton en long-range actieradius voor patrouilles (eventueel met lading tot 250 ton of Kaiten dwergonderzeeërs). ▫Dwerg- en kamikaze-dwergonderzeeërs voor aanvallen in vijandelijke havens. -Overige De ontwikkeling van het dual-purpose 12½ cm kanon met grote elevatie tegen zee- en luchtdoelen op torpedobootjagers. Ontwikkeling van de uitstekende Long Lance torpedo en een goed reloading systeem. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Nederlandse lichte kruiser De Ruyter, vlaggeschip van Karel Doorman tijdens de Slag in de Javazee' in 1942. (1936, 171 m, 7669 ton, 32 knopen, 7 x 15 cm kanons) ▪Nederland (menu, verklarende woordenlijst) (zie ook Slag in de Javazee') -Algemeen Nederland had een kleine, maar kwalitatief goede marine. -Kruisers De lichte kruisers van de Tromp-klasse waren wellicht het beste antwoord op de behoefde aan een vaartuig tussen kruiser en torpedobootjager (1938, 132 m, 4282 ton, 33½ knoop, 6 x 15 cm kanons, 6 x 53½ cm torpedobuizen, 1 vliegtuig). Opm: De tijdens de Slag in de Javazee met torpedo's tot zinken gebrachte De Ruyter (1936, 171 m, 7669 ton, 32 knopen, 7 x 15 cm kanons) en Java (1925, 155½ m, 8210 ton, 30½ knoop, 10 x 15 cm kanons, 2 vliegtuigen die tijdens de slag niet aan boord waren) behoorden tot twee iets grotere klassen lichte kruisers. -Torpedobootjagers De Isaac Sweers-klasse torpedobootjagers waren uitstekend ontworpen (in 1941 in Engeland af- gebouwd en in 1942 tijdens Operatie Toorts met twee torpedo's door de U-431 tot zinken gebracht, 106 m, 2240 ton, 36 knopen, 5 x 12 cm kanons, 4 x 40 mm Bofors luchtdoelgeschut op twee Hazemeyer afuiten, 8 torpedobuizen 53½ cm). Opm: De tijdens de Slag in de Javazee met een torpedo tot zinken gebrachte Kortenaer' en haar devisieboot Witte de With behoorden tot de Admiralen-klasse torpedobootjagers (1928, 98 m, 1680 ton, 34 knopen, 4 x 12 cm kanons, 6 torpedobuizen 55½ cm). -Onderzeeboten De onderzeeërs waren efficiënt en al uitgerust met een snorkel of snuiver, een voorloper van de latere Duitse snorkel. -Overige Het zeer effectieve "Hazemeyers"-afuit naar eigen ontwerp voor het dubbele 40 mm Bofors lucht- doelgeschut (zeer nauwkeurig, want volledig gestabiliseerd en voorzien van een eigen vuurleiding). (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Een middelgrote Russische onderzeeër van de Shchuka-klasse (1932) in de Baltische Zee. Rusland bezat 88 (!) onderzeeërs van deze klasse waarvan er 35 verloren gingen, waaronder deze No. 311 in 1942. ▪Rusland (menu, verklarende woordenlijst) -Algemeen Toen Rusland 22 juni 1941 op het westelijke front in de oorlog kwam (in de Pacific pas in de laatste dagen van de oorlog...) was het in het bezit van enkele slagschepen, kruisers en moderne grote torpedobootjagers, en van grote aantallen onderzeeërs. Deze schepen hebben echter slechts een minimale bijdrage aan de oorlog geleverd. Rusland moest immers zijn krachten verdelen over de Oostzee, de Noordelijke IJszee, de Grote Oceaan en de Zwarte Zee. Verplaatsingen van het ene zeegebied naar het andere was tijdrovend en niet zonder risico. Bovendien waren zij verouderd, en ook nog eens voor slechts een klein deel inzetbaar door gebrek aan deskundigheid, politieke onstabiliteit en een tekort aan opleiding en oefening (de Oostzee was in de winter 3 tot 4 maanden dichtgevroren). De politieke zuiveringen vanaf 1937 onder vrijwel alle vlagofficieren en veel eskader- en flottielje- commandanten beroofde de marine bovendien van haar leiding en ervaring. Aanleiding van de zuiveringen was de strategische omslag van Stalin om van een maritieme kustverdediging tot een nautische wereldmacht te komen. Vermeende tegenstanders werden weggezuiverd, maar de plannen waren te hoog gegrepen en konden niet worden verwezenlijkt. -Carriers Rusland was voor de ontwikkeling van carriers geheel aangewezen op buitenlandse hulp. Men ondernam vergeefse pogingen inzage te krijgen in de Duitse plannen voor de Graf Zeppelin-klasse. Het ontwerp voor deze nooit voltooide Duitse carrier was overigens van slechte kwaliteit. -Slagschepen De Russen beschikten over slechts drie verouderde slagschepen en pogingen hulp te krijgen van de V.S., Italië en Duitsland bij de ontwikkeling van nieuwe slagschepen liepen op niets uit. -Kruisers en torpedobootjagers De Russische marine kampte met een tekort aan beide. -Onderzeeboten Rusland beschikte in aantallen over de grootste onderzeebootvloot ter wereld. Maar omdat het merendeel van deze schepen slechts geschikt was voor de kustverdediging, was het niet de sterkste (dat was de Italiaanse onderzeebotenvloot). Men ontwikkelde onderzeeërs op basis van tekeningen van de Duitse UB-III uit WO1, maar bouwde ook naar eigen ontwerp. De kleinste onderzeeër, de M-klasse, woog 16 ton en werd gebouwd in segmenten die per schip of per trein konden worden verplaatst. Hij werd in grote aantallen ge- bouwd, maar ook deze diende natuurlijk alléén voor de kustverdediging. -Overige De kanons waren van goede kwaliteit, maar de vuurleiding was verouderd. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Het Amerikaanse slagschip Washington van de North Carolina-klasse. ▪V.S. (menu, verklarende woordenlijst) (zie ook Oorlog in de Pacific') -Algemeen De Amerikanen moesten bij het ontwerp van hun schepen rekening houden met de mogelijke inzet op de Atlantische Oceaan en in de Pacific. Dit leidde net, als bij Japan, tot vrij grote schepen met een grote actieradius. Amerikaanse schepen hadden vaak het uiterlijk van een romp waarop een samenraapsel van stuk- ken opbouw en bewapening waren geplaatst i.p.v. een geïntegreerd ontwerp te lijken. Slagvaardig- heid en zeewaardigheid waren doorgaans echter goed. Omdat de V.S. niet overal konden terugvallen op landbases, ontwikkelden zij het principe van de "fleet-train", waarbij de carrier- en slagvloot gebruik maakte van snelle schepen voor bevoorrading, olievoorziening en reparatie. Naast de carriers waren vooral de onderzeeërs buitengewoon succesvol in de strijd tegen Japan. Dit ondanks de problemen die de V.S., net als Duitsland, aan het begin van de oorlog hadden met het magnetisch pistool van hun torpedo's. -Carriers (zie ook hfdst. De ontwikkeling van het mechanisch voortbewogen zeeschip, paragraaf Carrier...') In de Pacific ontwikkelde de oorlog zich voornamelijk tot een slag tussen de grote carriers over zeer grote afstand. Het Amerikaanse carrier-ontwerp werd bepaald door het streven zoveel mogelijk vliegtuigen te kunnen embarkeren, en er zoveel en zo snel mogelijk in de lucht te brengen. Daarom hadden de meeste van hun carriers, net als bij Japan, geen gepantserd vliegdek, reden van de kwetsbaarheid van hun carriers voor luchtaanvallen. Zij meenden ten onrechte dat pantsering van het vliegdek bij het opereren buiten het bereik van landbommenwerpers niet nodig was, en dat de combinatie van radar en het eigen jagerscherm op de Pacific, ver van vijandelijke landbases, zou voldoen. De Amerikaanse carriers hadden ook te weinig luchtafweer. Britse carriers hadden wel een gepantserd vliegdek en hangar dat goed bestand bleek tegen gewone luchtaanvallen en kamikaze-aanvallen, ook al ging dit ten koste van de vliegtuig-capaciteit. De Lexington en de Saratoga uit 1927 waren de enige Amerikaanse carriers met een gepantserd vliegdek, echter zonder ommanteling van de hangar zoals bij de Britten. De hogere landingssnelheid en de steilere landingshoek dan bij andere marines verminderde de invloed van de turbulentie die dan ook in het ontwerp minder aandacht kreeg dan elders. Van de Essex'-klasse, een grote standaard-carrier, zijn er tijdens de oorlog 24 gebouwd. Hun om- vang diende niet het aantal vliegtuigen te vergroten, maar was vooral bedoeld om te kunnen vliegen met grotere en zwaardere vliegtuigen. Ook deze carriers waren nog onvoldoende voorzien van pantsering en luchtafweergeschut. -Slagschepen In de Pacific was de carrier de alles bepalende factor en werd het vroeger oppermachtige slagschip naar de tweede plaats verdrongen. Zij werden voornamelijk ingezet als zware luchtafweer-escorte voor de carriers en voor kustbeschieting als voorbereiding van landingen op eilanden en atollen. De slagschepen van de V.S. werden vanaf begin WO1 beschermd door de alles-of-niets bescherming, met zware pantsering van de vitale delen, en lichte pantsering van de stevens. De V.S. begonnen de oorlog naast hun nieuwbouw net als de meeste andere marines met verbouwde oude slagschepen uit WO1. Een deel van de slagvloot werd uitgeschakeld bij de Aanval op Pearl Harbor' (zie ook Oorlog in de Pacific'). Alléén de Arizona en de Oklahoma gingen daarbij echter definitief verloren. De overige werden gelicht en samen met de beschadigde schepen in recordtijd hersteld en verbouwd. De North Carolina-klasse, de South Dakota-klasse en de Iowa'-klasse waren van recente datum. De laatste werd tijdens de oorlog gebouwd maar was geen sterk ontwerp, matig beschermd (gevolg van de grote lengte van het vitale rompgedeelte, gevolg van de zeer grote ruimte voor de machine die het vermogen voor de hoge snelheid van 33 knopen moest leveren), beperkt zeewaardig voor haar grootte en niet beter dan de tragere South Dakota's. -Kruisers De V.S. bezaten geen kruisers uit WO1, zodat vrijwel alle kruisers nieuwbouw waren, waarbij de Amerikaanse marine een voorkeur leek te hebben voor zeer zware kruisers. De bewapening bestond uit 20½ of 15 cm kanons, maar anders dan bij andere marines, voerden Amerikaanse kruisers geen torpedobuizen. -Torpedobootjagers Aan het eind van WO1 hadden de V.S. grote aantallen 4-stackers (vier-pijpers) in dienst, waarvan er t.b.v. de onderzeebootoorlog in de Atlantische Oceaan vele werden overgedragen aan de Britse marine. De V.S. beschikten tijdens WO2 over uitstekende torpedobootjagers. Door een periode van experimenteren met kleine series was men tot een standaardjager gekomen die snel en in grote aantallen kon worden gebouwd. Van deze Fletcher-klasse, met uitstekende dual-purpose 5 x 12½ cm kanons, een goede luchtafweer, torpedobuizen en een snelheid van 37 knopen, zijn er ruim 100 stuks gebouwd. Het waren net als de oude 4-stackers flushdeck-schepen (d.w.z. zonder bak), die beter voldeden dan jagers met alléén een verhoogde bak. De machines waren betrouwbaar en efficiënt. De actieradius was goed, terwijl de "fleet-train" bijtanken en bevoorraden in volle zee mogelijk maakte. -Onderzeeboten Bij de ontwikkeling van onderzeeërs voor de wijde Pacific baseerden de V.S. zich net als de Japanners op de Duitse U151' cruiser-klasse uit WO1. Na vele experimenten met kleine series en one-off's ontwikkelden de V.S. net als bij de torpedobootjagers een standaard-onderzeeër die snel en in grote aantallen kon worden gebouwd. Deze Gato'-klasse, waarvan er ruim 200 zijn gebouwd, hadden een hoge oppervlaktesnelheid, een grote actieradius en veel ruimte voor torpedo's. Hoewel nog steeds krap, was er toch wat meer comfort voor de bemanning. De duiksnelheid en de manoeuvreerbaarheid onder water waren minder dan bij de kleinere Engelse en Duitse onderzeeërs, maar dat was met de slechte Japanse onderzeebootbestrijding geen groot nadeel. Later kreeg de klasse de beschikking over radar, die in de ruimte van de Pacific van grote tactische waarde bleek. In het begin van de oorlog hadden de Amerikaanse torpedo's net als die van de Duitsers veel problemen met het magnetisch pistool. Het duurde bijna een jaar voor zij over betrouwbare torpedo's konden beschikken. Het succes van de onderzeeërs was niet uitsluitend te danken aan ontwerp en inzet, maar ook aan de slechte Japanse bescherming van de handelsvloot en de slechte Japanse onderzeebootbestrijding. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Turbinia zoals die in 1897 bij de Vlootschouw te Spithead met 34 knopen de show stal. Scheepsmachine (menu, verklarende woordenlijst) ▪Ontwikkeling scheepsmachine (menu, verklarende woordenlijst) De eerste stoommachine zag al in 1712 het licht, maar de verbeterde machine die James Watt in 1769 bouwde was de eerste die industrieel toepasbaar was en daardoor het begin van de industriële revolutie markeert. Eind 18e eeuw werden diverse geslaagde proeven gedaan met stoommachines voor schepen. De Amerikaan Robert Fulton bouwde begin 19e eeuw het eerste oorlogsschip met stoom(hulp)voort- stuwing. Hoewel de Engelse Admiraliteit de stoommachine accepteerde voor tal van hulpvaartuigen als sleepboten en dergelijke, was dit niet het geval voor toepassing op oorlogsschepen. Het absurde argument luidde dat de Engelse vloot vanuit het denkbeeld van mechanisering van de vloot ver- ouderd zou zijn en dus van haar suprematie beroofd. Ook de elitaire officieren zagen weinig in de vieze rook op hun propere dekken, laat staan in de ingenieurs die zij op hun schepen als gelijken moesten aanvaarden. Een rationeler argument was dat het hekrad de manoeuvreerbaarheid teveel beperkte, en dat zijraderen teveel ten koste ging van het breedzij-geschut. De Britse Admiraliteit ging echter snel om toen de Fransen voortvarender bleken. De stoommachine werd als hulpvoortstuwing beschouwd. Dit is niet alléén toe te schrijven aan conservatisme, maar ook aan het gegeven dat marineschepen vaak maandenlange tochten moesten ondernemen en daarbij gemakkelijk machineschade konden oplopen, of onvoldoende bunker- plaatsen tot hun beschikking hadden. Men bouwde dus zeilschepen met stoommachine, neerklapbare schoorstenen en optrekbare schroef. De machine werd slechts ingezet bij havenmanoeuvres en tegenwind. Toch haalden zeilende linie- schepen op de machine alléén 14 knopen, op zeil 13, en op stoom + zeil 17 knopen). Aanvankelijk ontwikkelden door schepraderen voortgedreven schepen zich parallel aan die met de later ontwikkelde schroefvoortstuwing. In 1845 werd het pleit tussen beide beslecht in het voordeel van de schroef door een Britse snelheids- en een "touwtrek-proef" tussen het schroefkorvet Rattler en het raderkorvet Alecto. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Zuigerstoommachine Klik in de afbeeldingen voor een hogere resolutie, of klik hier voor een animatie van een werkende zuigerstoommachine. (waarna Esc=Pauze en F5=Verdergaan) De figuur toont de werking van een zuigerstoommachine met schuif-regulatie. De drijfstang zet de translerende zuigerbeweging om in een roterende krukas-beweging. De krukas is voorzien van een zwaar vliegwiel (drukt machine door de "dode" stand en geeft een gelijkmatiger loop). De bovenstang (exentriekstang) beweegt de regulatieschuif naar links en naar rechts, maar door de aard van de krukas-montage een halve slag in fase vóórijlend op de drijfstang-beweging. De machine doorloopt een cyclus van vier stadia: 1. Staat de zuiger halverwege zijn naar rechtsgaande beweging (afbeelding) dan heeft de exentriek- stang de schuif geheel naar rechts getrokken zodat de linker cilinderruimte via de drukkamer en de linker stoompoort de volle stoomdruk van de drukpijp (rood) heeft, en de rechter via de schuifholte en de ventilatiekamer op de afvoerpijp (blauw) ventileert. De zuiger wordt dus met kracht naar rechts geduwd. 2. Staat de zuiger vervolgens geheel rechts, dan staat de schuif in het midden en staan beide poorten dicht, afgesloten door de brede schuifwand. 3. Staat de zuiger daarna halverwege zijn linksgaande beweging, dan staat de schuif naar links waar- door rechts stoomdruk heeft en links ventileert. De zuiger wordt met kracht naar links geduwd. 4. En staat de zuiger tenslotte geheel links dan staat de schuif in het midden en staan beide poorten dicht, waarna de cyclus weer opnieuw begint. De draaiende balletjes reguleren de stoomdruk, en daarmee het toerental, door hun centrifugale ver- plaatsing over te brengen naar de klep in de stoomtoevoer. De afgevoerde stoom (blauw) gaat naar een condensor die heet water terugwint voor de boiler. Voor het werkingsmechanisme van de stoommachine verwijs ik naar de technische litteratuur. De eerste stoommachines waren 1- of 2-cilider lagedruk-expansie machines. Aanvankelijk met een verticale zuigerstang en een bovenbalans zoals op het land gebruikelijk, later met zijdelingse zuigerstang en een zijbalans (1837) om verticale ruimte te besparen en om de machine ter voorkoming van voltreffers onder de waterlijn te kunnen opstellen. Weer later werd de oscillerende machine ontwikkeld die zonder drijfstang werkte (1843). In 1853 kwam de compound machine tot ontwikkeling, waar de stoom eerst in om reden van efficiency één of meer hogedrukcilinders gevoerd werd, waarna de stoom voor de tweede keer expandeerde in een grotere lagedrukcilinder die op zijn beurt nog eens aan de efficiency bijdroeg. Snelvarende koerierschepen haalden met deze machine 18½ knoop. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Triple-expansie stoommachine Klik in de afbeelding voor een animatie van een werkende triple-expansie stoommachine, waarna Esc=Pauze en F5=Verdergaan. De stoomdruk verloopt per cilinderovergang van links naar rechts (rood via geel naar blauw), en omdat de cilinderinhoud van links naar rechts toeneemt wordt de restdruk bij verlaten van cilinder-1 en cilinder-2 nogmaals benut. Cilinder-3 is eigenlijk een lagedruk-expansie machine. Schuif-1 van cilinder-1 is door de krukas en de exentriekstang naar de bovenpositie geduwd waardoor de onderpoort open staat en zuiger-1 vanuit de onderpositie naar boven wordt gedrukt. De stoom boven zuiger-1 wordt via de holte in schuif-1 en via de drukpijp boven cilinder-1 naar de grotere cilinder-2 gestuwd en omdat schuif-2 door de krukas naar de onderpositie is getrok- ken, wordt zuiger2 vanuit de positie halverwege de cilinder verder naar beneden gedrukt. De stoom onder zuiger-2 wordt via de holte in schuif-2 en via de drukpijp boven cilinder-2 naar de grotere cilinder-3 gestuwd en omdat schuif-3 daar nog in de bovenpositie staat wordt zuiger-3 vanuit de bijna-bovenpositie naar boven gedrukt. De stoom boven zuiger-3 wordt via de holte in schuif-3 en via de afvoerpijp naar de condensor gevoerd. Schuif-3 staat op het punt naar beneden te gaan om de zuigerbeweging om te keren. De volgende ontwikkeling was die van de verticale triple-expansie machine die in 1866 werd ingevoerd, waar de stoom niet tweemaal expandeerde zoals bij de compound machine, maar drie- maal in een telkens grotere cilinder met een lagere druk. Een klein marineschip haalde er in 1866 22½ knoop mee. De quadruple-expansie machine was een mutiple-expansie machine die zelfs viermaal expandeerde. De verticale opstelling maakte plaatsing onder de waterlijn onmogelijk, en noodzaakte dus tot een beschermende pantsergordel. Om brandstof en gewicht te besparen voerde men de stoomdruk op door de invoering van de waterpijpketel, en ging men ertoe over de pijpen waarin de stoom geproduceerd werd te vernauwen. Hiermee was de hoogste efficiëntie voor zuigermachines bereikt. De enige mogelijke vooruitgang lag in het opvoeren van het vermogen, maar deze werd beperkt door de spanningen waaraan het scheepsverband en de bewegende delen van de machine waren blootgesteld. Hoge snelheid, met name als die enige tijd moest worden volgehouden, veroorzaakten vaak machineschade. Daarom liet men de met zuigermachines uitgeruste pre-dreadnoughts ten hoogste 15 knopen lopen i.p.v. hun maximale vaart van 18 knopen. De oplossing lag bij de stoomturbine en bij de diesel-verbrandingsmotor. Triple-expansie compound machine (hoogte 8,60 m)Stoomturbine (the Queen, 1650 BRT, turbinehoogte 3,10 m) (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Een verticale triple-expansie compound machine uit 1875 (geen zuivere triple-expansie machine, maar meer twee paralelle compound machines) en een stoomturbine uit 1905. Bij deze zuigermachines liggen de cilinders boven en de krukas onder, met daartussen een woud van drijfstangen, exentriekstangen, drukleidingen en drijfriemen, en dat alles in voort- durende beweging. Een turbine neemt bij gelijk vermogen aanzienlijk minder ruimte in en is rustiger. De zuigermachine was door de vele bewegende delen weinig betrouwbaar bij hoge vaart. Het moet in de machinekamers met al die op en neer stampende zuigers en drijfstangen bij hoog vermogen een hels lawaai zijn geweest. Een dergelijke belasting vergde het uiterste van deze maximaal uitontwikkelde technologie. In verband met de grote kans op machine- schade ging de vlootleiding dan ook maar zelden over tot vol vermogen. De stoomturbine gaf door een veel hoger rendement en door de grote betrouwbaarheid een hogere snelheid die ook lang kon worden volgehouden. Een turbine was ook gemakkelijker tegen met name inkomend vlakbaan-vuur (van korte afstand) te beschermen dan de verticaal opgestelde en daardoor deels boven de waterlijn uitkomende triple-expansie machines. Iets dergelijks deed zich voor bij jachtvliegtuigen die aan het eind van WO2 een kwetsbare maximum snelheid bereikten van rond de 700 km/uur. De doorbraak moest ook hier van een geheel nieuw technologie komen, namelijk die van de straalmotor. Het principe van de stoomturbine houdt in dat men een stoomstraal tegen een roterend loopwiel met schoepenkrans laat blazen zodat deze in een roterende beweging komt. Turbines zijn lichter, geven een hogere snelheid, nemen minder plaats in, en zijn bij gelijk vermogen zuiniger dan zuigermachines. Er treedt geen warmteverlies op door afwisselende koeling en verhitting van de werkende delen, en binnensmering is niet nodig. De draaibeweging is minder belastend voor de constructie en betrouwbaarder dan de wild op en neer stampende zuigers. En daarmee kon het vermogen groter worden. De eerste goed werkende turbine was de Parsons-turbine die de door Parsons gebouwde Turbinia' van bij de Koninklijke Vlootschouw te Spithead in 1897 voor het oog van de verbaasde koningin Victoria en haar gevolg met de toen ongelooflijke snelheid van 34 knopen door de linies voortjoeg. De Parsonsturbine was een directwerkende turbine, met achter elkaar geplaatste turbine-rotoren, waarbij de stoom afwisselend door vaste en bewegende schoepen geblazen werd, waarbij de eerste als straalpijpen fungeren en de stoom naar de erachter geplaatste turbine-rotor voeren. De turbine werd snel geaccepteerd voor snelle torpedobootjagers (36½ knoop), en voor het revolu- tionaire all-big-guns slagschipontwerp van de Dreadnought' (21 knopen). Omdat de directwerkende turbine oneconomisch werkte bij laag en middelmatig toerental plaatste men tandwiel-overbrengingen tussen turbine en schroefas. Het mechanisme bleek redelijk trillingvrij en weinig lawaaiig, en de levensduur van de tanden bleek boven verwachting. In 1913 werd voor het eerste elektrische aandrijving toegepast, waarbij de stoomturbine een generator aandreef, die op zijn beurt weer een elektromotor aandreef. Het voordeel was dat de turbines een constant en hoog toerental draaiden. Bovendien was het volle vermogen ook beschikbaar bij achteruitvaart. Deze installatie werd met regelweerstanden bediend. Nadeel daarvan was de kwetsbaarheid van de regelweerstanden, het grotere transmissieverlies en de hogere kosten. Die kwetsbaarheid kwam tijdens de Slag bij Jutland' aan het licht toen bij verschillende schepen de regelweerstanden uitvielen of kortsluiting ontstond door de schok van de explosies. Het principe werd niettemin op vele slagschepen en slagkruisers toegepast tot 1937, toen de Amerikaanse marine in haar snelle slagschepen weer turbines met tandwieloverbrenging invoerde. Aan het einde van WO1 waren de voortstuwingsinstallaties voor grote oorlogsschepen praktisch gestandaardiseerd met stoomturbines, die via een tandwielkast met enkele overbrengingen of via een elektrisch mechanisme de schroefassen aandreven. Tegen WO2 ging in Europa de ontwikkeling naar het hoogste rendement bij volle snelheid. In de V.S. streefde men echter naar het hoogste rendement bij normaal vermogen. Zij moesten immers hun ontwerp afstemmen op de grote actieradius die nodig was voor de operaties in de Pacific. De toepassing van oververhitte stoom, met hoge temperatuur en druk, verhoogde het rendement en daarmee de actieradius aanzienlijk. De in 1892 ontwikkelde dieselmotor is een verbrandingsmotor met zelfontbranding door compressie van het brandstof-lucht-mengsel, veilig door het ontbreken van hoogexplosieve benzinedampen, en betrouwbaar omdat er geen vonk en dus elektra nodig is. Kleinere oorlogsschepen, die geen hoge snelheden hoefden te halen, waren ermee gebaat. Torpe- dobootjagers bleven voor hun hoge vaart aangewezen op stoomturbines. De dieselvoortstuwing werd echter ook toegepast op de Duitse vestzakslagschepen. Dit om hun waterverplaatsing binnen de Duitsland opgelegde beperkingen te houden. Dieselmotoren waren namelijk lichter en zuiniger (minder brandstof-bunkerruimte vereist). Op onderzeeboten werden al in 1888 door accu's (de batterij) gevoede elektromotoren ingevoerd voor de onderwatervaart. Tijdens bovenwatervaart op de hoofdmotor werden de accu's opgeladen. Na de introductie van de dieselmotor was de weg vrij voor de ontwikkeling van de diesel-elektrische aandrijving. Hierbij dreef de dieselmotor de generator op de schroefas aan die de batterijen oplaadde. Bij onderwatervaart voedde de batterij de nu als elektromotor functionerende generator. De steeds grotere wapensystemen, waarvan het meeste gewicht bovenin het schip lag, maakte verdere reductie van gewicht en afmeting noodzakelijk, vooral in de hoogte. De ontwikkeling van de gasturbine bood hiertoe mogelijkheden die bij stoom-installaties niet mocht worden verwacht. Hierbij wordt de turbine-rotor door een hete stroom verbrandingsgassen aange- dreven in plaats van door stoom. De eisen die aan de schoepen worden gesteld door de hoge temperatuur en de hoge gasdruk genereren bij deze voortstuwing overigens een zekere beperking. Het eerste marinevaartuig met gasturbine was een met licht geschut uitgeruste motorboot die in 1947 operationeel was. In de zestiger jaren verscheen deze aandrijving ook op fregatten en kruisers, maar dat valt buiten het kader van dit essay. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De 5-mast volschip getuigde windjammer Preussen (1903-1910) voor de wal in New York (1908). Een voorbeeld van hoe men door schaalvergroting de concurrentiedruk van de stoomvaart het hoofd probeerde te bieden. De clash tussen zeil en stoom zou bij dit schip twee jaar later ook letterlijk plaats- vinden toen een stomer in het Engels Kanaal de boegspriet eraf zou varen waarop de Preussen geen zee meer kon houden, bij Dover op de kust verdaagde en verloren ging. De rook op de foto komt van de stoommachine-ondersteuning voor het hijsen van de ra's en voor bekrachtiging van het roer. (klik hier' voor een afbeelding en voor bijzonderheden van de Preussen) ▪Stoom contra zeil (menu, verklarende woordenlijst) (zie essay De Europese zeemachten en hun schepen in het tijdperk van het zeil) Toen begin 19e eeuw de stoommachine eenmaal geschikt was gemaakt voor toepassing op zee- gaande schepen, volgden de ontwikkelingen elkaar in hoog tempo op. In 1819 stak het Amerikaanse stoomschip Savannah' als eerste, zij het meer zeilend dan stomend, de Atlantische Oceaan over. En in 1825 stoomde de Engelse Enterprise naar Calcutta. Er ontstond een concurrentieslag tussen stoom en zeil die onafwendbaar door het zeil verloren zou worden, vooral toen het stoomschip met de ontwikkeling van de scheepsschroef (1840) veel aan zee- waardigheid won. Bij zijn introductie was het stoomschip hooguit concurrerend op de korte trajecten waarop zij om een aantal redenen het meest rendabel waren: Pluspunten -Gemakkelijker laden en lossen door grotere luikopeningen. -Geen dure sleepboothulp. -Strak tijdgebonden vaarschema mogelijk. Minpunten -Slechts beperkt betrouwbare machine. -Tekort aan bunkerstations voor kolen en zoetwater voor de ketels (vooral in de zuidelijke oceanen). -Belangrijk trager dan zeilschepen. -Hoge brandstofkosten. Na enige tijd veranderde dit beeld ten gunste van het stoomschip: -Verbetering van de stoommachine. -Grootte-toename (meer rendement en men kon meer kolen meenemen). -Mogelijkheid tot het bieden van geriefelijker passagiersaccomodaties. Als eerst ging het handelsverkeer op India over op stoom, gevolgd door het geregeld passagiers- en vrachtverkeer op Australië en Nieuw-Zeeland. Al gauw ging ook een belangrijk deel van de bulk- ladingen voor de zeilvaart verloren. Dank zij een tekort aan bunkerstations en de slechte weersomstandigheden bleef alleen de vaart om Kaap Hoorn enige tijd behouden voor de windjammers. Voor de theehandel was het stoomschip in de klippertijd (hoogtepunt ca. 1850-1880) geen bedreiging voor het zeilschip. Het traject Van China of India naar Europa en Amerika was zeer lang, en snelheid was de allesbepalende factor. Toch werd ook bij de Kaap de Goede Hoop-vaart de situatie moeilijker, zeker na opening van het Suezkanaal in 1869, wat ca. 3500 zeemijl scheelde. Ook voor de snelle reizen na 1848, met fortuinjagers via Kaap Hoorn naar de goudvelden van Cali- fornië en Australië (vaak met wol als retourlading), kon het zeilschip de concurrentie nog makkelijk aan. De Oost-West spoorverbinding door Amerika, eveneens in 1869, zou echter ook de druk op de Kaap Hoorn-vaart gaan vergroten. Bovendien beperkte de houten bouwwijze de afmetingen en het laadvermogen van de klipper. De volgende gegevens geven een indruk van de ontwikkelingen in deze jaren: 1868 1873 Bruto tonnage zeilschepen - 4.691.000 4.068.000 stoomschepen - 825.000 1.681.000 1860 1880 Aantal Europese zeilschepen - 92.270 127.170 stoomschepen - 2.974 13.858 Eind 19e eeuw dwong de toenemende concurrentie tot de bouw van reusachtige staal geklonken volschepen, barken en barkentijnen, geschikt voor bulklading en te varen met een zo klein mogelijke bemanning. Het tijdperk van de windjammers (1880-1940) nam een aanvang. Stoomschepen waren namelijk minder geschikt voor bulkladingen over lange afstanden dan wind- jammers. Gevolg van hun geringere omvang, actieradius, betrouwbaarheid en zeewaardigheid, en gevolg van de hoge exploitatiekosten. De noodzaak op bemanning te besparen leidde tot verdere opdeling van het zeiloppervlak, toe- passing van lieren en een minder bewerkelijke zeilvoering. Zo kwam het tot grote stalen barken (achterste mast langsgetuigd), barkentijnen of schoenerbarken (achterste twee masten langsgetuigd) en schoeners (alle masten langsgetuigd). De afmeting van windjammers en schoeners nam toe en noodzaakte daarmee tot het voeren van meer masten, tot een aantal van wel 5 tot 7. Ondanks deze ontwikkelingen liep half 20e eeuw de commerciële zeilvaart ten einde. Het Panama- kanaal opende in 1914, in WO1 werden vele schepen tot zinken gebracht en de markten verdwenen. Stoomschepen werden betrouwbaarder en efficiënter, en er werd synthetisch nitraat voor kunstmest ontwikkeld. Het merendeel van deze prachtige schepen werd gesloopt, op enkele exemplaren na die nu als opleidingsschip, museumschip of chartervaartuig dienst doen. In het begin van de 20e eeuw bezaten alleen Duitsland en Frankrijk echte zeilvloten. Verder voeren er nog vele kleinere schepen onder Scandinavische vlag. De Engelse en Amerikaanse zeilvloten waren in verval geraakt. Na WO1 hield alleen Duitsland nog een behoorlijke aantal windjammers in de vaart. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Amerikaanse super-dreadnought New York (1914-1946) in 1917 met ruw weer in de Atlantische Oceaan. Getuige van twee wereldoorlogen, actief van de Noordelijke IJszee tot in de Pacific, en in het bezit van twee Amerikaanse records, de langste ononderbroken missie op zee (414 dagen) en de meeste zeemijlen in oorlogstijd (123.867 zeemijl, slechts overtroffen door de Britse Rodney). Klik in de afbeelding voor een hogere resolutie. (zie andere afbeelding en gegevens') Kanon-bewapening (menu, verklarende woordenlijst) Kanons (menu, verklarende woordenlijst) -Algemeen (menu, verklarende woordenlijst) Anders dan bij de landmacht spreekt men op zee niet van kanonnen, maar van kanons. Geschut wordt van oudsher aangeduid met het kaliber van de ermee verschoten projectielen, aanvankelijk uitgedrukt in ponden en vanaf de 19e eeuw in inches of in centimeters. De meest courante kalibers waren afgeleid van inches, ook die welke waren uitgedrukt in centimeters. Met uitzondering van dit hoofdstuk heb ik in dit essay de kalibers uitgedrukt in centimeters, voor de leesbaarheid afgerond op halve centimeters. -Slagschepen en slagkruisers (menu, verklarende woordenlijst) Meest gebruikte kalibers in Engeland, Japan en Europa en V.S. in inches (uitgedrukt in cm) 7,6 12,7 15,2 20,3 22,8 25,4 30,4 34,2 38 40,6 cm Idem in Europa zonder Engeland en in V.S. in centimeters 15 16 23 26 28 30,5 35,5 cm In Europa zonder Engeland en in de V.S. voerde men dus zowel geschut in inches (uitgedrukt in cm), als ook in centimeters. Verdeling per tijdvak bij slagschepen en slagkruisers Opm: ▫Er waren vele incourante maten, zowel in Engeland als elders. ▫De post-zeiltijd betreft ongepantserde schepen, pantserschepen en ram-pantserschepen. ▫Tijdens de Slag bij Lissa' (1866) voerden de Oostenrijkse schepen (ook de gepantserde) nog een breedzij met gladloops 56 ponders. ▫T/m de post-zeiltijd voerde men zowel getrokken voor- als achterladers. ▫WO1 was het tijdperk van de dreadnoughts. ▫Kanons tot kaliber 15/15,2 cm was vanaf WO1 veelal snelvuurgeschut. ▫Met "X" wordt het gat tussen klein en en groot kaliber aangegeven, kenmerkend voor de bewa- pening vanaf het dreadnought-tijdperk. Het in WO1 en WO2 gevoerde kaliber 28 cm was vooral Duits, en werd in WO2 veroorzaakt door de beperkingen die na WO1 aan Duitsland waren opgelegd. Het bleek in WO2 dan ook over het algemeen te licht. ▫In WO2 voerde Rusland 30 cm geschut op haar slagschepen. ▫Het grootste kaliber was 46 cm, en dat werd gevoerd door de Japanse Yamato'-klasse in WO2 (twee schepen). ▫Met Europa worden Duitsland, Frankrijk en Italië bedoeld. Buiten Engeland werd gebruik gemaakt van zowel op inches als op cm's gebaseerde kalibers. ▫Het superieure Duitse 88 mm geschut, dat op land zo succesvol was zowel tegen grond- als tegen luchtdoelen, werd niet op de schepen gevoerd. -Kruisers (menu, verklarende woordenlijst) Meest gebruikte kalibers 7,6 10 12 14 15,2 20,3 25,4 Lichte kruisers meestal 14 15,2 cm (+ 3,7 cm). Middelzware en zware kruisers meestal 20,3 cm (+ 10,2 + 3,7 cm). (behalve de 14 cm's werden de metrische kalibers ook op de Engelse kruisers gebruikt). Russische kruisers voerden 18 cm geschut. -Torpedobootjagers (menu, verklarende woordenlijst) Meest gebruikte kalibers 10,5 12 12,7 Het maximaal hanteerbare kaliber voor deze klasse lag bij 12,7 cm. Grote Duitse jagers uit WO2 met 15 cm geschut voldeden niet. -Onderzeeboten (menu, verklarende woordenlijst) Meest gebruikte kalibers 7,6 8,8 10,2 10,5 Het kaliber 8,8 cm (3½ inch) vond men voornamelijk op de Duitse U-boten. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Binnenkant (de ziel) van een getrokken loop. De spoed verloopt van achteren gezien naar de monding meestal rechtsom en neemt daarbij progressief toe. ▪Ontwikkeling kanon (menu, verklarende woordenlijst) In feite was er bij de ontwikkeling van het kanon van de 16e t/m de 18e eeuw geen buitensporige vooruitgang geboekt. Dat gebeurde pas in 1856 met de invoering van de getrokken loop die de weg vrijmaakte voor het gebruik van cilindrische explosieve granaten in plaats van de tot dan gebruikelijke ronde smeed- ijzeren kogels. Een kanon met getrokken loop was als voorlader moeilijk te hanteren, met name toen de kanonsloop met de ontwikkeling van het langzaam brandend granulair kruit en vergroting van de kardoeskamer langer werd, reden waarom men begon een achterlaadsysteem te ontwikkelen. Als gevolg van de mislukte ontwikkeling van dit achterlaadsysteem bij de Armstrongfabrieken in 1860, waren de Engelsen gedwongen langer met getrokken voorladers te werken dan de Fransen en de Duitsers, die er wel in geslaagd waren goede achterladers te ontwikkelen. Het laden van de Engelse getrokken voorladers vereiste echter speciale voorzieningen ter bescherming van het personeel, eerst in kazematten en vanaf ca. 1875 in torens. De Fransen en de Duitsers konden hun goed werkende achterladers in barbettes plaatsen die in deze periode van de ontwikkeling beter voldeden dan torens (zie paragraaf Plaatsing geschut'). Toen de lengte van de loop door de ontwikkeling van het nog langzamer brandend bruin kruit (ca. 1880) steeds verder opliep, moesten de Engelsen tenslotte het torensysteem verlaten, en gingen zij hun voorladers in een barbette plaatsen. Om het personeel tijdens het laden toch te beschermen ontwierp men een barbette met een verdekte opstelling. Het laden van voorladers bleef lastig en gevaarlijk, en deed de vuursnelheid achterblijven bij de steeds efficiënter wordende achterladers. Bovendien vereisten de voorladers voor de grotere kalibers een hydrolisch laadsysteem. De Engelsen ontwikkelden dan ook in 1882 alsnog een goed werkend achterlaadsysteem. Met ontwikkeling van nieuwe gewichtbesparend staalsoorten gingen alle marines vanaf 1895 over op het beter beschermende torensysteem. Met de trent van de ontwikkeling naar langere lopen nam vooral vanaf ca. 1880 de mondingssnelheid toe, bij een 34,2 cm kanon bijvoorbeeld van 480 tot 600 m/sec. De in antwoord hierop toenemende bepantsering van de schepen veroorzaakte een wedloop tussen pantser en kanon die aanvankelijk door het pantser werd gewonnen. Toen dit in 1862 tijdens het ge- vecht tussen de Monitor' en de Merrimac bleek (Slag bij Hampton Roads'), kwam het tot de bizarre terugkeer van de scheepsram in de vorm van het zwaar gepantserde ramschip. Deze opleving die zou duren tot de ontwikkeling van de pantserdoorborende granaten (1892-1906) het definitief van het pantser ging winnen en daarmee de scheepsram weer deed verdwijnen, hoewel de schepen nog geruime tijd een verterkte ram-steven bleven houden die zich daarna weer ontwikkelde tot de hydrodynamisch gunstige bulb-steven. De kalibers waren in de beginperiode van de strijd tussen pantser en granaat opgelopen tot monsterachtige vuurmonden van 80 ton bij een kaliber van 40,6 cm en 100 ton bij 45 cm met lage mondingssnelheid. De ontwikkeling van het pantser van moderne staallegeringen maakte extreme vuurmonden met een lage mondingssnelheid tenslotte zinloos. Men ging dan ook vanaf ca. 1887 over op kleinere kalibers van maximaal 30,4 tot 34,2 cm met hoge mondingssnelheid. Deze stukken waren bovendien beter hanteerbaar en hadden een hogere vuursnelheid, vooral omdat er nog geen mechanismen waren voor laden en bedienen van zulke zware stukken. De ontwikkeling van het hoogexplosieve rookloze cordiet maakte het eind 19e eeuw mogelijk het kruit in de patroonhuls te integreren. Dit maakte de ontwikkeling mogelijk van snelvuurkanons met een kaliber van 12 cm, die 14 granaten van 20 kg per min verschoten, tegen een gewone 12,7 cm achterlader niet hoger dan 2 per min. De meest gangbare kalibers waren 12 cm en 15,2 cm. Deze snelvuurkanons waren bedoeld om de dreiging van de torpedoboten teniet doen. Later ontwikkelde men het half-automatische snelvuurkanon, waarbij de terugstoot werd benut om de patroonkuls uit te werpen. In 1937 combineerden de Fransen op het slagschip Dunkerque het secundaire geschut tegen torpedobootjagers met het tertiaire luchtafweergeschut tot dual-purpose kanons met grote elevatie. De Japanners voerden dit geschut als eersten in op hun torpedobootjagers. Tijdens de 2e Wereldoorlog liepen de kalibers weer op tot 40,6 en 46 cm. De tijd van het slagschip was toen echter met de komst van het vliegdekschip al voorbij. Daardoor, en door de ontwikkeling van de raket zouden de kanon-kalibers weer snel afnemen. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De late pre-dreadnought Agamemnon (1906) had nog een gemengde hoofdbewapening van 30½ cm kanons in de A- en de X-toren, en van 23½ cm kanons in de secundaire torens P1 tot P3 en S1 tot S3 (zie eind paragraaf'). ▪Plaatsing geschut (menu, verklarende woordenlijst) Vanaf 1856 kwam de getrokken loop in gebruik, en werd met de daaropvolgende ontwikkeling van het langzaam brandend kruit en vergroting van de kardoeskamer de kanonsloop langer. Hierdoor werden de voorladers echter steeds moeilijk te hanteren. Na de ontwikkeling van staal- pantser ging men de getrokken voorladers daarom ter bescherming van het personeel in een centrale kazemat (citadel) opstellen, in de breedzij of op draaischijven op de hoeken van de kazemat. De stevens werden niet of nauwelijks gepantserd, cellulair ingedeeld en met kurk opgevuld. De dikte van het pantser kon plaatselijk oplopen tot 56 cm. Toen na de kentering van het torenschip Captain in 1871 de hulptuigage begon te verdwijnen (bij de Fransen overigens jaren later dan elders) en deze geen belemmering meer vormde voor rondom richtend geschut, werd de strijd tussen opstelling van de batterij in de breedzij of in torens en barbettes vanaf ca. 1875 definitief door de laatste twee gewonnen. Deze opstelling voorzag ook in de gebleken noodzaak van vuurkracht in de voorlijke sector. Een toren was een gesloten gepantserde draaibaar op het dek geplaatste geschutsopstelling, die hydrolisch werd bediend. Het geschut kon in de toren worden geladen omdat er in de toren genoeg ruimte was om de toen nog korte stukken in te halen. Een barbette was een geschutsopstelling op een hydrolisch bediend draaibaar platform, beschermd door een van boven open gepantserde vast op het dek geplaatste toren, een soort gepantserde kraag. Bij een barbette schoot het kanon over het pantser van de barbette heen. Om het personeel bij het laden van de voorladers te beschermen voerde men een hydrolisch werkende verdwijnopstelling in waarbij het kanon achter het pantser van de barbette wegzonk. De munitie werd met hydrolische liften vanuit de munitiebergplaats naar boven gebracht. De Engelsen, die door problemen met hun achterlaadsysteem langer van getrokken voorladers gebruik moesten maken dan de Fransen en de Duitsers, plaatsten de kanons ter bescherming van het personeel liever in torens dan in barbettes met een verdwijnopstelling. De Fransen en de Duitsers, die er wel in slaagden goede achterladers te ontwikkelen, konden die in barbettes zonder verdwijnopstelling plaatsen. Barbettes hadden het voordeel dat zij lichter waren dan torens, en dus hoger geplaatst konden worden. Daardoor hadden zij minder last van overkomende zeeën, was er bij hoge zee een beter zicht en waren er geen ventilatieproblemen voor de bemanning en voor de afvoer van kruitdamp. Tenslotte werden ook de Engelsen door de steeds verder toenemende lengte van de kanonsloop en de daarmee verbandhoudende laadproblemen gedwongen hun kanons toch in barbettes plaatsen, waarvoor zij een verdekte laadopstelling ontwikkelden om het personeel toch zoveel mogelijk te beschermen. De kanons moesten daarbij voor het laden achter een rond de toren liggende gepantserde glooiing in een verdiepte laadbak gedompt worden. De vele complicaties met betrekking tot veiligheid en vuursnelheid brachten de Engelsen er in 1882 toe alsnog een werkend achterlaadsysteem te ontwikkelen. Na de ontwikkeling van het nikkel-staalpantser van Harvey (1891) en Krups, gevolgd door die van chroom-nikkelstaal (1892), bleek het pantserstaal zozeer gewichtbesparend, dat men vanaf ca. 1895 de barbettes en torens ging combineren door de toren op de barbette te plaatsen. Daardoor ontstond de toren-barbette, die later enigszins verwarrend "toren" werd genoemd. Half 19e eeuw bedoelde men met een toren immers een vast (met het kanon op een schijf) of een draaibaar op het dek opgesteld gepantserd kanonhuis. De toren-barbette zou de oude torens en de te kwetsbare open barbettes spoedig verdringen. En daarmee zijn wij dan in het pre-dreadnought tijdperk beland. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De HMS Dreadnought (1906) op het keerpunt van twee tijdperken. Wel het door haar geïntroduceerde all-big-guns principe, 30½ cm, maar het hoofdgeschut nog niet in de hartlijn over elkaar heenschietend wat wij in 1909 voor het eerst zien. De X-toren werd belemmerd door de Y-toren, en de P- en S-toren (zie eind paragraaf') door de midden- opbouw en de gehele boegsectie die smal werd uitgesneden om tenminste nog enigszins te kunnen bijdragen aan de vuurkracht in de voorsector. (zie afbeelding' en gegevens') In 1906 begon met de te waterlating van het Engelse slagschip de Dreadnought' een nieuw tijdperk, waarin men ertoe overging om de hoofdbatterij uitsluitend één enkel kaliber te geven, waardoor men beter in staat was te beoordelen hoe de elevatie van het geschut na een salvo moest worden bijgesteld, het "all-big-guns" principe. Later breidde men dit toch weer uit met een kleiner kaliber kanons tegen torpedoboten, en weer later ook met luchtafweergeschut. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De super-dreadnought Revenge (1916) heeft alleen nog over elkaar heen schietende geschutstorens met 38 cm kanons in de hartlijn. De B- en de X-toren (zie eind paragraaf') zijn voorzien van een platvorm voor het afvliegen van een waarnemingsvliegtuig. Hoewel wat traag deed het schip na modernisering nog dienst in WO2. Vanaf 1909 begint men de geschutstorens trapsgewijs over heen elkaar schietend in de hartlijn van het schip te plaatsen, zodat die van midscheeps tot 160° konden worden gebakst. De grote luchtdruk tijdens vuren op de onderliggende toren werd opgelost door de open richtkappen te vervangen door kijkglazen. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De super-dreadnought Nelson (1927) en het zusterschip Rodney hadden drielingtorens met 40½ cm kanons. De C-toren (zie eind paragraaf) schoot niet over de A- en de B-toren heen. Het aanvallende concept voorzag niet in verdedigende torens op het achterdek. (zie afbeelding' en gegevens') Een opstelling in tweelingtorens zagen wij al in 1870. De eerste drieling-torens werden in 1913 door de V.S. ingevoerd. De eerst vierlingtorens werden in 1937 door de Fransen ingevoerd op de Dunkerque-klasse slagschepen. Drieling en vierling-torens hadden ten opzichte van tweeling-torens het nadeel van een lagere vuursnelheid, maar het voordeel van een kleinere spreiding van het geschut en dus een kortere romp, die over alle magazijnen heen gepantserd moest worden. Binnen een gegeven tonnage was daar- door een zwaardere pantser-bescherming mogelijk. De slagschepen van de V.S. werden vanaf begin WO1 immers beschermd door de alles-of-niets bescherming, met zware pantsering van de vitale delen, en lichte pantsering van de stevens. De overige landen zouden spoedig vogen. De ondergang Graf Spee' in de Slag bij de Rio de la Plata' met slechts twee drielingtorens, één voor en één achter, tegen drie Britse kruisers, maakte duidelijk dat deze configurate het nadeel had dat de vuurkracht niet over meerdere doelen verdeeld kon worden. De torens werden in Engeland overigens van voor naar achter aangeduid als A-, B- en C-toren op het voorschip, en van voor naar achter als X- en Y-toren op het achterschip. Eventuele midscheepse torens werden P-, Q-, R-toren etc. genoemd. Torens voor middelgrootgeschut heetten P- (port) en S-toren (starboard) en waren dan van voor naar achter genummerd (P1, P2 etc.). De Duitsers duidden de torens van voor naar achter aan met A- t/m E-toren, meestal uitgedrukt in het Duitse radiofonie-alfabet (Anton - Bruno of Berta - Caesar - Dora - Emil). (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Een bijzondere op zee plaatsing van luchtafweergeschut waren de in1942 in de delta van de Thames en de Mercey afgezonken betonnen Maunsell Navy Sea Forts die het leggen van zeemijnen door de LuftWaffe moesten hinderen. En de Maunsell Army Sea Forts, die lichter gebouwd waren met een speciale sokkel om niet te veel hinder te ondervinden van de zo dicht onder de kust onstabiele getijbanken, die de scheepswerven moesten verdedigen tegen aanvallende bommenwerpers. Een Army Fort bestond uit zeven torens op palen die onderling verbonden waren door stalen loopbruggen. De radarinstallatie bevond zich in de hoofdtoren, vier torens waren uitgerust met luchtafweergeschut en de iets erbuiten liggende toren was uitgerust met zoeklichten. De forten konden zo op dezelfde manier opereren als de luchtafweerbatterijen op het vasteland. ▪Projectielen (menu, verklarende woordenlijst) Vanaf 1856 maakten de getrokken loop explosieve cilindrische granaten mogelijk, die na de staal- ontwikkeling eind 19e eeuw gevolgd werden door de pantserdoorborende granaat. Deze aanvankelijk van een chroomstalen kap voorziene granaat (1892) werd via het "holle kap"- principe (1908) doorontwikkeld tot de pantsergranaat met hoogdestructieve werking uit het begin van WO1. De wedloop tussen pantser en granaat was daarmee definitief in het voordeel van de granaat beslecht. Eind 19e eeuw ontwikkelde men het hoogexplosieve rookloze cordiet. Omdat men daar minder van nodig heeft dan bij gebruik van gewoon kruit kon men voor de grotere kalibers van kruit voorziene patroonhulsen maken, die samen met de granaat werd geladen. Deze patroonhuls was dus niet geïntegreerd in de granaat. Door bij de kleinere kalibers de patroonhulzen met kruit te geïntegreren in de granaat ontstonden snelvuurkanons met een kaliber van 12 cm en later van 15,2 cm. Tijdens WO1 bleken er zich problemen voor te doen met de Engelse pantser-granaten. De Duitsers hadden dit probleem tijdens WO2. ▪Kruit (menu, verklarende woordenlijst) In de begintijd werd snelbrandend "zwart" kruit gebruikt, verpakt in kardoezen. Half 19e eeuw voerde men de mondingssnelheid van het geschut op met de ontwikkeling van langzamer brandend kruit en door vergroting van de kardoeskamer. Die tragere ontbranding werd bereikt door het kruit een grofkorrelige, en later prismatische struktuur te geven. Rond 1880 werd het nog langzamer brandende "bruin" kruit ontwikkeld door verlaging van het zwavelgehalte en verhoging van het salpeter- en houtskoolgehalte. Dit alles maakte de weg vrij voor kanons met langere loop en daardoor een veel hogere mondingssnelheid. Eind 19e eeuw werd een krachtiger en niet rokend kruit ontwikkeld, cordiet, uit een mengsel van nitroglycerine en schietkatoen. Granaten met geïntegreerde patroonhulzen, gevuld met dit kruit, maakten de ontwikkeling mogelijk van snelvuurkanons tot een kaliber van 12 cm en later van 15,2 cm. ▪Bediening kanon (menu, verklarende woordenlijst) In de zeiltijd bedroeg de vuursnelheid van de toenmalige kanons met korte gladde loop bij de Engelsen en Nederlanders één schot per minuut, wat aanzienlijk hoger was dan bij Fransen en Spanjaarden. De vuursnelheid van een carronade, een zeer groot kaliber korte-afstands kanon, was dank zij de eenvoudige bediening zelfs drie schoten per min. Half 19e eeuw was de vuursnelheid van de Engelse getrokken voorladers in torens 2 à 3 schoten per 2 min. De voorladers werden ter bescherming van het personeel geladen door de loop te dompen tot achter een beschermende pantserwal die rondom de toren liep. Bij de Franse achterladers in de barbettes was de vuursnelheid slechts 1 schot per 2 min wat echter sterk verbeterde toen men er in slaagde het kanon te laden zonder de elevatie te veranderen. Tijdens WO2 lag de vuursnelheid van de 46 cm kanons van de Japanse Yamato' op 3 schoten per 2 min. De vuursnelheid nam eind 19e eeuw met de invoering van het 12 cm snelvuurkanon sterk toe tot 14 schoten per minuut, tegen 2 schoten per minuut voor een gewoon 12,7 cm kanon. Tijdens WO1 beschouwde men een vaarsnelheid van 18 knopen een goede snelheid voor accuraat gebruik van de artillerie. Dracht (menu, verklarende woordenlijst) Tot half 19e eeuw liep het maximaal bereik geleidelijk op tot 3½ km. Na de invoering van langzaam brandend kruit, de vergrote kardoeskamer en de lange getrokken loop werd dat snel groter tot 13½ km in 1900, en 32 km in 1915. -Maximale dracht Half 16e eeuw - 1.650 m 17e eeuw - 1.850 m 18e eeuw - 2.100 m Begin 19e eeuw - 2.750 m Half 19e eeuw - 3.650 m Eind 19e eeuw - 13.700 m Vanaf begin 20e eeuw - 32.000 m (WO1 en WO2) -Gebruikelijke slagafstand Zeiltijd breedzij (tot half 19e eeuw) - 300 m Pre-dreadnought (vanaf eind 19e eeuw) - 6 km (bepaald door middelgrote kanons) vb. Slag bij Tsoesjima', 1905 Dreadnought (vanaf begin 20e eeuw) - 15 km ("all-big-guns" principe) vb. Slag bij Jutland', 1916 Snel slagschip (2e Wereldoorlog) - 23 km (vuurleiding, toename kaliber) vb. Jacht op de Bismarck', 1941 Vliegdekschip (2e Wereldoorlog) - 300 - 400 km vb. Slag om Midway', 1942 In de pre-dreadnought tijd liep de dracht van het zware geschut snel op. Maar omdat men vocht binnen het bereik van de middelgrote kanons werd de slagafstand bepaald door de dracht van de middelgrote kalibers, wat bij 15,2 cm neerkomt op 6-8 km, en voor nog kleinere kalibers op 2½-4½ km. Het 15,2 cm geschut bleek in de Slag bij Tsoesjima echter weinig effectief. De vuurleiding voor grote afstand liep overigens sterk achter op de snelle toename van de dracht. De slagafstand liep vanaf de dreadnought periode weer op omdat de hoofdbatterij geen kleiner kaliber meer bevatte die het zoals voordien nodig maakte om elkaar dichter te naderen dan voor het grootste geschut nodig was. Door dit all-big-guns principe werd het ook gemakkelijker de waar- genomen inslagen te correleren aan het afgegeven vuur, en dat kwam de vuurleiding ten goede. De slagafstand werd overigens ook nu niet bepaald door de maximale dracht van de kanons, maar door de effectieve dracht, de weerstand van de schepen tegen gevechtsschade en de nauwkeurigheid van de vuurleidingssystemen. Tijdens WO1 bedroeg de tijd tussen schot en inslag over een afstand van 20 km ongeveer 25 sec. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Vuurleiding met optische afstandsmeter in de waarnemingsmast van de Britse super-dreadnought Revenge (1940) met rechts het occulair beeld. (zie plattegrond van de Revenge') Vuurleiding (menu, verklarende woordenlijst) Met de opkomst van de dreadnoughts (1906) met hun all-big-guns principe, kwam ook het vuurleidingssysteem tot ontwikkeling, waardoor men tot ruim 10-15 km afstand effectief vuur kon geven. De centrale vuurleiding werd geregeld vanaf de gevechtsmast, waar men een optische afstandsmeter met een meetbasis van 2,74 m plaatste, die men met behulp van spreekbuizen met de geschuts- torens verbond. Later werd deze voorziening vervangen door een elektrisch vuurleidingstoestel dat de standen van de aanwijsinstrumenten aan alle torens doorgaf. Bij het toenemen van de gevechtsafstand moesten de afstandsmeters groter worden. Duitsland ontwikkelde een goed werkend stereoscopisch systeem. Het vuurleidingssysteem had tot doel de stukken tegelijk te laten vuren met een voor alle kanons tevoren bepaalde elevatie en peiling. Dit systeem vereiste een identiek kaliber en mondingssnelheid voor alle stukken. Voor een goede waarneming was een salvo van minstens 4 kanons noodzakelijk. Bovendien moest de vuursnelheid groot genoeg zijn om op het vorige salvo te kunnen corrigeren. De Engelsen schoten daartoe een salvo van 1 kanon per toren. Dit vereiste een breedzij van minstens 8 kanons, verdeeld over 4 dubbeltorens. Het belang van een goed vuurleidingssysteem werd in 1912 overtuigend door de Britten aangetoond door de resultaten van een proef met de dreadnoughts Orion en Thunderer met elkaar te vergelijken. Beide schoten op topsnelheid varend in een ruwe zee gedurende 3 minuten op een eveneens varend doelschip op een afstand van ca. 7700 m. De Orion loste zonder vuurleiding 27 schoten en boekte slechts 4 treffers, tegen de Thunderer die met vuurleiding tot 39 schoten kwam en 23 treffers boekte. Nog vóór WO2 ontwikkelden zowel Duitsland als Engeland een zee-radar dat nauwkeurig genoeg was voor vuurleiding. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Het Britse snelle slagschip Anson van de King George V-klasse waartoe ondermeer de Duke of York en de Prince of Wales behoorden. De (hier iets donkerder) verticale pantsergordel (klik hier') bij de waterlijn is goed te onderscheiden. (zie gegevens') Overige bewapening (menu, verklarende woordenlijst) ▪Pantser (menu, verklarende woordenlijst) -Zeiltijd De eerste poging tot bescherming tegen gevechtsschade bestond uit een forse huiddikte van massief eiken. In de zeiltijd kwam de totale wanddikte, bestaande uit binnenbeplanking, spanten met vulstukken, hoofdbeplanking en dubbeling (extra buitenhuid ter bescherming tegen paalworm en ijs- schotsen), op ongeveer een halve meter. Bij zware oorlogsbodems kon de wanddikte echter oplopen tot 1,5 m massief eikenhout. Voldoende tegen de niet-explosieve smeedijzeren ronde kogels van het gladloopsgeschut van die dagen op de gebruikelijke slagafstand van 300 m tussen de linies. -Vanaf half 19e eeuw Van echte pantsering was pas sprake toen men begon smeedijzer aan te brengen op de houten beplanking. Met het zwaarder worden van dat pantser werd men al gauw gedwongen over te gaan op een geheel ijzeren romp met hooguit een ondersteunende laag teakhout. Door het grote gewicht van het pantser en van de steeds zwaarder wordende artillerie lagen de schepen laag op het water en nam de stabiliteit af. De uitwatering werd te klein en de schepen konden het gewicht en de winddruk van de topzware tuigages niet meer dragen. -Stoomtijd, vanaf half / eind 19e eeuw (zie ook Ontwikkeling kanon' en Plaatsing geschut' ) Bij het gevecht tussen de Monitor en de Merrimac in 1862 (Slag bij Hampton Roads' ) bleek dat de sterkte van het pantser het tijdelijk had gewonnen van het penetrerend vermogen van de granaat waarop de schepen werden uitgerust met een ram-boeg (ramschip' ). Rond 1880 is men van smeedijzeren pantsering overgegaan op staalplaat. De dikte van het pantser kon plaatselijk oplopen tot 56 cm. Om gewicht te besparen beperkte men de pantsering aanvankelijk tot een centrale kazemat (citadel, de centraalbatterijschepen'). De stevens waren niet of nauwelijks gepantserd en werden verdeeld in cellulaire compartimenten waarvan er enkele met kurk waren gevuld. De centrale kazemat werd vervolgens vervangen door draaibare barbettes (een gepantserde opbouw zonder bovenbedekking) en geschutstorens (draaibaar op het dek opgesteld gepantserd kanonhuis, ramtorenschip'). Eind 19e eeuw bleek het nikkel-staalpantser van Harvey (1891) en Krups, gevolgd door die van chroom-nikkelstaal (1892), zozeer gewichtbesparend dat de aanvankelijk nog te zware geschutstoren (= torenconstructie op een barbette) de barbette begon te verdringen. Deze pre-dreadnoughts waren aanvankelijk nog voorzien van een ramsteven, maar door het inmiddels ontstane overwicht van de granaat over het pantser en de daardoor vergrote slagafstand zou deze spoedig vervangen worden door een hydrodynamisch gunstige bulbsteven die niet meer als een aanvalswapen werd gezien. In 1913 keerden de V.S. met de dreadnoughts van de Oklahoma-klasse terug naar concentratie van de pantsering (34½ cm op de vitale delen en 20½ cm voor de rest). Een alles-of-niets principe dat snel door alle andere marines werd gevolgd. Tijdens de Slag bij Jutland bleek met het in de lucht vliegen van drie Britse slagkruisers en zware schade bij de rest, dat het concept van deze licht gepantserde slagkruisers, althans in de slaglinie, niet deugde. De Hood' (1920) zou de laatste Engelse slagkruiser worden, die tijdens WO2 helaas eveneens het slachtoffer zou worden van onvoldoende pantsering, met name van het dek. Zij was ten onrechte geclassificeerd als slagschip'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Pantser-schema en side protection system (SPS) van de King George V-klasse'. Let op de 14-15 inch (34-37 cm) dikke pantsergordel op de waterlijn. -Kwart 20e eeuw: Gewichtsbesparingen en een hoger rendement van de machines maakte de ontwikkeling van het snelle slagschip mogelijk met de pantsering van een slagschip en de snelheid van een slagkruiser. Deze ontwikkeling werd wat de pantsering betreft mogelijk gemaakt door: ▫Gewichtsbesparende constructie (lassen in plaats van klinken, en het gebruik van aluminium waar sterkte geen rol speelde). ▫Concentratie van de pantsering op de vitale delen volgens het alles-of-niets principe. ▫Opoffering van enig zijpantser voor verbetering van de horizontale pantsering in verband met lucht- dreiging en artillerieduels over grote afstand waarbij de granaten onder een steile hoek inkomen. Het gestaag opschroeven van tonnage, pantser en geschut duurde voort totdat tijdens WO2 duidelijk werd dat het kapitale slagschip het definitief had afgelegd tegen de ontwikkeling van het luchtwapen en het geleide projectiel. ▪Rookgordijn (menu, verklarende woordenlijst) Torpedobootjagers of lichte kruisers konden via de schoorsteen een rookveld aanmaken om de eigen schepen of hun bedoelingen aan het oog van de vijand te onttrekken. De rook werd verkregen door stookolie in de rookgassen te injecteren. Zeemijn (menu, verklarende woordenlijst) Een zeemijn is een explosief dat in de zeebodem verankerd ligt, waardoor hij juist onder de oppervlakte drijvend wordt gehouden. Hij komt tot explosie door direct raken (contactmijn, WO1) of door het magnetisch veld van een erover varend schip (magnetische mijn, WO2). Tijdens WO1 werden op een diepte van 3-5 meter door onderzeeërs, torpedobootjagers en kruisers contactmijnen gelegd in velden van 25 tot 100 mijnen. Begin WO1 legden vooral de Duitsers veel mijnen voor de Engelse kust. Later in de oorlog begonnen de Engelsen mijnen in te zetten als blokkademiddel, vooral tegen onderzeeërs. Eind WO1 was 1 miljoen ton aan geallieerde schepen door mijnen verloren gegaan, waaronder 588 Britse schepen. Er gingen 210 Britse mijnenvegers verloren bij het vegen van doorgangen door de mijnenvelden van in totaal 43.000 Duitse mijnen. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Een Wellington bommenwerper met een spoel in een hoepel van 15 m doorsnede en ruim 1250 kg zwaar die het vaarwater kon vegen door met een krachtig elektromagnetisch veld magnetische mijnen tot detoneren te brengen. De vanaf eind 1939 door Duitsland ingezette, vaak door vliegtuigen met parachutes afgeworpen en door onderzeeërs gelegde, magnetische mijnen brachten enorme schade toe. In 1940 was het gevaar ervan echter grotendeels onder controle door veegoperaties met Wellington bommenwerpers die met behulp van een stroomkring door een enorme horizontale aluminium hoepel een sterk magnetisch veld opwekten, en door de schepen er tegen te beschermen door hen met een gordel van stroomkabels te demagnetiseren (degaussing). Mijnenvegers werden voor hun bescherming van hout gebouwd. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Een Sopwith Cuckoo lanceert in 1917, vanaf 3 tot 6 m hoogte en op 1500 m afstand van zijn doel, een 36 cm torpedo van 400 kg. Er werden in 1915 al enkele van zulke aanvallen gedaan met een Short type-184, een voorbode voor de ontwikkelingen in de komende decennia. Maar in feite zou alleen Japan hiermee op WO2 voorbereid zijn. Torpedo (menu, verklarende woordenlijst) Aanvankelijk werd met het woord torpedo een zeemijn aangeduid, daarna een onder water stekende sparmijn aan het uiteinde van een 7,5 m lange boom (spar) op de boeg van een stoomsloep, en pas later een zelfvoortstuwende zeemijn. De laatste werden gelanceerd vanaf torpedoboten, motortorpedoboten, torpedobootjagers, kruisers, onderzeeboten en vliegtuigen. Zij werden na lancering op scherp gezet door middel van een kleine propeller aan de voorzijde van de torpedo. De eerste werkende onderzeese zelfbewegende torpedo werd in 1868 ontwikkeld door de Engelsman Whitehead. Al snel ontwikkelde men afvuurinrichtingen vanaf dek en vanaf onderwater lanceer- buizen. In 1870 liep een Whitehead-torpedo 6 knopen over 900 m op een diepte van 1½ tot 4½ m. In 1890 was de torpedo 5 m lang, 45 cm doorsnee. Hij liep 30 mijl, en had een automatische stuur- inrichting met behulp van een gyroscoop en een zelfsturende diepteregeling. De snelheid nam daarna belangrijk toe door ontbranding van brandstof in samengeperste lucht. Later voegde men aan dit hete gas-lucht mengsel ook stoom toe. Tegen 1914 liepen de torpedo's 44 knopen over 3½ km, of 28 knopen over 9 km. De gebruikte kalibers waren 46 en 53 cm. Het bereik was in WO1 opgelopen tot 6½ km. Tussen de oorlogen ontwikkelden de Duitsers een elektrische aandrijving zonder bellenspoor. Japan ontwikkelde een aandrijving op basis van vloeibare zuurstof, eveneens zonder bellenspoor. Tijdens WO2 waren de meest voorkomende kalibers van torpedobuizen 43 en vooral 53 cm (afgevuurd met een 21 inch-buis). Ook slagschepen voerden torpedobuizen die echter maar zelden werden gebruikt. De taak een vleugellam geschoten schip met torpedo's af te maken liet men liever over aan de beweeglijke torpedobootjagers. Aan het begin van WO2 maakte men gebruik van een magnetisch pistool. Een dieplopende torpedo die onder zijn slachtoffer ontplofte, veroorzaakte immers veel meer schade dan een treffer tegen de huid. De remedie ertegen was verlaging van het scheepsmagnetisme (degaussing). In het begin van de oorlog functioneerde het Engelse magnetisch pistool redelijk, het Duitse onbe- trouwbaar, en het Amerikaanse zelfs twee jaar lang dramatisch slecht. Men keerde dus terug naar het contactpistool. Omdat de Russische torpedo robuust en weinig geavanceerd was (geen mag- netisch pistool en geen elektrische aandrijving) had Rusland aan het begin van WO2 wel een zeer betrouwbare torpedo. Japan begon de oorlog goed met haar uitstekende Long Lance-torpedo's, die werkten met samen- geperste zuurstof in plaats van lucht. Dat was efficiënter en gaf geen bellenspoor. Anderzijds was het gebruik ervan niet ongevaarlijk. Omdat hij door het grote kaliber (9 m lang en kaliber 60 cm) niet in een standaard 21 inch buis paste, werd hij vanaf het dek van een oppervlakteschip of van een onderzeeër gelanceerd. Het bereik was 40 km bij 36 knopen, of 20 km bij 48 knopen (ter vergelijking de Amerikaanse Mark 15 torpedo, 7½ m lang en kaliber 53 cm (21 inch), die een bereik had van 5½ km bij 45 knopen, of 13½ km bij 26 knopen). De Japanse torpedo voor gebruik vanaf vliegtuigen, 5½ m lang en met kaliber 45 cm, liep 2 km bij 41 knopen. Bijna alle torpedo's tijdens WO2 konden tevoren worden geprogrammeerd voor een koerswijziging direct na afvuren. De Duitsers ontwikkelden bovendien programmeerbare vaar-patronen als zig-zag, 8-vorm en heen-en-weer. September 1943 kwamen de Duitsers met een doelzoekende akoestische torpedo, die naar schroef- geruis werd gestuurd. Zij waren betrekkelijk traag (24 knopen) om storing door het eigen geruis te verminderen. De geallieerden bleken hetzelfde idee te hebben gehad. Zij hadden daarbij niet alléén een vanaf vliegtuigen te lanceren akoestische torpedo ontwikkeld, maar hadden ook geanticipeerd op de vermoede Duitse ontwikkeling door een tegenmaatregel voor te bereiden. De akoestische torpedo werd namelijk vrij gemakkelijk door de geallieerden geneutraliseerd met geruismakers (Foxers) die achter de escorteurs werden aangesleept. Men keerde dus weer terug naar het ongeleide principe van hit-or-miss, ofwel fire-and-forget. Geleiding werd uiteindelijk succesvol met de ontwikkeling van de radiografische geleiding die echter pas in de 60-er jaren ter beschikking kwam en daarmee buiten het kader van dit essay valt. De diepteinstelling werd bepaald door de aard van het doel, juist onder de pantsergordel die de romp op de waterlijn omgaf bij een contactpistool of dieper om onder de bodem te exploderen bij een mag- netisch pistool. Dat was in geval van een contactpistool ½ - 1 m voor een platgeboomd vaartuig, 3 m voor een torpedobootjager, een kruiser of een aan de oppervlakte varende onderzeeër, en 7 m voor een slagschip of een carrier. Torpedovliegtuigen voerden i.v.m. de impact op het wateroppervlak een aangepaste torpedo die hen bij het aanvliegen bond aan een maximale lanceerhoogte en -snelheid, en waarbij zij in de laatste fase van de aanval strak rechtuit moesten vliegen. Bij de vroege modellen van de US airborn torpedo Mk 13 (409 x 57 cm, 895 kg, 5½ km bij 33½ knoop) was dat max. 15 m hoogte bij 200 km/u, wat een aanvaller dwong minuten lang het luchtafweer te trotseren. Maar ten tijde van de Slag om Midway' was dat al opgelopen tot max. 300 m hoogte (mits het water er diep genoeg was) bij 550 km/u. In de praktijk voldeed de Mk 13 alleen bevredigend bij een aanvliegsnelheid van max. 280 km/u. De lanceerafstand was ca. 1000 m. Over het algemeen was het gebruikelijk een torpedo te ontwijken door van hem weg te draaien, liever dan ernaar toe. Dat verhoogde de kans dat de torpedo vóór het treffen aan het einde van zijn baan zou komen. Bovendien gaf dat de aangevallene meer tijd de torpedo te ontwijken omdat de snelheid van de torpedo ten opzichte van het doelschip kleiner werd, ook omdat een torpedo aan het einde van zijn baan aanmerkelijk langzamer liep. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Raketaanval met een Corsair' op gronddoelen op Okinawa, 1945 ▪Raket (menu, verklarende woordenlijst) Een raket is een lucht-torpedo met een reactiemotor tegen lucht-, grond- en oppervlaktedoelen voor gebruik vanaf vliegtuigen en oppervlakteschepen. Militair bruikbaar tijdens WO2. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Een Amerikaanse Dauntless' duikbommenwerper aan het eind van zijn duik, de remkleppen nog geopend. ▪Vliegtuigbom (menu, verklarende woordenlijst) Verticale bombardementen op vrij varende scherp manoeuvrerende schepen, hadden nooit veel succes. Zo had de Japanse vloot tijdens de Slag om Midway' in 1942 geen enkele moeite de van grote hoogte door B-17 landbommenwerpers afgeworpen bommen te ontwijken. Dat was echter anders met duikbombardementen. Die bleken wel buitengewoon effectief, vooral in combinatie met een tegelijkertijd uitgevoerde aanval met laagvliegende torpedovliegtuigen. De verliezen aan torpedovliegtuigen waren daarbij zeer hoog. Zij waren immers zwaar beladen, weinig wendbaar en traag, naderden laag onder de naar beneden stormende Zero-jagers' en moesten in de slotfase korte tijd op een vaste hoogte strak rechtuit op het luchtafweergeschut afvliegen. In feite dienden de torpedovliegtuigen vooral als afleidingsmanoeuvre, verwarring zaaiend, de vuur- kracht spreidend en de Zero-jagers naar beneden dwingend, weg van de naderende duikbommen- werpers die tijdens de duik overigens even van de jagers waren verlost omdat die geen remkleppen in de vleugel hadden. De duikbommenwerpers naderden hun doel op ca. 4500 m hoogte en zetten vervolgens bij voorkeur in de vaarrichting een steile duik in van 70° (de Japanners 55°). Zij openden tijdens de duik de rem- kleppen om de snelheid terug te brengen tot ca. 400 km/u en wierpen de bom af op een hoogte van 300 tot 600 m. Niet lager om zelf bij de explosie geen schade op te lopen. Omdat duikbommenwerpers doorgaans worden ingezet tegen zware eenheden zal de bom bijna al- tijd van het pantserdoorborende type zijn. Ingezet tegen niet gepantserde doelen zal zo'n bom wel door het schip slaan, maar komt hij waarschijnlijk niet tot ontploffing. Een vliegtuig kan een bom natuurlijk ook horizontaal laag vliegend afwerpen, eventueel via een kaats op het wateroppervlak. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Aanval op de U-175 met vanaf het achterschip van de Amerikaanse Coast Guard kotter Spencer gelanceerde dieptebommen (de tonvormige explosieven in de twee rekken op het achterdek). Op de achtergrond de handelsschepen van het konvooi. De U-175 werd tot zinken gebracht (1943). Dieptebom (menu, verklarende woordenlijst) -WO1: De Duitse onderzeeboten vielen vrijwel uitsluitend bovenwater aan. Zij waren dan immers aan- zienlijk sneller dan onder water, vormden een klein doelwit voor verkenning en beschieting, en hadden geen luchtmacht te vrezen. De bestrijding berustte in het begin dan ook volledig op boven- watermiddelen zoals kanon en ramtechniek. In 1916 begon de ontwikkeling van de dieptebom. In februari 1917 kwamen de V.S. in de oorlog die de luisterapparatuur voor het opsporen van U- boten (hydrofoon) en de dieptebom verder ontwikkelden. Het Britse echo-locatie systeem Asdic, in de V.S. sonar genoemd, werd pas in 1918 ontwikkeld. Toen de V.S. in de oorlog kwamen hadden de Britten de doeltreffendheid van het varen in kon- vooien al bewezen, en de V.S. namen het systeem over voor de trans-Atlantische route. -WO2: De Britten voerden het in de 1e Wereldoorlog zo succesvol gebleken konvooi-systeem opnieuw in. In de Engelse havens werden de schepen door anti-onderzeebootnetten en mijnenvelden beveiligd. Anderzijds probeerde men de Duitse havens in diverse linies te blokkeren. De onderzeebootbestrijding vond plaats door gespecialiseerde escorteschepen die waren uitgerust met dieptebommen. Het betref een heel scala aan vaartuigen, zoals carriers (ook op de Atlantische Oceaan), torpedobootjagers, fregatten en vooral korvetten (Flowerklasse'). Verder door op land gestationeerde lange-afstands vliegtuigen. Vanaf eind 1941 bouwden de Britten koopvaardijschepen om tot hulpvliegdekschepen die beschikten over 15 tot 24 met dieptebommen bewapende Fairey Swordfish' dubbeldekkers en over verbindingsmiddelen om die vliegtuigen boven een konvooi te dirigeren. In september 1942 zetten de geallieerden oproepbare ondersteuningsgroepen op. Daardoor kon een aanval met dieptebommen worden doorgezet zonder dat het konvooi onbeschermd achterbleef. Een U-boot werd zo onder water gedwongen tot hij wel boven water moest komen. Eind 1942 sloten de geallieerden de air-gap in het midden van de Atlantische Oceaan met lange afstandsvliegtuigen (Short Sunderland', Liberator'), en met de inzet van tankers en graanschepen die met een vliegdek werden uitgerust voor 3 tot 4 vliegtuigen (MAC, Merchant Aircraft Carriers of koopvaardij-vliegdekschip). In verband met de blinde kegel van de Asdic opsporingsapparatuur verhoogde men het aantal dieptebomwerpers zodat die een patroon van 10 dieptebommen lanceerden, en men ontwikkelde een beter herlaadsysteem dat een continue aanval mogelijk maakte. Verder maakte men de dieptebom zwaarder waardoor hij sneller zonk en de U-boot minder tijd kreeg weg te draaien. Een met een zwaarder explosief geladen dieptebom werd wel ontwikkeld, maar bleek het risico mee te brengen dat een korvet zijn eigen achterschip opblies. Near-missers met dieptebommen veroorzaakten in de U-boten vaak meerdere lekken, die een U- boot zelfs bij beperkte lekkage toch konden vernietigen. Zo kon de elektronica kortsluiten, of kon binnenkomend water met het zwavelzuur in de accu's giftig chloorgas vormen etc. In 1941 kregen de escorteurs voor de onderzeebootbestrijding de beschikking over de Hedgehog (stekelvarken), een mortier die een patroon van 24 kleine bommen (geen dieptebommen) ver voor het schip uit wierp. Voordeel van hun contactpistool was dat niet exploderende bommen bij een mislukte aanval het Asdic-contact niet verstoorden. Een treffer met één bom kon een U-boot doen zinken, maar anders dan bij een gewone dieptebom kon een nearmisser dat niet. In 1943 werden escorte-torpedobootjagers uitgerust met de Squid, die 3 gewone dieptebommen ver voor het schip uitwierp. Deze dieptebommen waren, anders dan de kleine bommen van de Hedgehog, ook effectief als zij op enige afstand van het doel exploderen. Asdic en Radar (menu, verklarende woordenlijst) Asdic (geluids echolocatie systeem voor onder water, in de V.S. Sonar genoemd) en Radar (elektromagnetisch echolocatie systeem) en dienen zowel voor detectie als voor vuurleiding. Beide werden nog voor WO2 ontwikkeld, de Asdic al in 1918, en voor beide was er in WO2 een belangrijke rol weggelegd. De Amerikanen ontwikkelden hun Sonar-technologie pas in 1931. -Asdic (menu, verklarende woordenlijst) De Engelsen ontwikkelden Asdic, maar het systeem had beperkingen. Het had een bereik van slechts 1,5 zeemijl, werkte minder goed in zeer koud water, en het doel verdween bij dichte na- dering in de blinde kegel en na explosie van de dieptebommen. Ook grote scholen vis en ge- scheiden lagen water met verschillende temperatuur of met verschillend zoutgehalte verstoorden de goede werking. Bovendien ontwikkelden de Duitsers de pillenwerfer die na gelancering vanuit een lanceerbuis als een enorme bruistablet werkte, en zo een valse Asdic-echo gaf. Een ervaren ope- rator werd er echter niet door misleid. De werking van Asdic berustte op een zender, waarvan het hart bestond uit een kwartskristal dat bij wisselstroom-passage een gericht geluidssignaal afgaf, en uit een echo-ontvanger die het tijdverschil tussen de "ping" en de echo kon bepalen en zo de afstand tot het doel vaststelde. Men bepaalde de richting door de geluidsbron bij het zoeken in een bundel rond te draaien. De zoekstraal werd tijdens de feitelijke aanval nauwkeuriger gemaakt door deze bundel smaller te maken. Aanvankelijk gaf de Asdic alléén richting en afstand aan, maar in latere uitvoering ook de diepte. -Radar (menu, verklarende woordenlijst) De stand van de techniek met betrekking tot de toenmalige vacuümbuizen dwong de wetenschap- pers in de dertiger jaren tot de ontwikkeling van een echolocatie systeem voor elektromagnetische golven in het 75 tot 200 MHz bereik, en die lage frequentie (en dus een grote golflengte van 4 tot 1½ m) vereiste een grote antenne en had een lage resolutie. Het Britse Chain Home systeem werkte zelfs met 25 MHz (12 m golflengte) en dus met een zeer grote antenne. In 1939-1940 slaagden de gealieerden erin buizen te ontwikkelen die het mogelijk maakte te werken met microgolffrequenties waarmee V.S. technici erin slaagden een microgolfradar te ont- wikkelen met zo'n kleine antenne dat inbouw in vliegtuigen met detectie van zoiets kleins als de periscoop van een onderzeeër mogelijk werd. Overigens ontwikkelden meerdere landen onafhankelijk van elkaar een radar-systeem: ▫Duitsland bezat in 1934 een radarsysteem (Freya) dat een schip kon detecteren op 4½ mijl afstand met een nauwkeurigheid van 50 m (goed genoeg voor vuurleiding), of een op 500 m hoogte vliegend vliegtuig op 15 mijl afstand. De apparatuur werkte met een korte decimeter- golflengte (lage frequentie), wat ook een relatief kleine antenne met zich meebracht. ▫Engeland ontwikkelde in 1936 een radarsysteem dat waarnam tot op 25 mijl. Het apparaat werkte met een grote golflengte (lage frequentie), wat om een grote antenne vroeg. ▫Ook in de V.S. en Frankrijk werd nog vóór de oorlog radar ontwikkeld. ▫Japan en Italië volgden pas tegen het eind van de oorlog. ▫Rusland kwam pas in contact met radar (en asdic) door de geallieerde wapenhulp. -Radar luchtmacht (menu, verklarende woordenlijst) Duitsland had, anders dan men vaak meent, tot in 1942 geen achterstand in de elektronische oorlogsvoering, maar het faalde in de toepassing ervan. Radar kreeg vóór en in het begin van de oorlog in Duitsland minder aandacht dan in Engeland. Duitsland bezat aan het begin van de oorlog daardoor slechts 8 apparaten met zeer beperkte dekking, tegen de Engelsen een compleet netwerk, zij het met grote kwetsbare antennes. De Duitse laksheid blijkt o.a. uit de wijze waarop men met de reeds in 1938 ontdekte 4,4 mm-golf omging. De erop gebaseerde Heidelberg-radar met een bereik van 380 km werd pas in 1944 ontwikkeld. Duitsland had dus aan het begin van de oorlog een radar kunnen hebben waarmee het de Britse jagergroepen en bommenwerpers vanaf Norfolk had kunnen zien opstijgen... Aan het begin van de oorlog kon met het Freya-radar richting en afstand, maar niet de vlieghoogte worden bepaald, omdat de vlakke antenne alléén om een verticale as draaide. Na de Freya ontwikkelden de Duitsers in 1940 het Würzburg radarsysteem met schotelantenne, dat werkte in het ultrakortegolfgebied van 53 cm. Het had weliswaar slechts een kort bereik, maar kon wel nauwkeurig positie en, anders dan de Freya, ook de hoogte van het doel vaststellen. Twee van deze Würzburg systemen (één voor de vijand, de ander voor de onderschepper, en een lange-afstands Freya vormden samen een "doos" dat door de Duitsers een Himmelbett genoemd werd. Dit systeem kon overigens slechts één nachtjager per radarpost tegelijk naar zijn doel brengen. Duitsland bouwde er vanaf 1940 een linie van Denemarken tot Rotterdam mee op van aaneengesloten Himmelbett-zones met elk een diameter van 30 km. Het Freya-radar had in dit systeem inmiddels een "early warning"-bereik van 120-150 km bereikt. Het Würzburg-radar diende ook voor de vuurleiding van de luchtafweerkanonnen. De Duitsers rusten vanaf augustus 1941 hun nachtjagers uit met het Lichtenstein contactradar. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Enkele bewaard gebleven torens van het Engelse Chain Home radarsysteem dat zich tijdens WO2 over de hele oost-kust van Engeland ontplooide, gezien vanaf de pier van Ventnor (1953). Links de houten ontvangstmasten en rechts de stalen zendmasten. De Britse CH (Chain Home) apparatuur uit het begin van de oorlog bestond uit een zendgedeelte en een ontvanger. De zender bestond uit twee stalen 110 m hoge torens die met elkaar waren verbonden door een kabelbespanning die een vaste energiestroom in een bundel van ca. 100° breed uitzond. De ontvanger bestond uit een 73 m hoge houten toren met twee loodrecht op elkaar staande horizontale antennes. De radaroperator bepaalde de hoek tot het doel uit het signaal- sterkteverschil tussen de twee antenne-delen, en de afstand uit de echovertragingstijd. Een tweede stel antennes lager op de toren gaf door het uitleesverschil met het eerste stel op soortgelijke wijze informatie over de elevatie tot het doel. De echogegevens werden uitgelezen met een oscilloscoop. De hoge masten waren overigens vanaf de Franse kust te zien. De Engelse radar kon dus behalve richting en afstand ook de vlieghoogte bepalen, en kon zelfs een indruk geven van het aantal inkomende vliegtuigen. Het bereik was tijdens de Slag om Engeland' opgevoerd tot 190 km. Hoewel de aanvallers al werden gedetecteerd voor zij de Franse kust verlieten, was de waarschuwingstijd tot de bommen op London vielen soms toch slechts 18 min. Het systeem werkte goed voor detectie boven zee, maar niet boven land, reden een netwerk van door burgervrijwilligers bemande waarnemingsposten op te zetten. Later ontwikkelde men een aanvullend CH Low systeem om ook laaginkomende vliegtuigen onder de 1500 m te detecteren (tot een ondergrens van 150 m, of van 600 m bij een bereik van 55 km). Dat de Duitsers zelfs tijdens de Slag om Engeland het belang van radar nog niet op waarde wisten te schatten blijkt wel uit de geringe inspanningen om deze kwetsbare antennes te vernietigen. Het bleek trouwens ook lastig de hoge, maar smalle radartorens te beschadigen. Overigens was de apparatuur ook na zware beschadiging binnen 24 uur weer in de lucht. Tijdens de reparatie zond men ter misleiding fake-radargolven uit. Vanaf half 1940 bouwden de Engelsen de radar in bij hun nachtjagers. Apparatuur met een kortere golflengte, een ronddraaiende antenne en een oscilloscoop met een ronddraaiende zoekstreep kwam eind 1941 in gebruik. Begin 1942 ontwikkelden de Engelsen ten behoeve van de navigatie van hun bommenwerpers het lucht-grondradar H2S dat een radarkaart van de grond toonde. -Radar marine (menu, verklarende woordenlijst) De Duitse Freya-radar werkte met een golflengte van 120 cm, wat kleinere toestellen mogelijk maakte en een hogere resolutie gaf dan de Engelsen met hun 12 m CH radar. Deze kleinere antenne maakte voor de Duitsers ook de ontwikkeling van radar aan boord van schepen mogelijk (Seetakt). De grootte van de Engelse antennes werden op land gecompenseerd door het meer uitgebreid netwerk, maar belemmerde wel de plaatsing aan boord van de schepen. De snelle ontwikkeling bij de Engelsen leverde echter al gauw een type met een kortere golflengte van 1,5 m op en dus ook een kleinere antenne, waarna ook de aanvankelijke voorsprong van het Duitse maritieme radar al half 1941 verloren ging. Zo had het Duitse vestzakslagschip Graf Spee' in de slag bij Rio de la Plata in december 1939 nog het voordeel van radargestuurde vuurleiding. In 1943 verscheen aan geallieerde zijde de 10 cm kortegolf radar (ASV) voor gebruik op vliegtuigen en escorteschepen in hun strijd tegen de U-boten, in het laatste oorlogsjaar gevolgd door het 3 cm radar. De achtergebleven ontwikkeling van het Japanse radar was één van de redenen waarom Japan in 1942 de Slag om Midway' zou verliezen. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Amerikaanse Dauntless' duikbommenwerpers van de carrier Hornet boven de brandende Japanse zware kruiser Mikuma bevestigden tijdens de Slag om Midway' in 1942 de principale rol van carriers in een moderne marine. Vliegtuigen (menu, verklarende woordenlijst) Vliegtuigen vallen vanuit de zeevaart gezien eigenlijk onder hfdst. "Overige bewapening", maar tijdens WO2 was het viegtuig zo bepalend dat de carrier het slagschip overtuigend verdrong als meest principale schip. Reden het vliegtuig in dit essay over scheepvaart een eigen podium te geven. U vindt hier alleen vliegtuigen die het luchtoverwicht bevochten, of die tegen marine-eenheden en handelsvaart werden ingezet, direct of als verkenner. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Een Hellcat' pakt de remkabel op bij de landing op een tegen de wind opstomende carrier (1945). Carriervliegtuigen verschilden wezenlijk van landvliegtuigen. Zij moesten een lage afglijsnelheid bezitten (een lage minimum snelheid), goed zicht op de landingsplaats (waaraan het de Corsair' aanvankelijk ontbrak), een groot vliegbereik, een robuust landingsgestel en voorzieningen als een vanghaak om een over het dek van een carrier gespannen remkabel te grijpen en invouwbare vleugels. In een luchtgevecht en voor het veroveren van luchtoverwicht zijn vuurkracht, incasseringsvermogen, maar vooral wendbaarheid en klimsnelheid overigens van veel grotere tactische waarde dan een hoge maximum snelheid. Vliegbereik en plafond hebben vooral strategische waarde. Zie voor de inzet van carriervliegtuigen de paragraaf Carrier-tactiek'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Britse Spitfires' Mark 9, het type jager dat in de versie Mark 1A samen met de Hurricane' de Slag om Engeland' won. Deze toestellen waren gestationeerd op Biggin Hill in Kent. ▪Boven Europa en Europese kustwateren gebruikte landvliegtuigen in WO2 (menu, verklarende woordenlijst) Zie voor de vliegeigenschappen in paragraaf Slag om Engeland en de luchtoorlog boven Europa'. -Duitsland ▫Messerschmitt Bf-109 (1937), Bf-109E (Emil, 1939) en Bf-109G (Gustaf, 1942) zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' jager, lijnmotor Bf-109G: 640 km/u op 6000 m, vliegbereik 850 km, 1-pers. ▫Messerschmitt Bf-110 (1937) - zie 3-aanzicht' (source) jachtbommenwerper, nachtjager (als jachtkruiser mislukt), twee lijnmotoren Bf-110-C: 560 km/u, vliegbereik 2410 km, 2-pers. (als nachtjager 3-pers.) Bf-110-G: 595 km/u, vliegbereik 900 km ▫Focke-Wulf Fw-190 (1941) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' jager Fw-190-A: stermotor, 656 km/u op 6000 m, vliegbereik 800 km, 1-pers. Fw-190-D: lijnmotor, 685 km/u op 6500 m, 710 km/u op 11000 m, vliegbereik 835 km ▫Junkers Ju-87 Stuka (1936) - zie 3-aanzicht' (source) duikbommenwerper, lijnmotor, vast landingsgestel Ju-87-B: 390 km/u op 4500 m, vliegbereik 500 km, 2-pers. -Engeland ▫Hawker Hurricane (1937) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' en andere afbeelding' jager, jachtbommenwerper, lijnmotor Mk 2: 547 km/u op 6500 m, vliegbereik 965 km, 1-pers. ▫Supermarine Spitfire (1938), Mark 1A (1940), Mark 5 (1941), Mark 9 (1942) en Mark 14 (1944) zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding Mark 5' en Mark 9' jager, lijnmotor Mk 5: 605 km/u op 4000 m, vliegbereik 760 km, 1-pers. ▫Hawker Typhoon (1941) - zie 3-aanzicht' (source) jager, jachtbommenwerper, lijnmotor Mk 1B: 663 km/u op 5500 m, vliegbereik 820 km, 1-pers. -V.S. ▫Lockheed P-38 Lightning (1941) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' jager, dubbelstaart met twee lijnmotoren P-38-L: 712 km/u op 8500 m, vliegbereik met externe tanks 3640 km, 1-pers. ▫North American P-51 Mustang (1942) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' jager, lijnmotor P-51-D: 703 km/u op 7500 m, vliegbereik met externe tanks 2755 km, 1-pers. P-51-H: 784 op 7500 m, vliegbereik met externe tanks 1865 km ▫Republic P-47 Thunderbolt (1942) - zie 3-aanzicht' (source) jager, jachtbommenwerper, stermotor P-47-D: 697 km/u op 9000 m, vliegbereik met externe tanks 2900 km, 1-pers. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Een Amerikaanse Catalina' vliegboot, een lange-afstands verkenner met een vliegbereik van ruim 4000 km wat bij een kruissnelheid van 200 km/u een vliegduur van ruim 20 uur betekende, en met een last tot 500 kg en een vliegsnelheid van 175 km/u ruim 5600 km in 28 tot 32 uur. Catalina's waren verantwoordelijk voor de verkenning van het Duitse slag- schip Bismarck' in 1941 en van de Japanse vloot voorafgaand aan de Slag om Midway' in 1942. Klik op de afbeelding voor een patrouille boven Alaska. ▪Boven de oceanen gebruikte landvliegtuigen in WO2 (menu, verklarende woordenlijst) -Duitsland ▫Focke-Wulf Fw-200 Condor (1937) - zie 3-aanzicht' (source) lange-afstands verkenner en bommenwerper (Atlantische Oceaan en Noordelijke IJszee), vier stermotoren Fw-200-C/U: 360 km/u op 5000 m, vliegbereik 3560 km, 5-pers. -Engeland ▫Short S.25 Sunderland (1938) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' lange-afstands verkenner en onderzeebootbestrijding (Atlantische Oceaan), vliegboot, vier stermotoren Sunderland-3: 336 km/u op 2000 m, vliegbereik 2850 km, 8 á 11-pers. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Amerikaanse twee-motorige lange-afstands Lockheed P-38 Lightning' landjager was te zwaar voor het Europese front maar voldeed uitstekend boven de Pacific. -V.S. ▫Lockheed P-38 Lightning (1941) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' jager (Stille Oceaan), twee lijnmotoren ▫Consolidated PBY Catalina (1936) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' lange-afstands verkenner en onderzeebootbestrijding (Stille Oceaan), vliegboot, twee stermotoren PBY-5A: 314 km/u, vliegbereik 4030 km, 8-pers. ▫Consolidated B-24 Liberator (1941) zie 3-aanzicht' van de PB4Y Privateer (source), de marine-versie van de B24 Liberator. lange-afstands verkenner en onderzeebootbestrijding (Atlantische Oceaan), vier stermotoren B-24-J: 470 km/u, vliegbereik 3400 km, 7 á 10-pers. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Squadron commandant Dunning onderneemt een 2e experimentele landingspoging met een Sopwith Pup' op de carrier Furious'. Het dekpersoneel grijpt de lussen aan de vleugels om het toestel af te remmen. Dunning zal bij deze poging de dood vinden (1917). Klik op de afbeelding voor een andere foto, enkele seconden later... De man op de voorgrond van de tweede foto is wellicht de fotograaf van de eerste. ▪Britse carriervliegtuigen (menu, verklarende woordenlijst) -WO1 ▫Sopwith Pup (1916) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' tweedekker jager 90 pk rotatiemotor: 179 km/uur op zeeniveau, vliegduur 3 uur, 1-pers. ▫Sopwith Camel (1917) - zie 3-aanzicht' (source) tweedekker jager 130 pk rotatiemotor: 185 km/uur op 2000 m, vliegduur 2 ½ uur, 1-pers. ▫Sopwith 1½-Strutter (1916) - zie 3-aanzicht' (source) 2 dekker lichte bommenwerper 110 pk rotatiemotor: 162 km/uur op 2000 m, vliegduur 4 uur, 2-pers. -WO2 ▫Gloster Sea Gladiator (1937) - zie 3-aanzicht' (source) tweedekker jager met vast landingsgestel en kap, stermotor Mk 1: 407 km/uur op 4500, vliegbereik 690 km, 1-pers. ▫Hawker Sea Hurricane (1937) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' en andere afbeelding' van de Hurricane jager, jachtbommenwerper, lijnmotor ▫Blackburn Skua (1938) - zie 3-aanzicht' (source) jager, duikbommenwerper, stermotor Mk 2: 360 km/uur op 2000 m, vliegbereik 1300 km, 2-pers. ▫Fairey Fulmar (1940) - zie 3-aanzicht' (source) jachtbommenwerper, verkenner, lijnmotor Mk 2: 438 km/uur op 2000 m, vliegbereik 1255 km, 2-pers. ▫Supermarine Seafire (1942) zie gegevens', 3-aanzicht' (source) en afbeelding van de Mark 5' en Mark 9' Spitfire jager, lijnmotor ▫Fairey Firefly (1943) - zie 3-aanzicht' (source) jachtbommenwerper, verkenner, lijnmotor Mk 1: 509 km/uur op 4500 m, 2090 km, 2-pers. ▫Fairey Swordfish "Stringbag" (1936) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' en andere afbeelding' 2-dekker torpedovliegtuig, onderzeebootbestrijding, vast landingsgestel, geen kap, stermotor Swordfish 1: 224 km/uur op 1500 m, vliegbereik 880 km, 2 á 3-pers. ▫Fairey Barracuda (1943) - zie 3-aanzicht' (source) torpedovliegtuig, duikbommenwerper, onderzeebootbestrijding, lijnmotor Mk 2: 367 km/uur op 500 m, vliegbereik 1100 km, 3-pers. ▫Amerikaanse toestellen: Hellcat', Corsair' en Avenger' (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Amerikaanse Grumman Wildcat' marinejager waarmee de V.S. de oorlog in gingen. ▪Amerikaanse carriervliegtuigen (menu, verklarende woordenlijst) -WO2, 1e generatie ▫Brewster F2A Buffalo (1939) - zie 3-aanzicht' (source) jager, stermotor F2A-3: 517 km/uur op 5000 m, vliegbereik 1555 km, 1-pers. ▫Grumman F4F Wildcat (1940) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' en nog een afbeelding' jager, stermotor F4F-3: 531 km/uur, vliegbereik 1360 km, 1-pers. ▫Douglas TBD Devastator (1937) - zie 3-aanzicht' (source) torpedovliegtuig, stermotor TBD-1: 331 km/uur op 2500 m, vliegbereik met torpedo 700 km, 1150 km met bommen, 3-pers. ▫Douglas SBD Dauntless (1940) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' en nog een afbeelding' duikbommenwerper, stermotor SBD-5: 410 km/uur op 4000 m, vliegbereik 1795 km, 2-pers. werd met open kap gevlogen (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Een Amerikaanse Chance Vought F4U Corsair'. De omgekeerde meeuwenvleugel had geen airodynamische motief, maar was nodig om de lengte van het landingsgestel in de hand te houden bij gebruik van de grote driebladige pro- peller (ruim 4 m doorsnede) die nodig was om het sterk toegenomen motorvermogen efficiënt te kunnen benutten. -WO2, 2e generatie ▫Grumman F6F Hellcat (1943) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' jager, stermotor F6F-5: 610 km/uur, vliegbereik 1520 km, 1-pers. ▫Chance Vought F4U Corsair (1942) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' en nog een afbeelding' jager, jachtbommenwerper, stermotor F4U-4: 718 km/uur, vliegbereik 1615 km, 1-pers. ▫Grumman TBF Avenger (1942) - zie 3-aanzicht' (source) torpedovliegtuig, stermotor 442 km/uur, vliegbereik 1610 km, 3-pers. ▫Curtiss SB2C Helldiver (1942) - zie 3-aanzicht' (source) duikbommenwerper, stermotor SB2C-4: 475 km/uur op 5000 m, vliegbereik 1875 km, 2-pers., werd met open kap gevlogen (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Thach-vlecht manoeuvre: ▪Met twee toestellen (A1 en A2): Beide draaien telkens naar elkaar toe (vlechten), waarna het vrije toestel (A2) vanaf kruising X2 de aanvaller (B) onder vuur neemt. ▪Met twee paren toestellen (paar A1 en paar A2 op 300-400 m afstand): Idem, echter al vurend vanaf de eerste kruising X1. -Opm: ▫In het begin van de oorlog was de Japanse Mitsubishi Zero' superieur aan de Amerikaanse Grumman Wildcat'. Het toestel had een buitengewoon grote actieradius (immers ontworpen als carriervliegtuig), was snel, zéér wendbaar, en beschikte over een ongekende klimsnelheid (het kon aan de schroef hangen, waar een achtervolgende Amerikaanse jager afgleed). De Zero was namelijk niet gepantserd zoals de Wildcat, wat haar echter ook zéér kwetsbaar maakte m.b.t. vlieger en brandstoftank. De brandstoftanks van de Zero waren bovendien niet zelfdichtend. Verder hadden de Japanse vliegers gevechtservaring opgedaan in China, en hadden zij na de succesvolle Aanval op Pearl Harbor' een uitstekend moreel. Toen de Amerikanen daarmee geconfronteerd werden, trachten zij de situatie tactisch op te lossen door in formaties van twee toestellen te gaan vliegen (commander en wingman), en door manoeuvres als de door Jimmy Thach ontwikkelde Thach-vlecht' (bij een aanval van achteren snel naar elkaar toezwenken, elkaars koers kruisen (vrije man onder de aangevallen jager door), weer naar elkaar toedraaien, en vóór de tweede kruising de Zero laten neerschieten door je teamgenoot; eventueel de vlecht enkele malen herhalen). De manoeuvre werd ook gevlogen door twee teams van twee jagers. Thach vloog de manoeuvre voor het eerst vanaf de carrier Yorktown' tijdens de Slag om Midway'. De Thach-vlecht (Thach Weave defensive manoeuver) werd spoedig de standaard-tactiek bij de V.S., de Britten en de Sovjets, en wordt tot de huidige dag als een belangrijke manoeuvre beschouwd. ▫De Chance Vought Corsair' gaf in het begin problemen bij de landing op het vliegdek, maar werd een zeer goede (en de snelste) marinejager nadat men een ander aanvliegcircuit had ontwikkeld (schuin aanvliegen i.v.m. het door de lange neus veroorzaakte slechte zicht). ▫De leger(land)jager Lockheed Lightning' (1943) bleek zeer succesvol, vooral toen door bemoei- enis van Charles Lindbergh de actieradius verdubbelde (vliegen tegen afglijsnelheid aan, met zéér laag toerental). ▫De Curtiss Helldiver' beviel aanvankelijk niet, maar bewees na enkele aanpassingen zijn waarde. ▫De Grumman Avenger' had zowel koepelgeschut als een angel-mitrailleur (onder de staart). ▫Eind 1944 werd een jachtbommenwerper-versie van de Hellcat met raketten en zware bommen ontworpen, die de Helldivers en de Avengers deels zou vervangen. ▫Amerikaanse jagers waren voornamelijk uitgevoerd met luchtgekoelde stermotoren. Later verschenen er ook toestellen met vloeistof gekoelde lijnmotoren zoals de Lightning en de North American Mustang' (de Corsair had een stermotor). Overigens waren de enige succesvolle Amerikaanse lijnmotoren die welke voor Rolls-Royce in licentie waren gebouwd. Japan vloog vrijwel uitsluitend met luchtgekoelde stermotoren. Engelse, Duitse, Franse en Russische jagers waren overigens vrijwel uitsluitend met lijnmotoren uitgerust. De enige Italiaanse jagers met lijnmotoren waren die welke van geïmporteerde Duitse motoren waren voorzien. Jagers die met lijnmotoren waren uitgerust, waren destijds superieur aan die met stermotoren. Stermotoren waren weliswaar minder kwetsbaar, maar zij stonden een goede stroomlijn in de weg en waren tegen het einde van de oorlog aan het eind van hun ontwikkelingsmogelijkheden. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Japanse A6M3 "Zero' " marinejager. Zij vliegen niet in een tactische formatie omdat de Japanners anders dan de Europeanen en de Amerikanen niet de voordelen inzagen van vechten in teamverband, maar tot het einde toe individueel het gevecht in gingen. Dit is het toestel van de Japanse ace Hiroyoshi Nishizawa, in 1943 gefotografeerd boven de Solomons Eilanden. ▪Japanse carriervliegtuigen (menu, verklarende woordenlijst) -WO2, 1e generatie ▫Mitsubishi A5M "Claude" (1936) - zie 3-aanzicht' (source) jager met vast landingsgestel en open cockpit, stermotor A5M4: 440 km/uur op 3000 m, vliegbereik 1200 km, 1-pers. ▫Mitsubishi A6M2 (versie 2) Reisen "Zeke" of "Zero" (1940) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' jager, stermotor A6M2: 533 km/uur op 4500 m, vliegbereik 3105 km, 1-pers. opm: Geen pantserbescherming van piloot en brandstoftank. Daardoor te kwetsbaar maar ook licht waardoor snel, wendbaar en superieur in klimvermogen en acceleratie. ▫Nakajima B5N "Kate" (1937) - zie 3-aanzicht' (source) torpedovliegtuig, stermotor B5N2: 378 km/uur, vliegbereik 1990 km, 3-pers. ▫Aichi D3A "Val" (1940) - zie 3-aanzicht' (source) duikbommenwerper met vast landingsgestel, stermotor D3A2: 430 km/uur, vliegbereik 1350 km, 2-pers. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Een Japanse Judy' duikbommenwerper in 1942. Het toestel had t/m versie D4Y2 een lijnmotor, een zeldzaamheid voor Japanse toestellen die doorgaans met een stermotor waren toegerust. -WO2, 2e generatie ▫ Mitsubishi A6M8 (versie 8) Reisen "Zero" (1945) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' jager, 1-pers., stermotor met 60% meer power dan A6B2 waardoor 573 km/uur ▫Kawanishi N1K-J Shiden-Kai (kai = gewijzigd = N1K2) "George" (1944) - zie 3-aanzicht' (source) jager, stermotor N1K2-J: 594 km/uur, vliegbereik 2395 km, 1-pers. ▫Nakajima B6N Tenzan "Jill" (1943) - zie 3-aanzicht' (source) torpedovliegtuig, stermotor B6N2: 481 km/uur op 5000 m, vliegbereik 3045 km, 3-pers. ▫Yokosuka D4Y Suisei "Judy" (1942) - zie 3-aanzicht' (source) en afbeelding' duikbommenwerper, de D4Y1 had een lijnmotor (!), vanaf de D4Y3 een stermotor D4Y2: 550 km/uur, vliegbereik 1465 km, 2-pers. -Opm: ▫De tussen " " geplaatste namen zijn de Amerikaanse aanduidingen. Men gaf jachtvliegtuigen en maritieme verkenners de naam van een man, en bommenwerpers die van een vrouw. ▫De Mitsubishi "Zero"' versie A6M8 (1945) kon zich niet meten met de moderne Amerikaanse jagers. In 1944 kwam echter de uitstekende Kawanishi Shiden-Kai jager "George"' uit (de eveneens zeer goede Kawanishi Shiden was al in 1943 verschenen), die werd gevlogen door de laatste Japanse topvliegers, en die superieur was aan de Hellcats' en Corsairs'. Maar het was te laat, en er kwamen er van beide te weinig als gevolg van problemen met het ontwerp en de logistiek, als gevolg van de Amerikaanse bombardementen, en door het tekort aan goed opgeleide vliegers. Japan bracht aan het einde van de oorlog interceptors uit die ontworpen waren om de hoog- vliegende strategische B-29 bommenwerpers (574 km/uur, plafond 10.200 m) te kunnen onderscheppen. De landjager Kawasaki Ki-100 (1945, 580 km/uur, plafond 11.000 m) voldeed uitstekend aan de gestelde eisen. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Het 40 mm Bofors luchtafweer van de carrier Hornet in 1945, de laatste verdedigingslinie als een aanvaller door het jager-scherm breekt. Prestaties (menu, verklarende woordenlijst) ▪Gemiddelde snelheden onder zeil en stoom eind 19e eeuw (menu, verklarende woordenlijst) (marineschepen, dus geen klippers en windjammers) Schip Gemiddelde vaart (knopen) Zeilschip Stoomschip Traag 2½ 5 Snel 5 12 Zeer snel 9 17 Buitengewoon snel 12 24 ▪Maximale snelheden onder stoom (menu, verklarende woordenlijst) 1825 - 9 knopen (raderboten) 1865 - 14 knopen (gepantserde zeilende stoomschepen, monitors en ramschepen) 1905 - 18 knopen (pre-dreadnought, echter door kans op machineschade slechts15 knopen) 1910 - 20 à 22 knopen (dreadnought) 27 knopen (slagkruiser) 1941 - 30 knopen (snel slagschip) 1942 - 34 knopen (vliegdekschip) Tijdens WO1 beschouwde men een vaarsnelheid van 18 knopen een goede snelheid voor accuraat gebruik van de artillerie. ▪Kanon (menu, verklarende woordenlijst) -Maximale dracht Half 16e eeuw - 1.650 m 17e eeuw - 1.850 m 18e eeuw - 2.100 m Begin 19e eeuw - 2.750 m Half 19e eeuw - 3.650 m Eind 19e eeuw - 13.700 m Vanaf begin 20e eeuw - 32.000 m (WO1 en WO2) -Gebruikelijke slagafstand Zeiltijd breedzij (tot half 19e eeuw) - 300 m Pre-dreadnought (vanaf eind 19e eeuw) - 6 km (bepaald door middelgrote kanons) Dreadnought (vanaf begin 20e eeuw) - 15 km ("all-big-guns " principe) Snel slagschip (2e Wereldoorlog) - 23 km (vuurleiding, toename kaliber) Vliegdekschip (2e Wereldoorlog) - 300 - 400 km -Vuursnelheid ▫Zeiltijd met korte gladde loop bij Engelsen en Nederlanders - één schot per minuut. (bij Fransen en Spanjaarden aanzienlijk lager) ▫Idem met een carronade, een zeer groot kaliber korte-afstands kanon - drie schoten per min. ▫Half 19e eeuw met Engelse getrokken voorladers in torens - 2 à 3 schoten per 2 min. ▫Idem bij de Franse achterladers in barbettes aanvankelijk slechts - 1 schot per 2 min wat echter sterk verbeterde toen men er in slaagde het kanon te laden zonder de elevatie te veranderen. ▫WO2 met de 46 cm kanons van de Japanse Yamato' - 3 schoten per 2 min. Eind 19e eeuw met het 12 cm snelvuurkanon - 14 schoten per minuut (tegen 2 schoten per minuut voor een gewoon 12½ cm kanon) ▪Vliegtuig (menu, verklarende woordenlijst) Slagafstand carriers 300 - 400 km. De afvliegfrequentie lag bij Amerikaanse carriers tijdens WO2 op 1 vliegtuig per 20 à 30 seconden.



(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Het kruisen van de "T"
(zie paragraaf Linie-tactiek')
Links in de zeiltijd (Slag bij Trafalgar' - 1805) Rechts in de stoomtijd (Slag bij Jutland' - 1916)

Strategie en tactiek   (menu,  verklarende woordenlijst)
Strategie   (menu,  verklarende woordenlijst)

   De marinestrategie wordt vooral bepaald door:
     -Voorkómen/voorbereiden van invasie
     -Bescherming/aantasting van de handels- en visserijvloot
     -Bescherming/aantasting van steunpunten, koloniën en bondgenoten

   Strategische doeleneinden worden bereikt met tactische middelen:
     -Vernietiging van de vijandelijke vloot
      Daartoe moesten de vlooteenheden zodanig worden gemanoeuvreerd dat de slagkracht van de
      slagvloot zoveel mogelijk werd geconcentreerd. De vuurkracht mocht niet onnodig versnipperd
      raken en de eenheden mochten elkaar bij het ontplooien van de vuurkracht niet in de weg lopen,
      wat leidde tot de verderop besproken linie-tactiek (zie paragraaf').
     -Verstoring van de maritieme communicatie om vijandelijke smaldelen te verhinderen zich te
      verenigen of te hergroeperen.
     -Inzet van snelle raiders tegen de vijandelijke handelsvloot, zodat er geen linieschepen voor
      dergelijke taken aan de slagvloot werden onttrokken (Duinkerkers in de zeiltijd, de Duitse U-boten 
      in beide Wereldoorlogen en de Duitse oppervlakteraiders tijdens WO2).
     -Doorsnijden van de banden met de overzeese gebiedsdelen omdat dit vijandelijke schepen onttrok
      aan de centrale slagvloot. Zo maakte alleen een grote vloot het de Engelsen mogelijk steeds zorg
      te dragen voor zowel concentratie van voldoende zware eenheden als ook voor de bescherming
      van haar overzeese gebiedsdelen en de handelsvaart.
    -Blokkade van de havens om te voorkomen dat de vijandelijke vloot zich kon ontplooien vóór het tot
      een treffen kwam, en om de vijandelijke handelsvloot binnen of juist buiten te houden waardoor er
      een tekort kon ontstaan aan voedsel en strategische goederen.
      Tot eind 17e eeuw was het niet mogelijk grote eenheden ook van september tot april of mei op zee
      te houden. Dat lukte alleen als er een nabijgelegen veilige ree was om een winterstorm te door-
      staan. Zo'n storm dwong niet alleen de blokkade-vloot te schuilen, maar hielt ook de te blokkeren
      vijand binnen de haven. Ook al ontsnapten er dan een paar waaghalzen, het gros bleef binnen.
      Tijdens WO1 en WO2 blokkeerden de geallieerden de Duitse (en in WO2 ook de Franse) havens,
      terwijl de Duitsers er bijna in slaagden de havens van Engeland te blokkeren door heel Engeland
      met haar onderzeebootwapen te isoleren. En tijdens WO2 blokkeerden de V.S. Japan ook met
      onderzeeërs, maar dan met succes.
     -Patrouilleren voor de eigen en de vijandelijke kust om informatie te verzamelen. En voor de eigen
      kust om commando-raids en het leggen van mijnenvelden in de havenmondingen te voorkomen.

   Enkele voorbeelden van het belang van maritiem overwicht:
     -Niet de Slag bij Waterloo, maar de blokkade van de Franse kust en de overwinning in de Slag bij
      Travalgar' zou beslissend blijken te zijn voor de oorlog tussen Engeland en Napoleon. Frankrijk had
      zo ongeveer een tekort aan alles.
     -De Slag bij Jutland' werd door de Engelsen tactisch niet gewonnen, maar strategisch wel. De
      handhaving van de blokkade deed de Duitsers immers WO1 verliezen. Toen de Britten in 1916
      wereldwijd de blokkade dichttrok, veroorzaakte dat niet alleen een tekort aan strategische
      materialen, maar ook aan primaire levensbehoeften waardoor 750.000 Duitsers het leven verloren.
      En toen in 1918 een muiterij op de gedemoraliseerde slagvloot in Kiel tot een zich snel uitbreidende
      opstand leidde, waarbij een communistische revolutie dreigde, trad de keizer terug en volgde kort
      daarop de capitulatie.
     -Als de Engelsen tijdens beide wereldoorlogen niet nipt waren ontkomen aan een volledige
      handelsblokkade van het eiland, had het met zekerheid de oorlogen verloren. Einde 1917 had
      Engeland ondanks rantsoenering voor nog slechts 6 weken reserves aan eerste levensbehoeften
      en olie. En tijdens de Tweede Wereldoorlog was het oorlogsjaar 1942 zeer kritiek, omdat er in dat
      jaar door toedoen van de U-boten meer scheepsruimte verloren ging dan er door de geallieerden
      kon worden bijgebouwd.

   Na de introductie van werktuigelijk voortbewogen schepen bleek ook de komst van de onderzeeër,
   het vliegtuig en de carrier de strategie op zee ingrijpend te veranderen.
   Vanaf WO2 zou een vloot nooit meer zonder luchtdekking kunnen. Talloze kapitale schepen werden
   toen tot zinken gebracht door één enkele strike met torpedo- en duikbommenwerpers vanaf een op
   400 km afstand stomende carrier.
   Tijdens WO2 hebben de slagschepen in de Pacific elkaar dan ook nauwelijks ontmoet. Zij dienden
   voornamelijk als scherm voor de carriers, en als geschutsplatform voor luchtafweer en ondersteunend
   vuur bij landingsoperaties.
   De oorlog werd over grote afstand door zeeslagen tussen de grote carriers beslist.
   Ook interessant is de strategie van "island-hopping", die inhield dat eilanden in de Pacific werden
   geïsoleerd i.p.v. hen te veroveren. Behalve dan die eilanden die de eigen aanvoerlijnen bedreigden of
   die voor de geallieerden van belang waren als ondersteuningspunt en voor de aanleg van
   vliegvelden.

Linie-tactiek   (menu,  verklarende woordenlijst)

   In het tijdperk van het zeil kwam de vernietigende kracht van het breedzij-geschut in kiellinie varend
   het meest tot zijn recht. De vuurkracht kon zich optimaal ontplooien omdat de eigen schepen elkaar
   niet in de weg lagen. Zo vocht men in twee tot bijna 20 km lange parallelle kiellinies zeilend over een 
   slagafstand van ca. 300 m de artillerieduels uit.
   En hoewel de kanons vanaf de (pre-)dreadnoughts in hun torens en barbettes veel beter baksbaar
   waren, gold het principe van de linie-tactiek in essentie ook in het stoomtijdperk. In de breedzij kwam
   al het geschut tot zijn recht, en in kiellinie varend hielt men elkaar uit het schootsveld.

   In de stoomtijd kwam daar echter de tactiek van de T-positie bij (afbeeldingen' boven dit hoofdstuk).
   De Engelse admiraal Nelson hield tijdens de Slag bij Travalgar' in 1905 in een dubbele kiellinie op het
   midden van de Frans-Spaanse kiellinie aan, brak door de linie heen en won de slag door de kwaliteit
   van zijn zeemacht en de concentratie van zijn vuurkracht op een deel van de vijandelijke linie
   waarvan de voorhoede door Nelsons tactiek immers buiten de strijd was gemanoeuvreerd.
   Hij kon zich die lange nadering recht op de breedzij van de vijandelijke linie veroorloven doordat het
   vijandelijk vuur van de korte gladloops kanons buiten een range van 1000 m nog niet erg gevaarlijk
   was, en hij door de beperkte baksbaarheid van de kanons binnen die range slechts kort blootstond
   aan de breedzij van hooguit drie schepen met een beperkte vuursnelheid.

   De Engelse admiraal Jellicoe kruiste tijdens de Slag bij Jutland' de "T" van de Duitse admiraal Scheer
   op een wijze die wel slecht voor de Duitsers zou zijn afgelopen als Scheer niet op meesterlijke wijze
   zijn gehele linie in één keer had laten wenden.
   De vóór de Duitsers langs kruisende Engelse linie kon dankzij de uitstekend baksbare en verdra-
   gende kanons (10 - 30 km) het vuur van een groot aantal schepen met explosieve granaten immers
   op het voorste Duitse schip concentreren. De Duitse schepen konden  het vuur alleen met de voorste
   torens beantwoorden, en dat gold bovendien slechts voor de voorste schepen omdat de achterhoede
   nog niet binnen schootsbereik was, en niet over een vrij schootsveld en zicht beschikte. En als
   Scheer om aanvaringen te voorkomen de linie achtereenvolgens van vóór naar achter had laten
   wenden, zouden de Engelsen hun vuur volledig ingeschoten telkens naar het volgende schip hebben
   verlegd. Scheer wendde de linie echter in één keer en bracht daarmee zijn slagvloot geholpen door
   de mist buiten bereik van de Engelse linie voordat die goed ingeschoten was (zie de uitvoerige
   beschrijving' in hfdst. Oorlogshandelingen oppervlaktevloot WO1).

Carrier-tactiek   (menu,  verklarende woordenlijst)

   Bij een dreigend treffen van twee carrier-vloten is een vroegtijdige luchtverkenning van cruciaal
   belang omdat die informatie een strike mogelijk maakt zonder dat de tegenstander een tegen-
   aanval kan lanceren. Men wachtte op het commandocentrum bij het eerste daglicht dan ook met
   spanning op een eerst melding van de verkenners die het doel moesten melden, identificeren en
   lokaliseren inclusief de geschatte koers en snelheid. En tegelijkertijd waren de radarschermen continu
   bemand om een eventueel contact te detecteren en te identificeren als eigen verkenner, een mogelijk
   te ontlopen of neer te halen vijandelijke verkenner, of een vijandelijke strike.
   Bij het plotten van de koers van de vloot moest men rekening houden met de waarschijnlijke positie
   van de vijand omdat de carriers voor het afvliegen geruime tijd op de wind moesten draaien en dan bij
   voorkeur niet naar de vijand toe.

   Een strike omvatte drie vliegtuigtypen: Laagvliegende torpedovliegtuigen, hoogvliegende duikbom-
   menwerpers en een jagerscherm, die zo werden gedirigeerd dat zij gelijktijdig bij het doel zouden
   aankomen (wat lang niet altijd lukte). Uiteraard bleef er ook een jagerscherm boven de eigen vloot
   hangen.
   De verliezen waren het grootst onder de tijdens de aanval zeer kwetsbare torpedovliegtuigen. Zij
   waren immers zwaar beladen, weinig wendbaar en traag, naderden laag onder de naar beneden
   stormende Zero-jagers' en moesten in de slotfase korte tijd op een vaste hoogte strak rechtuit op het
   luchtafweergeschut afvliegen. In feite dienden de torpedovliegtuigen vooral als afleidingsmanoeuvre,
   verwarring zaaiend, de vuurkracht spreidend en de Zero-jagers naar beneden dwingend, weg van de
   naderende duikbommenwerpers die tijdens de duik overigens even van de jagers waren verlost
   omdat die geen remkleppen in de vleugel hadden.




(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De dreadnought Superb (1909) leidde tijdens de Slag bij Jutland' (1916) het 4e battle-squadron
van de Britse Grand Fleet.

Krijgsgeschiedenis   (menu,  verklarende woordenlijst)

  ▪Krachtsverhoudingen begin WO1   (menu,  verklarende woordenlijst)


            │ D     SD     SK     PD     PK      K     TJ     TB     O    KTon
  ──────────┼─────────────────────────────────────────────────────────────────
  Geallieerd│
            │
  Engeland  │       26     10     38     [  108  ]    227    102    78   1.200
  V.S.      │ 7     [  22   ]            15     10     60     21    50
  Frankrijk │       [  15   ]                   30     80    153    67     639
  Rusl. (OZ)│       [   4   ]                    4     ??     ??     1
  Italië    │                                                       20
  Japan     │ 7             1      7            22     [  109  ]    15     427
  ----------│-----------------------------------------------------------------
  Centralen │
            │
  Duitsland │       17      5     24            50     [  197  ]    30     920
  Oost-Hong │                                                        7
  ──────────┴─────────────────────────────────────────────────────────────────

              D = Dreadnoughts                      PK = Pantserkruisers
              SD = Super-dreadnoughts                K = Kruisers
              SK = Slagkruisers                     TJ = Torpedobootjagers
              PD = Pre-dreadnoughts                 TB = Torpedoboten 
                                                     O = Onderzeeboten

              KTon  = Kiloton waterverplaatsing
              [ X ] = Totaal van beide kolommen
              Rusl. (OZ) = Russische schepen in de Oostzee.
              Oost-Hong = Oostenrijks-Hongaars Keizerrijk (de Dubbelmonarchie)

   Opm: Italië was aanvankelijk neutraal, maar verdragstechnisch aan de Centralen gelieerd. Vanaf mei
            1915 koos Italië voor de geallieerde zijde in ruil voor de geheime toezegging van Oostenrijks
            gebied na de oorlog.
            Japan was in WO1 geallieerd.
            Nederland was neutraal. Het bezat o.a. 11 onderzeeboten. 




  ▪Oorlogshandelingen oppervlaktevloot WO1   (menu,  verklarende woordenlijst)
   (zie ook Dreadnought', Super-dreadnought' en  Slagkruiser')

     -Algemeen
      De Slag bij de Doggersbank' (1915) en de Slag bij Jutland' (1916) vormden tijdens WO1 de praktijk-
      test voor de slagkruisers en de (super-)dreadnoughts.
      Het bezit van het Duitse marine-codeboek is van grote invloed geweest op het verloop van de
      zeeoorlog. Het codeboek werd gevonden op het lichaam van de verdronken seiner van de kruiser
      Magdeburg die augustus 1914 in de Finse Golf was ondergegaan.

     -Slag bij de Doggersbank (1915)  (zie kaart')   (menu,  verklarende woordenlijst)
      Op de Noordzee ontwikkelde zich een slag tussen 5 slagkruisers, 7 lichte kruisers en 35 torpedo-
      bootjagers onder Engelse vlag onder admiraal Beatty op de Lion', en 3 slagkruisers, 1 pantser-
      kruiser, 4 lichte kruisers en 19 torpedobootjagers die onder Duitse vlag onder admiraal Von Hipper
      op de Seydlitz de Jade verlieten.
      Opdracht van Von Hipper was de Britse Doggersbank-patrouille te onderscheppen. Toen hij echter
      ontdekte dat deze te sterk voor hem was maakte hij rechtsomkeer naar de thuishaven, waarbij hij
      geleidelijk werd ingehaald.
      De tragere pantserkruiser Blücher en de slagkruiser Seydlitz kwamen als eerste onder Brits vuur,
      waarbij de Seydlitz zwaar beschadigd raakte na een treffer in haar achtertoren. Maar omdat zij wel
      behouden thuiskwam leerden de Duitsers een kostbare les m.b.t. een fout in ontwerp van geschuts-
      torens (die via het kruitmagazijn met elkaar in verbinding stonden). Dat was ook bij de Engelsen
      het geval, maar het kwam bij hen het niet aan het licht. De Duitsers verbeteren daardoor als enige
      hun torenconstructie, een voordeel dat de Engelsen tijdens de Slag bij Jutland' in 1916, en zelfs bij
      het treffen tussen de Hood' en de Bismarck' in 1941 zouden ondervinden.
      Toen von Hipper moest besluiten de beschadigde pantserkruiser Blücher tot zinken te brengen,
      bleek daarmee dat de trage pantserkruisers te kwetsbaar waren om hen als slagkruiser te clas-
      sificeren.
      Bij deze twee lessen zou het blijven, omdat de kwetsbaarheid van de te licht gepantserde slag-
      kruisers tijdens dit treffen nog niet aan het licht kwam.
      Beatty's vlaggeschip, de Lion, lag onder hevig vuur, waardoor haar generatoren kwamen stil te
      liggen. Daarmee was zij ook beroofd van de radioverbindingen en was zij voor communicatie met
      het smaldeel aangewezen op vlaggeseinen. Beatty gaf één van zijn slagkruisers opdracht de
      Blücher te achtervolgen. Vervolgens beval hij de overige schepen de Duitse achterhoede te achter-
      volgen. Het eskader meende echter uit de onduidelijk gehesen vlaggeseinen te begrijpen dat ook zij
      de Blücher moesten achtervolgden, temeer daar het eskader van OZO naar NNO was gedraaid
      i.v.m. een zichtmelding van een periscoop aan stuurboord. Dit was toevallig ook de richting waarin
      de zwaar getroffen Blücher was weggedraaid, terwijl Hipper snel doorstoomde op OZO koers.
      Beatty, die zo snel mogelijk zijn vlag op de Princess Royal overbracht, was te laat om het
      misverstand over de radio te corrigeren en zag daarmee de kans op een vernietigende Duitse
      nederlaag verloren gaan.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Overzichts- en detailkaart met de tactiek in de Slag bij Jutland (1916).
Klik in de afbeelding voor een hogere resolutie.

     -Slag bij Jutland (1916)  (zie kaart')   (menu,  verklarende woordenlijst)
        ▫Inleiding
         De Slag bij Jutland was van groot strategisch belang (zie Strategische gevolgen') en behoort tot
         de best gedocumenteerde en bestudeerde zeeslagen, reden wat dieper op deze clash in te gaan.
         Westelijk van het Skagerrak kwam de Engelse Grand Fleet onder admiraal Lord Jellicoe op de
         Iron Duke' en admiraal Beatty (slagkruisers) op de Lion, in gevecht met de Keizerlijke Marine
         (Hochseeflotte) onder admiraal Scheer op de Friedrich der Grosse en admiraal Von Hipper
         (slagkruisers) op de Lützow.
         De slag zou het laatste grote zeegevecht tussen klassieke in linie varende slagvloten zijn. Daarna
         zou de rol van het slagschip worden overvleugeld door het vliegdekschip.
         De krachtsverhouding was als volgt:


               │  D      PD     SK     PK     LK     TJ/TB     VM
     ──────────┼──────────────────────────────────────────────────
     Engeland  │ 28              9      8     26       77       1
     Duitsland │ 16      6       5            11       61

                  D = Dreadnoughts
                 PD = Pre-dreadnoughts
                 SK = Slagkruisers
                 PK = Pantserkruisers
                 LK = Lichte kruisers
                 TJ/TB = Torpedobootjagers/torpedoboten
                 VM = Vliegtuigmoederschip voor watervliegtuigen

        ▫Verloop van de slag
         Von Hipper liep vanuit de Jade uit met 5 slagkruisers. Zijn koers was NNW langs de kust van
         Jutland. Hij werd op 50 mijl afstand gevolgd door Scheer met de hoofdmacht van de slagvloot.
         Anders dan de Britten had Scheer ook enkele pre-dreadnoughts onder zijn bevel, een strate-
         gische fout die de snelheid van de hoofdmacht beperkte tot ca. 15 knopen.
         Gealarmeerd door de activiteit in de Duitse oorlogshaven, en dankzij het bezit ven het Duitse
         codeboek, waren Beatty en Jellicoe de avond tevoren uitgelopen vanuit Rosyth, de Firth of Forth
         en Scapa Flow.
         Beatty ONO met 6 slagkruisers en 4 snelle super-dreadnoughts van de Queen Elizabeth'-klasse,
         en Jellicoe OZO met de rest van de Grand Fleet.
         Omstreeks de middag van de volgende dag berichte de Admiraliteit ten onrechte aan Jellicoe dat
         Scheer nog niet was uitgelopen.
         Een Britse poging tot een lange-afstands verkenning met een drijvervliegtuig van het vliegtuig-
         moederschip faalde. Het vliegtuig verkende lichte kruisers van het scherm van von Hipper maar
         werd na 40 min door motorstoring gedwongen bij het moederschip te landen. Bovendien bleek de
         radio van het moederschip defect en niet in staat de melding door te geven.
         De Duitse Zeppelins speelden door mist en te sterke wind evenmin een rol in deze zeeslag.
         De dag van de zeeslag kromp de wind van NW naar ZW en was het mistig. Door verwaaiing van
         rook en kruitdamp werd het zicht naar Noord en Oost slecht.
         Bij het vorderen van de dag moesten de kanonniers naar West tegen de zon inkijken, maar vlak
         na zonsondergang kon men in het Westen de schepen goed afgetekend tegen de lichte kim zien
         liggen.
         

MK
Slagkruiseractie, 1e fase:
a. Beatty en von Hipper horen dat hun verkenners slaags zijn geraakt en verleggen hun koers.
b. Beatty en Von Hipper verkennen elkaar en Von Hipper wendt naar ZZO.
c. Beatty verkent Scheer.

         Om 14.30 stuitten Britse en Duitse verkenners op elkaar waarop Beatty ZZO gaat voorliggen om
         de Duitsers van hun basis af te snijden en Von Hipper WZW en later NW stuurt om de Britten te
         onderscheppen. Beatty's dreadnoughts kregen het sein tot de laatste wending 6 min te laat door
         en liepen daardoor een achterstand van 10 mijl op. Een "concentratieverzuim" volgens Jellicoe.
         Om 15.20 liepen Beatty en Von Hipper elkaar op 20 km afstand in zicht en Von Hipper verlegde
         zijn koers naar ZZO, en met het oog op de mindere dracht van zijn kanons licht convergerend
         naar Beatty toe, om de Britten in een lopend gevecht naar de hoofdmacht van Scheer te lokken.
         De eerste fase van de slag, de "Run to the South", was begonnen.
         Toen de smaldelen om 15.50 binnen elkaars vuurbereik op 13.500 m kwamen te liggen, kregen
         de Britse slagkruisers het door Beatty's concentratieverzuim zwaar te verduren. Nu bleek de
         intrinsieke zwakte van het slagkruiser-concept. In korte tijd vlogen twee Britse slagkruisers de
         lucht in en overleefde het vlaggeschip de slagkruiser Lion de afstraffing ternauwernood. Haar
         gebeurde hetzelfde als wat de Seydlitz in de Slag bij de Doggersbank overkwam. Een treffer in
         een geschutstoren had de gehele bemanning gedood, en het schip werd gered door hun
         commandant die stervend de magazijnen onder water liet zetten. In dit stadium van de strijd viel
         de radio van de Lion voor de rest van de dag uit en was Beatty aangewezen op de signaallamp,
         vlagseinen en de radio aan boord van de Princess Royal.
         Pas toen Beatty's achtergebleven dreadnoughts 20 min later Von Hipper binnen vuurbereik
         kregen boekten de Britten treffers. Ook op het vlaggeschip van Von Hipper, de Lützow, viel nu de
         radio uit. 
         Een Britse torpedoaanval beschadigde de Seydlitz, maar niet zo ernstig dat zij haar plaats in de
         linie moest verlaten.


MK
Slagkruiseractie, 2e fase:
c.  Beatty draait naar NNW en daarna naar NO. Von Hipper wendt mee.
d. Jellicoe verkent Scheer en ontplooit naar OZO.
e. Gefechtskehrtwendung Scheer naar ZW.
Jellicoe stuurt Zuid.

         Op 16.40 verkende het scherm van Beatty de slagvloot van Scheer op 20 km, waarop Beatty 
         wendde en wegliep naar NNW. Ook Von Hipper wendde, het begin van de tweede fase, de "Run
         to the North".
         De Britse dreadnoughts kregen het sein ook nu weer met enige vertraging waardoor zij later 
         wendden en zo binnen vuurbereik van Scheers hoofdmacht kwamen te liggen. Naar het noord-
         westen vurend hadden de Duitse kanonniers overigens het nadeel tegen de laagstaande zon in te
         moeten kijken. De vier super-dreadnoughts van de Queen Elizabeth'-klasse doorstonden de proef
         goed en bewezen, anders dan de slagkruisers, voldoende incasseringsvermogen te hebben. De
         Duitse slagkruisers van Von Hipper liepen tijdens het gevecht wel aanzienlijke gevechtsschade
         op.
         Toen Beatty met 25 knopen stomend buiten vuurbereik van Von Hipper was gekomen, ging hij
         NO voorliggen om te voorkomen dat Von Hipper de Britse hoofdmacht te vroeg zou verkennen en
         Scheer zou waarschuwen.
         Na enige tijd van duidelijke inlichtingen verstoken te zijn geweest, werd Jellicoe om 18.00 door de
         inmiddels in zicht gelopen Beatty met de seinlamp bericht dat de Duitse slagvloot zich in ZZW
         richting bevond. Hij had nog juist voldoende tijd om zijn slagvloot in kiellinie in OZO richting te
         ontplooien in de hoop de Duitsers van de thuishavens af te snijden en hen in een gebogen linie te
         omsingelen. Door deze schitterend uitgevoerde manoeuvre ontmoette hij de in kiellinie opsto-
         mende Duitse vloot in de gunstige T-positie (zie Strategie en tactiek'), terwijl zijn vloot in een
         aaneengesloten linie van Noord naar Oost in een kwart cirkel de Duitse vloot omsingelde.


MK
Vlootactie, 3e en 4e fase :
f.  2e Gefechtskehrtwendung Sheer naar Oost.
Jellicoe wijkt voor torpedo's.
g. 3e Gefechtskehrtwendung Scheer naar WZW.
h. Scheer draait naar Zuid.
Jellicoe stuurt naar ZW en W, en houdt daarna af naar Zuid.
De nacht valt in.

         Om 18.30 liepen de slagvloten elkaar in zicht. In het nu volgende vuurgevecht explodeerde de
         derde Britse slagkruiser, maar verder boekte de Duitsers geen successen, terwijl zij zelf moesten
         toezien dat veel van hun schepen zeer ernstige schade opliepen. De schade aan de Lützow was
         zelfs zo groot dat Von Hipper in de chaos op zoek moest naar een ander vlaggeschip. De Lützow
         moest later verlaten worden. Dat kwam door de voor hen ongunstige T-positie (zie Strategie en
         tactiek') en doordat het zicht op de vijand voor hen veel slechter was dan andersom. De Engelsen 
         zagen hun tegenstanders immers tegen de ondergaande zon in helder op de horizon liggen terwijl
         zij zelf door de mist tegen een donkere achtergrond aan het oog waren onttrokken. En die gun-
         stige positie werd behouden doordat de Britten OZO aanhielden tegen de naar west verlopende
         ondergaande zon.
         De voorste Duitse schepen kwamen zo zwaar onder vuur te liggen dat Scheer om 18.35 tot een
         Gefechtskehrtwendung besloot waarbij alle Duitse schepen tegelijk naar 180° naar stuurboord
         wendden  i.p.v. van voor naar achter één voor één te wenden. De manoeuvre werd prachtig
         uitgevoerd, en de Duitsers liepen weg in ZW richting. De mist beperkte het vuurcontact tot slechts
         28 min. De Iron Duke' verschoot daardoor maar 9 salvo's.
         Jellicoe zag de Duitse schepen in de mist verdwijnen maar besloot hen niet te achtervolgen
         omdat hij vermoedde dat de Duitsers hem naar een door de terugtrekkende vloot gelegd
         mijnenveld of naar een linie onderzeeërs wilde lokken. De Duitsers vreesden echter voor hun
         eigen schepen en hadden ook geen onderzeeërs ter plaatse. Jellicoe kon dat echter niet weten
         en meende zijn zienswijze bevestigd te zien toen de Marlborough door een torpedo getroffen
         werd die echter waarschijnlijk niet van een onderzeeër afkomstig was.
         Hij draaide dus in kiellinie naar Zuid om de Duitsers definitief van hun thuishavens af te snijden.
         Scheer draaide om 18.55 in oostelijke richting terug naar de Britten om, hoewel wederom in on-
         gunstige T-positie, de Britten vanuit de mist te verrassen om zich vervolgens met de invallende
         duisternis weer van de Engelsen los te maken. De Duitsers boekten echter geen successen, en
         liepen zelf zoveel schade op dat Scheer om 19.20 voor de derde keer een Gefechtskehrtwendung
         maakte, en naar WZW en later naar Zuid wegliep. De Duitse schepen tekenden zich aanvankelijk
         duidelijk af tegen de lichte kim, maar zoals in het eerste vuurcontact was de mist er ook nu weer
         de oorzaak van dat het treffen maar 15 min duurde. Jellicoe draaide namelijk af voor een Duitse
         torpedo-aanval waarmee de Duitsers de terugtocht dekten. Afdraaien was de gebruikelijke pro-
         cedure, maar zou hij naar de torpedo's zijn toegedraaid, dan zou hij mogelijk het contact met de
         vijand niet hebben verloren. Na de aanval draaide hij om 19.35 naar ZW en W in een poging het
         contact te herstellen.
         Er volgde een kort durend vuurcontact tussen de beide vloten, waarna de Britten om 21.00 naar
         ZZO afdraaiden omdat een nachtgevecht met zoeklichten volgens Jellicoe een loterij was die in
         het voordeel van de zwakkere vloot zou werken en het Britse artillerie-overwicht teniet zou doen.
         De Duitsers waren veel beter op een nachtgevecht voorbereid. Zij beschikten over lichtgranaten
         die de vijand verlichtten zonder de eigen posities te verraden. Bovendien beschikten zij over
         betere zoeklichten waarmee men eerst met een smalle bundel op een doelschip richtte, vervol-
         gens een afsluiter opende waardoor de vijand in het volle licht kwam te liggen waarop men
         onmiddellijk het vuur opende. Bovendien beschikten zij over een beter identificatie-systeem en
         waren de Duitsers door een Engelse blunder achter het Britse licht-Morsesein voor het wacht-
         woord en het antwoord voor die nacht gekomen.


MK
Nachtactie, 5e fase:
i. Scheer stoomt 's nachts ZO achter Jellicoe langs door de Britse linie heen,
waarbij nachtgevecht met Britse torpedobootjagers.
j. Scheer bereikt de rivier de Jade.

         Zons-gegevens op de gevechtslocatie op 56° NB en 6° OL, op 31-05-1916 in UTC:
            Zonsopgang 03.47 en zonsondergang 20.57.
            Daglicht (één uur vóór zonsopgang tot één uur na zonsondergang) van 02.47 tot 21.57 uur.
         Toen de nacht viel bleef Jellicoe Zuid voorliggen tussen Scheer en zijn thuishavens. Scheer
         aanvaarde het risico van een nachtgevecht, stuurde om 21.10 ZO en zag kans vanaf 22.00 in het
         duister met zijn jagerscherm en zijn dreadnoughts achter de hoofdmacht van Jellicoe langs door
         het Britse jagerscherm te breken. Bij deze chaotische nachtgevechten verloor Scheer één oude
         pre-dreadnought, drie lichte kruisers en twee torpedoboten. De Britten verloren één pantser-
         kruiser en vijf torpedobootjagers.
         De Britse Admiraliteit verzuimde de onderschepte Duitse radioberichten waaruit Scheers plannen
         bleken door te geven, en Jellicoe werd ook niet door zijn achterhoede van de gebeurtenissen op
         de hoogte gebracht. Hij interpreteerde het mondingsvuur, de zoeklichten en de explosies achteruit
         dan ook als een nachtgevecht tussen de torpedobootjagers. Met de juiste informatie zou hij onge-
         twijfeld koers hebben gezet naar het Hornsrif, waar hij ruim op tijd bij het eerste ochtendgloren
         (vanaf 2.50 uur) zou zijn gearriveerd omdat Scheer, zoals tijdens de gehele slag, werd vertraagd
         door de aanwezigheid van de 6 tragere pre-dreadnoughts in zijn slagvloot.
         Uiteindelijk wist Scheer op weg naar de Jade om 03.30 de veiligheid van een geveegde doorgang
         in het mijnenveld bij het Hornsrif te bereiken.

        ▫Nabeschouwing
         Er gingen drie Britse slagkruisers verloren door een technische fout in de constructie van de 
         geschutstorens.
         Problemen met de verbindingen, zowel de apparatuur als de menselijke factor, hebben veel
         kansen voor de Britten verloren doen gaan.
         De Admiraliteit blunderde door aan Jellicoe te melden dat Scheer nog op de Jade lag, terwijl uit
         onderschepte gedecodeerde telegrammen en uit radiopeilingen bleek dat hij allang op zee was.
         Hadden zijn eigen schepen Jellicoe niet verzuimd te waarschuwen dat Scheer zich 's nachts 
         vechtend door de linie brak, of had de Admiraliteit hem op de hoogte gebracht van de gedeco-
         deerde telegrammen waaruit Scheers voornemen bleek om door te breken naar de Jade, dan zou
         hij zijn koers hebben verlegd en de volgende morgen opnieuw hebben kunnen aanvallen.
         Er zijn Jellicoe in de publieke discussie veel onredelijke verwijten gemaakt:
           -Hij zou direct na de 1e Gefechtskehrtwendung de tegenstander hebben moeten zoeken i.p.v.
            Zuid te gaan voorliggen. Jellicoe kon echter niet weten dat de Duitsers geen mijnen in hun zog
            durfden te leggen en dat Scheer daar ook geen onderzeeërs aanwezig had. Bovendien was zijn
            besluit Zuid te gaan voorliggen ingegeven door de in principe juiste strategische overweging
            Scheer van zijn thuisbasis af te snijden.
           -Hij zou bij de torpedoaanval na de 3e Gefechtskehrtwendung van Scheer niet hebben moeten
            afhouden maar naar de torpedo's hebben moeten toewenden om het contact met de vijand niet
            te verliezen. Afdraaien was bij de Britten echter standaardtactiek, omdat die de meeste kans
            bood aan de torpedo's te ontkomen. De relatieve snelheid van de torpedo is dan kleiner en biedt
            dus meer gelegenheid uit de torpedobaan te sturen, en de de kans dat de torpedo aan het eind
            van zijn bereik is gekomen neemt toe.
         Er is Jellicoe dus verweten dat hij de kans zou hebben laten lopen de Duitsers beslissend te
         verslaan. Hij heeft echter wellicht juist gehandeld door het strategisch doel, handhaving van de
         blokkade, in het oog te houden, liever dan laat op de dag de vijand te zoeken en zo een nacht-
         actie te riskeren waarbij het toeval altijd een grote rol speelt. Een nachtgevecht is in het voordeel
         van de numeriek zwakkere (hier de Duitsers), de Britse suprematie van de lange-afstands
        artillerie zou teniet zijn gegaan, en de Duitsers waren beter op een nachtgevecht voorbereid en
         geoefend.
         Door zijn besluit Zuid te blijven voorliggen moesten de Duitsers nu kiezen:
           -Na zonsopgang de confrontatie zoeken met de veel grotere Grand Fleet, met het nadeel van
            slecht zicht tegen de opkomende zon in.
           -'s Nachts proberen door de Britse linie te breken om voor de rest van de oorlog in de haven
            geblokkeerd blijven liggen.
         Jellicoe nam dus terecht geen risico. Hij was immers de man die, zoals Churchill het later uit-
         drukte, "de oorlog in één namiddag had kunnen verliezen".

        ▫Winst of verlies?
         Aan beide zijden werd meesterlijk gemanoeuvreerd.
         Tactisch was de overwinning misschien voor de Duitsers, vooral gezien het numerieke overwicht
         van de Britten, maar strategisch gezien lag de winst beslist bij de Engelsen. De blokkade van de
         Duitse havens bleef immers in stand en de Duitse slagvloot speelde in de rest van de oorlog geen
         rol van betekenis meer. Alleen kleinere eenheden kwamen de haven nog uit.
         Britse verliezen:  3 slagkruisers, 3 pantserkruisers en 8 torpedobootjagers.
         Duitse verliezen: 1 pre-dreadnought, 1 slagkruiser, 4 lichte kruisers en 5 torpedobootjagers.
         Opm: Er gingen aan geen van beide zijden dreadnoughts verloren.
Strategische gevolgen
         Als de Slag bij Jutland door de Britten was verloren zouden de scheepvaartwegen naar Scandi-
         navië open hebben gelegen en zouden de Russen geïsoleerd zijn geraakt met grote gevolgen
         voor het oostelijke front. Verder zou de Britse kust onbeschermd open hebben gelegen voor een
         invasie waardoor Engeland troepen aan het front zou hebben moeten onttrekken om het eigen
         land bij een eventuele invasie te verdedigen met grote gevolgen voor het westelijke front.
         De dreadnoughts kwamen niet meer op zee (gedurende WO1 is er door dreadnoughts onderling
         minder dan een uur effectief gevochten). De enige schepen die nog zouden uitlopen waren lichte
         kruisers, torpedoboten en onderzeeërs. De laatste vooral na het uitroepen van de totale onder-
         zeeboot-oorlog in februari 1917 (zie Onderzeebootoorlog WO1').
         De door de blokkade veroorzaakte voedseltekorten, die naar schatting 750.000 Duitsers het leven 
         zou kosten, demoraliseerden leger en bevolking. Bovendien ontstond er gebrek aan allerlei stra-
         tegische materialen en grondstoffen.
         Toen ook de onderzeebootoorlog voor Duitsland in juni 1918 verloren was, ging de geallieerde
         bevoorrading en aanvulling onbelemmerd door, onder meer met 1 miljoen man troepen uit de V.S.
         Zomer 1917 leidde demoralisatie en onvrede op de vloot tot muiterij die pas in oktober van dat
         jaar kon worden neergeslagen. Toen de slagvloot in november 1918 aan het eind van de in feite
         al verloren oorlog werd bevolen uit te varen, sloegen de gedemoraliseerde bemanningen opnieuw
         aan het muiten. De snelle uitbreiding van deze opstand met de dreiging van een communistische
         revolutie heeft het einde van WO1 tenslotte versneld.
         Na de overgave werd de Duitse vloot naar Scapa Flow opgebracht, en daar in strijd met de capi-
         tulatievoorwaarden door de eigen bemanningen tot zinken gebracht. Dit laatste was overigens
         niet ongunstig voor de Britten, omdat deze kwalitatief goede schepen anders deels haar mede-
         geallieerden als oorlogsbuit zouden zijn toegevallen.

        ▫Uit Jutland getrokken lessen met betrekking tot het materieel:
           -De kwetsbaarheid van de onvoldoende gepantserde slagkruiser werd met het in de lucht
            vliegen van drie Engelse slagkruisers duidelijk aangetoond. Vele andere slagkruisers liepen
            zware schade op. Het concept van de slagkruiser zou dan ook op langere termijn worden
            verlaten.
           -De ontwerpfout van degeschutstorens, die via het kruitmagazijn met elkaar in verbinding
            stonden, kwam nu ook bij de Britten aan het licht. De verbeteringen aan slagkruisers en
           dreadnoughts zou een jaar vergen.
           -Verder bleek nogmaals de kwetsbaarheid van de trage pantserkruiser door het verlies van drie
            van zulke Engelse schepen.
           -Het grote Duitse incasseringsvermogen, ook van de slagkruisers, getuigde van het succes van
            het Duitse ontwerp m.b.t. het gordelpantser, de waterdichte indeling en het torpedoschot
            (gezien de geringe gevolgen van de torpedotreffer op de Seydlitz).
           -Tijdens de slag vielen bij verschillende schepen de regelweerstanden voor de aandrijving uit of
            ontstond er kortsluiting door de schok van de explosies.
           -De super-dreadnoughts van de Engelse Queen Elizabeth'-klasse voldeden goed met betrekking
            tot zowel snelheid als bescherming, en zetten met hun succes de ontwikkeling in van de snelle
            slagschepen.
           -Tenslotte kwamen ook de problemen met de Engelse pantsergranaten aan het licht.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

U-boot aanval op het weerloze Britse hospitaalschip Gloucester Castle in 1917.

  ▪Onderzeebootoorlog WO1   (menu,  verklarende woordenlijst)
   (zie ook Onderzeeboot')

   Duitsland begon de oorlog met slechts 30 onderzeeërs. In september 1914 toonde de U9 echter de
   dreiging van een U-boot door binnen 3 uur drie gepantserde Britse kruisers tot zinken te brengen,
   waarna een maand later nog één.
   Behalve in de Noordzee en de Atlantische Oceaan troffen de Engelsen in de Middellandse Zee naast
   Duitse U-boten ook Oostenrijks-Hongaarse en Turkse onderzeeërs aan. De Engelsen legden daarom
   mijnenvelden voor de Joegoslavische kust en blokkeerden de Dardanellen met oppervlakteschepen
   en onderzeeërs (ook om ontsnapping van de daar ingesloten Duitse slagkruiser Goeben te voor-
   komen). In mei 1915 koos het neutrale Italië voor de geallieerde kant.
   Enkele Engelse onderzeeërs doorbraken zelf de Turkse mijnenvelden in de Dardanellen (Hellespont)
   en bereikten na passage van de 650 m brede Bosporus de Zwarte Zee.
   Ook de Oostzee was terrein voor Britse onderzeeërs, en was dus niet het exclusieve oefenterein voor
   de Hochseeflotte. Engelse onderzeeërs passeerden de mijnenvelden tussen het Kattegat en de
   Oostzee, en vonden voor hun operaties tot de oktober-revolutie van 1917 havenfaciliteiten bij hun
   Russische bondgenoot.
   In augustus 1914 legden de Britten een blokkade voor de Duitse havens. Daardoor zat de Duitse
   slagvloot gedurende de gehele oorlog ingesloten op de Oost- en de Noordzee. Het Britse embargo
   gold alléén voor marineschepen, en voor oorlogsmaterieel naar Duitsland toe.
   Eind 1914 gaf de Duitse keizer echter bevel tot onderzeebootaanvallen op Britse koopvaardij-
   schepen. In februari 1915 riep hij alle wateren rond Engeland uit tot oorlogsgebied waarbinnen elk
   schip, ongeacht de nationaliteit, tot zinken mocht worden gebracht, de onbeperkte onderzeeboot-
   oorlog. De Britten breidden daarop de blokkade uit tot alle schepen richting Duitsland, ongeacht de
   nationaliteit.
   Om binnenlopen en uitvaren van U-boten te bemoeilijken legden zij gedurende de gehele oorlog
   mijnenvelden in de bocht van Helgoland, die echter weinig effect hadden omdat er te gemakkelijk
   doorgangen konden worden geveegd. De Engelsen hadden overigens pas in 1916 de beschikking
   over geschikte mijnen.
   In 1915 legden de Britten indicatornetten in het Nauw van Calais, die bij contact met een U-boot een
   waarschuwingsfakkel ontstaken. Duitsland verbood daarop haar U-boten de vaart door het kanaal,
   een omweg van 1400 mijl naar de Ierse Zee inhield, wat de patrouille met zeven dagen bekorte.
   Duitse U-boten brachten enkele koopvaardijschepen uit neutrale landen tot zinken, alsmede het
   Britse passagiersschip Lusitania op 7 mei 1915 en de kanaalveerboot Sussex in maart 1916. Vooral
   het grote aantal Amerikaanse passagiers dat omkwam veroorzaakte veel verontwaardiging in de V.S.
   Onder het Amerikaanse dreigement van deelname aan de oorlog besloot Duitsland tijdelijk de onbe-
   perkte onderzeebootoorlog te staken en terug te keren naar een conventionele oorlogsvoering. Na de
   Slag bij Jutland'  (mei 1916) ging Duitsland echter weer over tot een beperkte onderzeebootoorlog.
   Bovendien startte Duitsland een bouwprogramma die de U-bootvloot tot 300 zou doen aangroeien.
   December 1916 werd het verbod dat Duitsland haar U-boten oplegde voor de doortocht van het
   kanaal weer opgeheven en stuurde Duitsland bovendien grote torpedobootjagers naar het kanaal om
   Britse patrouille-vaartuigen aan te vallen. Dit leidde tot felle gevechten met Britse torpedobootjagers.
   De Britten trokken wereldwijd de blokkade dicht, met als gevolg een voedseltekort dat uiteindelijk
   750.000 Duitsers het leven zou kosten. Bovendien zou de blokkade gebrek aan strategische
   materialen en grondstoffen veroorzaken.
   De keizer liet daarop in februari 1917 de onbeperkte onderzeebootoorlog tegen alle geallieerde
   schepen hervatten. De eerste maanden waren door de omvangrijke verliezen aan koopvaardij-
   schepen voor de Britten zeer kritiek. De eerste 8 maanden van 1917 verloren de Britten bijna drie
   miljoen ton aan scheepsruimte. Aan het einde van dat jaar had Engeland ondanks rantsoenering voor
   nog slechts 6 weken reserves aan eerste levensbehoeften en olie.

   De V.S. verbraken na het Duitse besluit tot de onbeperkte onderzeebootoorlog onmiddellijk de
   diplomatieke betrekkingen en bewapenden hun koopvaarders. Een door de Britten onderschept
   telegram waarin Duitsland Mexico tot oorlog tegen de V.S. aanzette in ruil voor steun bij de her-
   overing van voormalige Mexicaanse bezittingen, als ook de torpedering van drie van haar stoom-
   schepen, deed de V.S. in april 1917 besluiten Duitsland de oorlog te verklaren.
   De Britten hadden de doeltreffendheid van het varen in konvooien i.p.v. patrouilleren langs de
   handelsroute al bewezen, en de V.S. namen het systeem over voor de trans-Atlantische route.
   Bovendien werd werk gemaakt van nieuwbouw en reparatie van koopvaarders, en van verbetering
   van de onderzeebootbestrijding rond de konvooien.
   De Amerikaanse deelname aan de oorlog bracht de Britten grote voordelen. De Amerikaanse indus-
   trie droeg bij aan de ontwikkeling van apparatuur voor het opsporen van U-boten (hydrofoons; er was
   nog geen Asdic, die kwam pas in 1918), dieptebommen en mijnen voor de bewapening van de aan-
   zwellende stroom koopvaardijschepen en hun escorte.
   I.v.m. hun lage onderwatervaart slaagde een ondergedoken U-bootaanval meestal alléén als de U-
   boot in de koers van een konvooi zijn prooi opwachtte, wat werd bemoeilijkt door het zigzag vaar-
   patroon van de konvooien. Daarom vielen de U-boten bij voorkeur in bovenwatervaart aan, waarbij zij
   echter verkend en bestreden konden worden.
   De geallieerden begonnen aan een project van mijnenvelden tussen de Orkneys en Noorwegen, dus
   op grotere afstand van Duitsland, om infiltratie door U-boten van de scheepvaartrouten voor de Britse
   westkust te voorkomen. Het project was niet voltooid toen de oorlog ten einde liep.
   Al deze maatregelen leidden tot een verlies van 132 U-boten in de periode 1917-1918.
   In april 1918 besloten de Britten tot acties tegen de U-boot bases bij het Belgische Brugge, dat 15 km
   landinwaarts lag en met kanalen bij Oostende en Zeebrugge met de zee verbonden was. Zij konden
   dus niet vanuit zee worden bestookt en waren door hun bunkers ook niet voor vliegtuigen bereikbaar.
   De blokkade van Oostende lukte niet en die van Zeebrugge werd omzeild door een nieuw gebag-
   gerde vaargeul om de blokkadeschepen heen. Hoewel het dus geen maritiem succes was, had deze
   spectaculaire aanval wel een groot psychologisch effect.
   In juni 1918 was de onderzeebootoorlog voor de geallieerden gewonnen. Duitsland hongerde en leed
   onder grote tekorten aan strategische materialen en grondstoffen, terwijl de geallieerden ongehinderd
   werden bevoorraad en 1 miljoen soldaten uit de V.S. naar het front konden brengen. De al 4 jaar
   durende, en levens vretende balans in de loopgraven, sloeg eindelijk door in het voordeel van de
   geallieerden, waardoor tenslotte eind sept het westelijk front instortte.
   Zomer 1917 leidde de demoralisatie en onvrede op de vloot al tot muiterij die pas in oktober van dat
   jaar kon worden neergeslagen. Tijdens de slepende onderhandelingen aan het einde van de oorlog
   brak er in november 1918, door het bevel om op het eind van de al verloren oorlog uit te varen, op-
   nieuw muiterij uit op de gedemoraliseerde slagvloot in Kiel. De opstand breidde zich snel uit, en een
   communistische revolutie dreigde. Daarop trad de keizer terug, waarna op 11 november 1918 de
   capitulatie volgde.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Geallieerd konvooi bij Brest, november 1918.
Konvooieren en zeegaten blokkeren met mijnenvelden bleken de effectiefste middelen tegen het U-boot gevaar.

   -Maatregelen tegen U-boten:
      Aanvankelijk alléén snelvuurkanons en ram met verstekte voorsteven.
      Indicatie netten (bewaakt door patrouille-boten) en mijnnetten.
      Lansbom om op U-boot te werpen (niet succesvol).
      Anti-onderzeebootnetten en blokkadeschepen (o.a. marinebasis Scapa Flow).
      Veegtuig van kettingen met aan elk in serie gekoppelde scherpe dreggen.
      Explosief veegtuig (sleeplijnen met paravanen, kon in eigen schroef raken).
      Hydrofoon vanaf 1916 (richtingsgevoelige geluidssensor).
      Dieptebom vanaf 1916 (300 pondsbom met hydrostatische ontsteking).
      Dieptebomwerper (19 en 28 cm houwitzers en 25 cm bomwerper).
      Mijnenvelden: 
         Geschikte Britse mijn was pas in 1916 beschikbaar.
         Locaties mijnversperringen:
            Bocht van Helgoland, Vlaamse kust, Dover-versperring, Anglo-Amerikaanse noordelijke
            versperring tussen Noorwegen en de Orkneys, Otranto-versperring in Adriatische Zee (tegen
            Turkse en Oostenrijkse onderzeeërs).
         Mijnen waren verantwoordelijk voor 25% van de U-bootverliezen.
      Q-schip (verdekt bewapende lokvaartuig zoals treiler of handelsvaartuig).
      C-klasse onderzeeër, gesleept door lok-treiler met telefoonverbinding.
      Vliegtuigen en blimps (flexibele luchtschepen), konvooi-patrouille met terugslagloos Davis-kanon.
      Konvooieren:
         Eerst konvooivorming van marineschepen met een jagerscherm en vanaf 1917 bij de koopvaardij.
         De zeeën waren plotseling leeg, en de U-boten moesten de konvooien nu zoeken i.p.v. losse
         koopvaarders op te wachten. Bovendien waren werden de konvooien geëscorteerd. De verliezen
         daalden dan ook in 1 maand van 25% naar 0,24%.
     Zigzagkoers.
     Camouflage-beschildering (valse boeggolf, waterlijn, deklijn, brugopbouw).
 
   -Tegenmaatregelen voor U-boten:
      Goede uitkijk houden, en invoering van de groothoek zoekperiscoop.
      Nettensnijder op de boeg (zaagvormige opstand bij de Duitsers, versterkte boegrand bij de
      Engelsen.
      Grotere batterijcapaciteit voor langere onderwatervaart.
      Dekkanons (verloren hun nut bij de invoer van het konvooisysteem in 1917).
      Extra torpedo's voor herlading van de buizen.
      Bescherming personeel bij bovenwateraanvallen door een versterkte commandobrug.
   
  -Enkele getallen voor WO1:
      Het jaar 1915 was voor de geallieerden zéér kritiek. De verliezen waren in april van dat jaar
      32.000 en 15.900 ton aan Britse respectievelijk overige scheepsruimte. In augustus waren de
      verliezen gestegen tot 148.000 en 37.400 ton.
      De U-boten hebben de geallieerden 13 miljoen ton koopvaardij-scheepsruimte gekost, waarvan de
      Britten alléén al 2000 schepen, overeenkomend met 9 miljoen ton. Dat laatste is 90% van alle 
      stoomschepen onder Britse vlag in 1914.
      In april 1917 verloren de Britten 25% van de schepen die de Britse eilanden moesten bevoorraden.
      Bovendien vielen er ook veel oorlogsschepen aan U-boten ten prooi.

      Maar ook de verliezen onder de U-boten liepen op. In 1918 gingen 69 U-boten verloren. In de
      slotfase zelfs acht per maand. Aan het eind van de oorlog had Duitsland nog maar 150 U-boten
      over. Het verliescijfer aan U-boten over de gehele oorlog is 47% van alle operationele boten.
      Het scheepstype had echter zijn militaire waarde bewezen.




  ▪Krachtsverhoudingen begin WO2   (menu,  verklarende woordenlijst)
   (zie ook: Vergelijkende scheepsbouw WO2')


            │  C     S     SK    PK     ZK      K     TJ    TB    O    KB
  ──────────┼─────────────────────────────────────────────────────────────────
  Geallieerd│
            │
  Engeland  │  6    [  15   ]                  59     ??         38
   incl.Dom.│  6    [  15   ]                  88    214         68     3
  V.S. *    │ 3+2    6                         20     65         16
  Frankrijk │  2    [   7   ]                  19     70         77     7
  Nederland │                                   5      8    ??   27    ??
  Rusland **│  3                         1      9     59        140
  ----------│-----------------------------------------------------------------
  As        │
            │
  Duitsland │  0            2     3      2      6    [  34  ]    57
  Italië    │  0     6                         ??     ??        104
  Japan '41 │  8    10                  18     20    108
  ──────────┴─────────────────────────────────────────────────────────────────

               C = Grote aanvals-carriers
               S = Slagschepen
              SK = Slagkruisers
              PK = Pantserkruisers (Vestzakslagschepen)
              ZK = Zware kruisers
               K = Kruisers
              TJ = Torpedobootjagers
               O = Onderzeeërs
              KB = Kanonneerboten voor kustbeschieting

              [ X ] = Totaal van beide kolommen
              incl.Dom. = Inclusief de strijdkrachten van de "Dominions"
              *  = V.S. vlootsegment in de Pacific, NA aanval op Pearl Harbor
                   (met 3+2 wordt bedoeld: 3 aanwezig + 2 onderweg naar Pacific)
              ** = Sovjet slagvloot was verdeeld over:
                   Oostzee            - 2 S, 1 ZK, 3 K, 21 TJ, 76 O
                   Noordelijke IJszee - 8 TJ, 6 O
                   Grote Oceaan       - 14 TJ, 7 O
                   Zwarte Zee         - 1 S, 6 K, 16 TJ, 51 O

   Opm: 
     -V.S.
      Direct na Pearl Harbor stuurden de V.S. de carriers Yorktown' en Hornet naar de Pacific.
      De V.S. bezaten nu in totaal vijf grote carriers (de Wasp niet meegerekend, omdat die relatief klein
      was).
      Bij de aanval op Pearl Harbor verloor de Amerikaanse Pacific-fleet uiteindelijk maar twee slag-
      schepen. De overige zes werden gerepareerd.
     -Frankrijk
      Had één carrier en één vliegtuigmoederschip voor watervliegtuigen.
      Het bouwde geen lichte kruisers, maar daarvoor in de plaats zware torpedobootjagers.
      De meeste Franse schepen kwamen na Frankrijks capitulatie in bezit van de pro-Duitse Vichy-
      regering.
     -Nederland
      Bouwde de kruisers De Ruyter', Java, Sumatra, Tromp en Jacob van Heemskerk (de laatste werd in
      Engeland afgebouwd als luchtafweerkruiser)
     -Duitsland
      Bouwde aan het begin van de oorlog twee slagschepen af.
     -Japan
      Had aan het begin van de oorlog in de Pacific (december 1941) twee slagschepen van deYamato'-
      klasse) en acht vliegdekschepen in aanbouw.
     -Rusland
      Leverde slechts een teleurstellende bijdrage aan de oorlog ter zee. De inzetbaarheid was veel
      kleiner dan de tabel suggereert.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Een squadron Britse Hawker Hurricanes' aan het begin van de oorlog, in Lille-Seclin in Frankrijk (1939-1940)

  ▪Slag om Engeland en de luchtoorlog boven Europa WO2   (menu,  verklarende woordenlijst)

     -Algemeen
      Hoewel het, afgezien van de Britse carriers, geen maritieme historie betreft, meen ik dat de
      luchtoorlog boven Engeland en Europa zoveel verbanden heeft met de maritieme oorlog in het
      Kanaal, de Noordelijke IJszee en de Middellandse Zee, dat een analyse ervan toch op zijn plaats
      lijkt.
      Unternehmen Seelöwe betrof een massale Duitse invasie met landingsboten onder dekking van
      jagers. De Engelse Home Fleet zou bij een Duits luchtoverwicht kansloos zijn in haar pogingen dit
      te verhinderen.
      De Slag om Engeland' had dan ook het luchtoverwicht boven Engeland en het Kanaal als inzet. De
      Engelse overwinning voorkwam een invasie, en handhaafde de Britse maritieme suprematie in de
      wateren rondom Engeland, althans wat de oppervlakteschepen betreft.
      Overigens zou het luchtwapen in een later stadium van de oorlog de belangrijkste reden zijn van
      het neutraliseren van de Duitse U-boten.

     -Slag om Engeland (Battle of Britain), van 10-06-40 tot een massaal treffen boven London op
      15-09-40 waarna de slag geleidelijk verliep. Op Adler Tag (13-08-40) vond een grootschalige
      aanval plaats. Het succes van het Britse Fighter Command is terug te voeren op een aantal
      factoren:
        ▫Engeland streed boven eigen grondgebied.
           -Haar jagers konden langer in de gevechtszone opereren. De Messerschmitt Bf-109' had een
            kleine actieradius omdat het ontwerp was afgestemd op de eisen van de Blizkrieg waar hij
            nabije ondersteuning moest verlenen aan de snel oprukkende cavalerie. De operationele tijd
            van de Messerschmitt boven Engeland was daardoor slechts zo'n 30 min.
           -Neergeschoten vliegers waren dank zij een goed georganiseerde rescue-dienst vaak weer
            direct inzetbaar, ook als hij boven de Noordzee werden neergehaald (het totale aantal
            beschikbare Engelse vliegers was overigens kleiner).
        ▫Engeland beschikte over een goed functionerend radarnetwerk, dat bovendien niet eenvoudig uit
         te schakelen bleek met als gevolg:
           -Optimale inzetbaarheid van de beperkte middelen.
           -Kleinere kans dat jachtvliegtuigen op de grond vernietigd werden.
        ▫Het Engelse Fighter Command was op maximale sterkte, en had om een aantal redenen in feite
         meer direct inzetbare jagers tot haar beschikking:
           -Engeland had geweigerd haar reserves in Frankrijk in te zetten.
           -Slechte Duitse timing, omdat de Duitse luchtmacht zich nog niet hersteld had van de boven
            Frankrijk geleden verliezen.
           -Engeland beschikte over een snellere productiecapaciteit voor haar jachtvliegtuigen.
        ▫De Engelse jachtvliegtuigen hadden door hun 8 mitrailleurs een grotere vuurkegel dan de
         Messerschmitt Bf-109.
        ▫Engeland beschikte over een aantal goede bommenwerpers voor aanvallen op de Duitse
         haveninstallaties en de daar klaarliggende landingsboten.
         Duitsland echter ontbeerde een strategische bommenwerper voor bombarderen van Engelse
         vliegvelden en startbanen.
        ▫Duitsland had aanvankelijk een overwicht op Engeland, zowel in manschappen, als in materieel.
         Bovendien hadden de Duitse piloten ervaring opgedaan tijdens de Spaanse burgeroorlog.
         Zo lieten de Engelsen in het begin van de oorlog hun jagers opereren in de tot dan gangbare
         starre V-formatie. De Duitsers vlogen echter in de boven Spanje ontwikkelde meer flexibele
         "finger four" formatie, die bestond uit twee paar toestellen, elk paar bestaand uit een commander
         en zijn wingman. De Engelsen zouden snel volgen.
         Het materiële Duitse overwicht was overigens geflatteerd door de in het luchtgevecht met de 
         snelle en wenbare Britse éénzitters gebleken ongeschiktheid van de tweepersoons Messerschmitt
         Bf-110' als jachtvliegtuig. Later zou dit toestel toch waardevol blijken, maar dan als nachtjager.
        ▫De Britse commandocentra waren kwetsbaar voor bombardementen door onvoldoende bescher-
         ming en door hun ligging nabij de zwaar bestookte vliegvelden van Fighter Command.
        ▫Tactische fouten van Duitsland
           -Afgelasting van de aanvankelijk succesvolle aanvallen op de radarposten.
           -Wijziging van de aanvankelijk succesvolle tactiek van de Duitse luchtmacht.
            De aanvallen op de vliegvelden van Fighter Command brachten Engeland op de rand van de 
            nederlaag. Maar toen Londen per ongeluk door een bom werd getroffen en Churchill daarop op 
            25-08-40 een represaille-aanval op Berlijn liet volgen, beval de driftige Hitler het accent van de
            bombardementen naar Londen te verplaatsen, en de jagers in te zetten als escorteurs. Fighter
            Command zou zich toen met een intensief bouwprogramma en een efficiënte vliegopleiding snel
            herstellen.
           -Duitsland openende een tweede front tegen Rusland (operatie Barbarossa), waardoor de
            beschikbare aanvalskracht niet langer meer gebundeld was op één doel. Met de planning van
            deze operatie was Hitler genoodzaakt operatie See-Löwe te annuleren en zich uit de Slag om
            Engeland terug te trekken.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Britse Spitfire Mark 5b' met zijn karakteristieke ovale vleugel. Dit toestel was gestationeerd op Biggin Hill
in Kent en werd dat zelfde jaar boven zee door een Messerschmitt Bf 109F' neergeschoten.

      Vanaf augustus t/m oktober 1940 vochten de Engelsen met 1000 Hurricanes' en Spitfires' tegen
      3500 Duitse toestellen waarvan 1250 jagers. Zij schoten er 1733 neer tegen een eigen verlies van
      915 toestellen.

      De Slag om Engeland werd voornamelijk gevoerd met de Britse Hawker Hurricane en de
      Supermarine Spitfire, en de Duitse Messerschmitt Bf-109E'. Door de toen nog maar beperkte
      beschikbaarheid van de Spitfire, was de Hawker Hurricane verantwoordelijk voor 70% van alle
      neergehaalde Duitse toestellen.
 
      De Hurricane was langzamer dan de Bf-109, maar was zeer wendbaar en had een kleinere draai-
      cirkel in het kringgevecht. Bovendien bleek het toestel een zéér stabiel platform te zijn voor
      zwaardere kanonnen en lichte bommen en had het een enorm incasseringsvermogen. Het zou dan
      ook later in de oorlog, toen het niet meer als jachtvliegtuig voldeed, met succes met twee 40mm
      kanonnen onder de vleugels worden ingezet als antitankvliegtuig en bij grondaanvallen. De
      Hurricane was nog gedeeltelijk met linnen overspannen.
      De Spitfire waarmee tijdens de Slag om Engeland werd gevlogen was, de snelle en zeer wendbare
      Mark 1A. De beste uitvoeringen waren de Mark 5 (1941), de Mark 9 (1942) en de Mark 14 (1944).
      Spitfires tot Mark 9 hadden een Rolls Royce Merlin-motor; de Mark 14 een Griffon. Omdat deze
      laatste veel krachtiger was en de schroef de andere kant opdraaide, had het toestel duidelijk andere
      vliegeigenschappen. Met de Griffon-motor had het toestel bij lage snelheid en op geringe hoogte de
      neiging om bij vol vermogen een rol naar rechts te maken i.p.v. naar links zoals bij zijn voorgangers
      met een van voren gezien linksdraaiende schroef . Een Seafire met een Griffon draaide dus bij de
      start en bij een go-around (in geval van een mislukte landingspoging) naar rechts op. En vooral dat
      laatste was gevaarlijk omdat het eiland van een carrier zich aan stuurboord bevindt. Een met de
      Griffon-motor uitgeruste een Spitfire dook overigens sneller.
      Gedurende de gehele Tweede Wereldoorlog was de Supermarine Spitfire een bijzonder goede en
      buitengewoon wendbare jager.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Duitse Messerschmitt Bf-109' die net als de Spitfire' de gehele oorlog in productie zou blijven.

      De Messerschmitt Bf-109' klom beter en dook beter dan de Engelse jagers. Tijdens een steile duik
      haperde de motor van de Spitfire' bovendien nogal eens door carburatieproblemen. De Duitse
      jachtvliegers konden daarom vaak door een duikvlucht ontkomen (welke gewoonte later in de
      oorlog fataal werd bij ontmoetingen met de zéér goed duikende, relatief zware Amerikaanse
      Mustang'). Het had door zijn ontwerp voor ondersteuning van de Blitzkrieg een te klein vliegbereik
      (vooral bij de Battle of Britain), en door de geringe spoorbreedte van het landingsgestel was het
      toestel op hobbelig terrein moeilijk aan de grond te zetten.
      De beste uitvoeringen van de Messerschmitt Bf-109 waren de Bf-109E (1939, Emil) en de Bf-109G
      (1942, Gustaf).
      De bewapening van de Emil bestond uit twee mitrailleurs in de neus en twee 20mm kanonnen in de
      vleugels.
      De Gustaf had één 20 mm kanon dat door de propellernaaf schoot, en twee mitrailleurs in de
      neus. Daarmee was het doordringingsvermogen groter, maar de vuurkracht en de vuurcirkel
      kleiner dan die van de Engelse toestellen die met 8 lichte mitrailleurs waren uitgerust. In 1940
      kregen de Engelse toestellen 20 mm kanonnen en lichte mitrailleurs in de vleugels.
      De Messerschmitt Bf-110' bleek als jachtvliegtuig te falen, hoewel het toestel later goede diensten
      bewees als jachtbommenwerper en, voorzien van radar en "Schräge Musik" kanons (schuin naar
      boven schietend) ook als nachtjager.
      De Junkers 87 Stuka' duikbommenwerper was hier door zijn lage snelheid zonder jagersescorte te
      kwetsbaar, maar bewees eerder onschatbare diensten tijdens de Blitzkrieg.

      Churchill sprak na de slag de beroemde woorden "Never in the field of human conflict was so much
      owed by so many to so few"  (21-08-40).


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Duitse Focke-Wulf 190 G-3', een jachtbommenwerper-variant van een uitstekende jager.

     -Luchtoorlog boven Europa
      Deze luchtoorlog is voor dit essay van belang voor zover het bombardementen betreft op werven 
      van U-boten aan de Oostzee, en op hun bases aan de Oostzee en de Franse westkust.

      In het midden van de oorlog bombardeerden geallieerde bommenwerper-vloten de klok rond,
      overdag de Amerikanen en 's nachts de Engelsen. De verliezen waren echter enorm en werden pas
      aanvaardbaar met de komst van Amerikaanse lange afstandsjagers zoals de Lightning', de
      Thunderbold, maar toch vooral de Mustang'. De 2-motorige Lockheed Lightning voldeed hier minder
      goed dan in de Pacific. Op dit strijdtoneel bleek het vrij zware toestel te kwetsbaar voor de goed
      gevlogen, lichte en wendbare Duitse jagers.
      De luchtoorlog werd definitief beslist door het Amerikaanse besluit de jagers minder te binden aan
      hun escorterende taken, en de bombardements-vloten naast hun specifieke taken te laten dienen 
      om de Duitse jagers binnen het bereik van de eigen jagers te brengen (vgl. de periode tijdens de
      Slag om Engeland', toen de Duitsers de oorlog dreigden te winnen zolang het zijn krachten
      concentreerde op toestellen en vliegvelden van Fighter Command).

      De beste Duitse schroefjager van de oorlog was de in 1941 aan het front verschijnende uitstekende
      Focke-Wulf 190'. Pas met de Spitfire Mark 9' (1942) konden de Britten er een gelijkwaardig toestel
      tegenover zetten.
      Het straalvliegtuig Messerschmitt Me-262 kwam door een slechte productieplanning en onvol-
      doende politieke steun te laat om het luchtoverwicht op de geallieerden te heroveren. En toen het
      toestel eindelijk in productie was gekomen, werd het aanvankelijk op gezag van Hitler ingezet als
      bommenwerper, een taak waarvoor het niet ontworpen was. Bovendien vertraagden deze daartoe
      benodigde aanpassingen de introductie van het toestel.
      Duitsland bezat, anders dan de Britten, geen strategische bommenwerpers.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Amerikaanse Mustang', een succesvol lange-afstands jachtvliegtuig.
De witte banden op de staart en de vleugels dienden te voorkomen dat geallieerde vliegers de Mustang
voor een Messerschmitt 109' aanzagen en het vuur zouden openen. Dit systeem is blijkbaar goed bevallen 
want de geallieerden brachten in 1944 op D-Day op al hun vliegtuigen dubbele witte banden aan, zij het
nu om "friendly fire" van het luchtafweer boven de vloot en de stranden te voorkomen.

      De North American Mustang' wordt beschouwd als het beste Amerikaanse jachtvliegtuig uit de
      Tweede Wereldoorlog. Als gevolg van de ligging van de radiator was het toestel echter zeer
      kwetsbaar voor luchtafweer bij grondaanvallen, en werd dan ook snel van deze taak ontheven. Het
      zéér grote vliegbereik maakte escorteren van bommenwerpers tot diep in Duitsland mogelijk.
      Amerikaanse jagers werden doorgaans uitgerust met 6x 12,7 mm mitrailleurs, tegen de Engelsen
      8x 7,62 mm mitrailleurs. Tijdens de oorlog nam het gebruik van boordkanonnen toe.

      Engelse, Duitse, Franse en Russische jagers waren vrijwel uitsluitend uitgevoerd met vloeistof-
      gekoelde lijnmotoren. De enige Italiaanse jagers met lijn-motoren waren die welke van geïmpor-
      teerde Duitse motoren waren voorzien.
      Amerikaanse jagers vlogen voornamelijk met luchtgekoelde stermotoren. Later verschenen ook
      daar toestellen met lijnmotoren zoals de Lightning' en de Mustang (de Corsair' had een stermotor).
      Overigens waren de enige succesvolle Amerikaanse lijnmotoren die welke voor Rolls-Royce in
      licentie waren gebouwd.
      Japan vloog vrijwel uitsluitend met stermotoren.
      Jagers die met lijnmotoren waren uitgerust, waren destijds superieur aan die met stermotoren.
      Stermotoren waren weliswaar minder kwetsbaar, maar zij stonden een goede stroomlijn in de weg
      en waren tegen het einde van de oorlog aan het eind van hun ontwikkelingsmogelijkheden.

      Over het algemeen werd de grote inventiviteit van de Duitse ingenieurs ernstig geschaad door een
      slechte coördinatie, politieke bemoeienis en eigenmachtig optreden van Hitler (bv. zijn bemoeienis 
      met de ontwikkeling van de straalmotor en mogelijk zelfs met die van de atoombom, want kern-
      fysica werd door de Nazi's tot "Joodse wetenschap" en dus verboden verklaard).





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Een Vought SB2U Vindicator verkenner/bommenwerper op U-boot patrouille boven een konvooi voor Kaapstad in 1941.
Het konvooi is juist bezig met een koerswijziging naar stuurboord van frontlinie naar kiellinie om het voor aanvallende
U-boten moeilijker te maken het konvooi in haar koerslijn op te wachten. Geheel bakboord in de 1e rij een zware kruiser.

  ▪Strijd om de Atlantische Oceaan WO2  (zie kaart')   (menu,  verklarende woordenlijst)

   September 1939 verklaarde Engeland Duitsland de oorlog.
   De aanvoer van olie, strategische materialen en essentiële levensbehoeften vanuit de V.S. over de
   Atlantische Oceaan was voor Engeland nu van vitaal belang.

   Omdat de U-boot dreiging deze aanvoer in gevaar bracht, gingen de Britten over tot het in de Eerste
   Wereldoorlog zo succesvol gebleken konvooisysteem i.p.v. te patrouilleren langs de handelsroute. De
   door escorteurs begeleide konvooien volgden daarbij in de bedreigde gebieden een onregelmatig
   zigzag-patroon. In de Engelse havens werden de schepen door anti-onderzeebootnetten en mijnen-
   velden beveiligd.

   Duitsland begon de oorlog met 57 onderzeeërs, waarvan slechts 22 voor de oceaanvaart (in febru-
   ari 1941 waren er zelfs nog slecht 21), maar bouwde deze vloot snel uit met 20 tot 30 U-boten per
   maand, waarvan de meeste Type VII'.
   De toenmalige bevelhebber van het Duitse U-boot wapen Karl Dönitz schatte het benodigde aantal
   U-boten om de oorlog te winnen op 300. Half 1942 bezat Duitland er 150, en begin 1945 beliep het
   aantal 463 U-boten.
   In totaal heeft Duitsland tijdens de oorlog 1162 U-boten in dienst gesteld.
   Van deze schepen was steeds 30% operationeel, 30% onderweg naar het operatiegebied of naar de
   thuishaven, en 30% in de havens voor reparatie, revisie en bevoorrading.

   Overdag voer een onderzeeboot met een kruisvaart van 2 knopen in de Noordzee op een periscoop-
   diepte van 13 m, in Atlantisch water 20 m onder water, en in het meer heldere water van de Middel-
   landse Zee op 30m diepte.
   Gedurende de nacht voer men aan de oppervlakte om met de diesel de batterijen op te laden. De
   kleine commando-toren maakte haar vrijwel onzichtbaar. Naar de maan toe echter, of er vanaf
   varend, was dat niet het geval en werd een zigzag-koers aangehouden. Bij zonsopgang voer men
   weer onder water i.v.m. de tegen de lichte horizon scherp aftekenende silhouet van de commando-
   toren. Vuilnis werd aan het begin van de nacht verzwaard overboord gezet, om er 's morgens zover
   mogelijk vandaan te zijn.

   In april 1940 werden alle U-boten tijdelijk aan de strijd om de Atlantische Oceaan onttrokken t.b.v. de
   Noorse campagne.
   Met de val van Frankrijk in juni 1940 kregen zij de beschikking faciliteiten in de havens van Lorient,
   St.-Nazaire, Brest, La Pallice en Bordeau.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Niagara was één van de zes oude Amerikaanse 4-stacker torpedobootjagers die aan de Royal Canadian Navy  
werden geleverd in het kader van de Destroyers for Bases Agreement waarbij de toen nog neutrale V.S. vijftig oude
destroyers aan de Britten leverden in ruil voor het 99 jaar durende recht op vrij gebruik van bepaalde Britse bases.

   Vanaf augustus 1940 kondigde Hitler de totale blokkade van Engeland af, zonder de tot dan geldende
   beperkingen. Het succes van deze blokkade blijkt uit het verlies van 1.600.000 ton Engelse scheeps-
   ruimte in 6 maanden.
   De Amerikanen leverden daarop in het kader van de Destroyers for Bases Agreement 50 oude, maar
   bruikbare torpedobootjagers (de zgn. 4-pijpers of 4-stackers). Deze jagers vertegen-
   woordigden bovendien voor beide partijen het psychologisch element van de Amerikaanse betrok-
   kenheid in een periode dat de V.S. officieel neutraal was.

   De Britten zetten zelf grote aantallen korvetten in, die weliswaar klein en traag waren, maar in korte
   tijd en goedkoop konden worden gebouwd.

   Ondanks successen van met de onderwater-opsporingsapparatuur Asdic (Sonar) uitgeruste torpedo-
   bootjagers en korvetten, en een betere luchtdekking die de U-boten onder water dwong, bleven de
   Duitsers succesvol. En dat terwijl er niet meer dan 30 U-boten tegelijk op zee waren.
   Bij ontbreken van luchtdekking waren met name bovenwateraanvallen effectief, omdat een U-boot 
   dan onzichtbaar bleef voor de Britse Asdic en de kleine opbouw aan de oppervlakte nauwelijks opviel.
   Bovendien hadden de diesel-elektrische U-boten Type VII', varend op hun diesel, een bovenwater-
   vaart van 17 knopen, sneller dan de geallieerde korvetten. Torpedobootjagers waren wel snel
   genoeg, maar daar waren er te weinig van. Het onttrekken van torpedobootjagers aan de escorte-
   dienst, t.b.v. de verdediging van Engeland tegen een mogelijke invasie, gaf de U-boten nog meer de
   wind in de zeilen.
   De U-boten boekten hun eerste grote succes met de torpedering van het Britse vliegdekschip
   Courageous eind 1939.
   Dit was de tijd van de vermaarde U-boot azen als Prien (die met de U-47 de Britse marinebasis in
   Scapa Flow, Orkney-eilanden, binnendrong en daar het slagschip de Royal Oak torpedeerde),
   Kretschmer (U99) en Schepke (U100).
   De Britten gaven de koopvaardijschepen "Snowflakes" of lichtfakkels mee, vuurpijlen die de omge-
   ving in helder licht zetten en U-boten rond en binnen het konvooi zichtbaar maakten voor een aanval
   met geschut en dieptebommen.

   Eind 1940 gingen de Duitsers met veel succes over op de wolfpack tactiek (verkennen, verzamelen
   en met een hele groep tegelijk aanvallen).
   Voor de verkenning en het schaduwen van konvooien door U-boten zette men, behalve de U-boten
   zelf, nu ook de 4-motorige Focke-Wulf Condors' in.
   Verder introduceerden de Duitsers grote bevoorradings-onderzeeërs in, de "Melkkoe", die de
   U-boten op volle zee van torpedo's en brandstof voorzagen, zodat de kleine Type VII een grotere
   actieradius kreeg. Zij kregen van de geallieerden de hoogste prioriteit, en werden alle vernietigd.

   Ondanks de inzet van genoemde Condors werd de samenwerking met de Luftwaffe door de rigide
   houding van Göring om voldoende toestellen te leveren en door de voor dit werk onvoldoende
   opgeleide bemanningen nooit een succes. Hetzelfde gold voor de luchtdekking van de U-boten, die
   vooral vanaf eind 1942, tijdens het geallieerde luchtoverwicht boven de Atlantische Oceaan, onont-
   beerlijk was. Dit overwicht werd geleidelijk opgebouwd vanaf het moment dat de operationele leiding
   van Coastal Command in december 1940 niet meer bij de luchtmacht maar bij de Admiraliteit kwam
   te liggen, in de vorm van luchtdekking van konvooien als ook in de vorm van patrouille-vluchten met
   lange-afstands bommenwerpers.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Een Hurricat is de katapultvariant van de Hurricane' voor éénmalig gebruik
op de boeg van een CAM-schip (Catapult Aircraft Merchantmen)

   Half 1941 voerden de Britten het oppervlakte zoekradar in met een bereik van ruim 5 km. Zeer
   nauwkeurige radio-peilapparatuur (H/F-D/F apparatuur, "Huff-Duff" genoemd) beperkte de com-
   municatie van de U-boten onderling en met het centrale commando.
   Ondertussen had in mei 1941 "Operatie Pimrose" met de verovering van de U110 de Britten een
   intacte Enigma codeermachine met de code-sleutels in handen gespeeld, en dat verschafte hen een 
   informatievoorsprong die tot het einde van de oorlog zou duren.
   Voor bestrijding van de schaduwende Condors' namen de konvooien een korte tijd Hurricanes' mee
   die met een katapult van één van de koopvaardijschepen werden gelanceerd. De toestellen dienden
   wel op zee te landen...

   Asdic had zijn beperkingen. Het werkte minder goed in zeer koud water, en het doel verdween bij
   dichte nadering in een blinde kegel. De oplossing voor dat laatste (door de dieptebommen naar voren
   te werpen) was nog niet voorhanden, dus verhoogde men het aantal dieptebomwerpers zodat die
   vanaf de hek een patroon van 10 dieptebommen lanceerden, en men ontwikkelde een beter herlaad-
   systeem dat een continue aanval mogelijk maakte. Verder maakte men de dieptebom zwaarder waar-
   door hij sneller zonk en de U-boot minder tijd kreeg weg te draaien. Een met een zwaarder explosief
   geladen dieptebom werd wel ontwikkeld, maar bleek het risico mee te brengen dat een korvet zijn
   eigen achterschip opblies.
   Near-missers met dieptebommen veroorzaakten in de U-boten vaak meerdere lekken, die haar zelfs
   bij beperte lekkage toch konden vernietigen. Zo kon de elektra kortsluiten, of kon binnenkomend
   water met het zwavelzuur in de accu's giftig chloorgas vormen etc.
   In 1941 verscheen de "Hedgehog" (stekelvarken), een mortier dat een patroon van 24 kleine bommen
   (geen dieptebommen) ver voor het schip uit wierp voordat de U-boot in de blinde kegel kwam. Een
   treffer met één bom kon een U-boot doen zinken, maar anders dan bij een gewone dieptebom kon
   een near-misser dat niet.
   In september 1941 verzwakte Hitler het offensief door tegen de zin van Karl Dönitz 21 U-boten in het
   zeegebied westelijk van Gibraltar en ook nog eens 10 U-boten in de Middellandse Zee te stationeren. 
   De Middellandse zee was voor U-boten immers een fuik waarin zij door de voortdurend oostwaarts
   lopende stroom door de slechts 14 km brede Straat van Gibraltar vrijwel opgesloten raakten.
   In juli waren er al boten aan de strijd om de Atlantische Oceaan onttrokken voor het verzamelen van
   weerrapporten voor de luchtmacht (2 boten), voor stationering in de Poolzee wegens de uitbreiding
   van de oorlog naar Rusland (6 boten), voor het escorteren en opbrengen van prijsschepen, en in 
   februari 1942 nog eens (8 boten) omdat Hitler haast obsessief meende dat de beslissing in Noor-
   wegen zou gaan vallen.
   Bovendien waren de urgente reparaties van de zware kruiser Prinz Eugen' en van de slagkruisers
   Scharnhorst en Gneisenau ten koste van het grootste deel van de onderhouds- en reparatie-
   capaciteit van de U-boten gegaan.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Britse Fairey Swordfish' tweedekker werd ingezet met een torpedo, maar escorteerde ook met dieptebommen.

   Vanaf eind 1941 bouwden de Britten koopvaardijschepen om tot hulpvliegdekschepen. Deze ope-
   reerden met de voor dit doel uitstekende Fairey Swordfish' dubbeldekkers met een maximum snelheid
   van 222 km/uur, die voor deze taak waren uitgerust met dieptebommen.

   Op 7 december 1941 verklaarde Duitsland de oorlog aan de Verenigde Staten.
   Daarmee kreeg het Atlantische front de beschikking over het enorme militair-industriëel potentieel van 
   de V.S., waardoor er snel veel meer vliegtuigen en hulpvliegdekschepen konden worden gebouwd,
   nieuw of door ombouw van tankers en vrachtschepen. Zij waren zo veelzijdig dat zij ook wel
   Woolworth-vliegdekschepen werden genoemd (Woolworth was een groot Amerikaans warenhuis).
   De U-boten gingen nu ook opereren aan de Amerikaanse oostkust, aan de monding van de Missis-
   sippi en in het Caraibisch gebied. De V.S. waren daar verbazend genoeg absoluut niet op voorbereid. 
   Er was met het oog de toeristische belangen (!) geen sprake van kust-verduistering, er werd geen
   radiostilte in acht genomen en de schepen gaven in onbegrijpelijke naïviteit over de radio posities aan
   elkaar door. Bovendien meenden de Amerikanen dat zij veel te dynamisch waren voor zoiets passiefs
   als een konvooisysteem. Zij zagen meer in onafhankelijk opererende jachtgroepen.
   Toen zij de eerste 6 maanden van 1942 505 schepen hadden verloren door slechts 21 U-boten, her-
   zagen zij hun tactiek en gingen zij ook in konvooien opereren in plaats van langs de handelsroute te
   patrouilleren.

   Het oorlogsjaar 1942 was voor de geallieerden zeer kritiek, omdat de Duitsers meer scheepsruimte
   tot zinken leken te brengen dan de geallieerden konden bijbouwen. In dat jaar verloren de geallieer-
   den 6 miljoen ton scheepsruimte door U-boten. Met de verliezen door mijnen en vliegtuigen bedroeg
   het verlies in totaal 7.800.000 ton, wat overeenkomt met 1664 schepen.
   Bovendien was de Duitse productie van U-boten zeer hoog. In 1942 werden er 87 U-boten vernietigd,
   tegen een nieuwbouw van 208 stuks.
   Het Duitse streven was 800.000 ton tot zinken gebrachte scheepsruimte per maand, en hoewel zij
   kwamen dit jaar niet verder kwamen dan 650.000, was het wel meer dan er dat jaar door de
   geallieerden werd bijgebouwd.

   De V.S. reageerden daarop met de introductie van seriegebouwde Liberty en Victory vrachtschepen.
   Verder kwamen er korvetten van de Flowerklasse' en fregatten van de River-klasse (niet te verwarren 
   met de vroegere Riverklasse torpedobootjagers uit 1900). En er kwam meer radar op de schepen en
   meer radio-peilapparatuur (H/F-D/F) die diende voor het peilen van de communicatiesignalen tussen
   de U-boten en met het centrale commando.

   Daar stond echter tegenover dat de V.S. vrijwel de gehele vloot terugtrokken voor de oorlog in de
   Pacific, en dat er veel schepen werden onttrokken voor de landingen in Noord Afrika, "Operatie
   Torch".
   Bovendien lag er in het midden van de Atlantische Oceaan een gebied van ca. 1000 km breed, dat
   niet kon worden gedekt door landvliegtuigen (de "air-gap") en waar U-boten derhalve vrijelijk konden
   opereren. 
   Toen de Duitsers ook nog eens de Britse konvooicode braken, wat forse verliezen tot gevolg had,
   werd de situatie zorgelijk. Isolatie zou de Britten uithongeren, en de Duitsers in staat stellen hun hele
   militaire potentieel tegen de Russen te ontplooien.
   Hitler is geen enkel moment dichter bij de overwinning geweest dan in de periode 1942 t/m de meest
   kritieke maand maart 1943.
   In de loop van 1943 zouden de kansen echter keren.
   
   September 1942 vaardigde Dönitz het Laconia-bevel uit. Duitse U-boten waren in problemen geraakt
   bij reddingsacties na torpedering van het passagiersschip Laconia dat ondermeer Italiaanse krijgs-
   gevangenen aan boord had. Dit bevel hield een verbod in op elke vorm van hulp aan een getorpe-
   deerd schip.
   Toen Dönitz zich na de oorlog voor dit bevel moest verantwoorden werd hij vrijgesproken.
   
   In september 1942 zetten de geallieerden ondersteuningsgroepen op, die weliswaar onafhankelijk
   opereerden, maar geen vrije jachtgroepen vormden zoals die in het begin van de oorlog bij de V.S.
   operationeel waren. Zij waren namelijk op afroep voor het konvooi beschikbaar en werkten samen
   met de nabijbescherming van het konvooi. Daardoor kon een aanval op een U-boot worden door-
   gezet zonder dat het konvooi onbeschermd achterbleef, totdat zuurstofgebrek de bemanning deed
   stikken of de U-boot naar de oppervlakte dwong.
   Ontsnappen werd vrijwel onmogelijk gemaakt door de Asdic en door het hoorbare geruis van de
   elektromotoren. Een bekende ondersteuningsgroep was die van kapitein-ter-zee Walker, die in één
   patrouillevaart in februari 1944 zes U-boten tot zinken bracht. Hij ontwikkelde eind 1943 bovendien
   een sluipaanvalstechniek om de dode hoek van de Asdic te omzeilen. Hij liet daarbij twee jagers op
   enige afstand achter elkaar de gedetecteerde U-boot aanvallen, waarbij de achterste jager de voorste
   dirigeerde. Deze techniek bleek bijna onfeilbaar. Niet alléén omdat het Asdic-contact behouden bleef,
   maar ook omdat de U-bootcommandant gewoon was zijn uitwijkmanoeuvre te beginnen als de "ping"
   van de Asdic ophield wanneer hij zich in de dode hoek bevond.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De Engelse lange-afstands vliegboot Short Sunderland', vanwege zijn zware bewapening door de Duitse jachtvliegers
ook wel met respect "het vliegend stekelvarken" genoemd. Een vliegboot werd, ook in de terminologie, meer als een
vliegend schip gezien dan als vliegtuig (captain, flagship, starboard etc.).

   Verder slaagden de geallieerden er eind 1942 in de air-gap te dichten met lange afstandsvliegtuigen
   (Short Sunderland', Liberator'), en met de inzet van tankers en graanschepen die met een vliegdek
   werden uitgerust en de beschikking hadden over over 3 tot 4 vliegtuigen (MAC, Merchant Aircraft
   Carriers of koopvaardij-vliegdekschip).
   Echte hulpvliegdekschepen (omgebouwde koopvaardijschepen) beschikten over meer vliegtuigen
   (15 tot 24) en hadden verbindingsmiddelen om die vliegtuigen boven een konvooi te dirigeren. De
   dubbeldekker Swordfishes' werden met succes uitgerust met anti-tank raketten.
   Onderzeeboten, die aan de oppervlakte het meest efficiënt opereerden, werden door de vliegtuig-
   patrouilles onder water gedwongen, waardoor zij niet op de diesel konden varen en hun accu's niet
   konden opladen. Dit verkleinde hun actieradius tot die van de onderwatervaart, en als de lege accu's
   hen naar de oppervlakte dwongen waren zij natuurlijk uiterst kwetsbaar. Bovendien waren de U-boten
   in de Noordzee op periscoop-diepte vanuit vliegtuigen weliswaar vrijwel onzichtbaar, maar op de
   Atlantische Oceaan waren zij bij kalm weer nog zichtbaar tot een diepte van 10 m.
   In 1943 kwamen ook de hulpvliegdekschepen en ondersteuningsgroepen van operatie Torch terug,
   en gingen de Amerikanen extra Liberators leveren.
   Bovendien werd datzelfde jaar de "Squid" ingevoerd, een apparaat dat 3 gewone dieptebommen ver
   voor het schip uitwierp in plaats van de veel minder effectieve 24 kleine bommen met contactpistool
   van de Hedgehog.

   Statistisch onderzoek leerde dat het aantal verloren gegane schepen afhing van het aantal U-boten
   en de sterkte van het escorte, en niet van de grootte van het konvooi. Men besloot daarom in grotere
   konvooien te gaan varen. Gevolg was dat er minder konvooien nodig waren en dat er escorteurs
   vrijkwamen voor de vorming van meer oproepbare ondersteuningsgroepen.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Aanval met dieptebommen van twee Britse Sunderlands' op de U-243 op 170 zeemijl
ten westen van St Nazaire, France, waarbij 11 Duitse zeelui omkwamen en de rest in
een door de Sunderlands uitgeworpen dinghy klom (1944).

   Tenslotte verscheen aan geallieerde zijde de kortegolf-radar (ASV) die geschikt was gemaakt voor
   gebruik op vliegtuigen. Deze werd niet gedetecteerd door de inmiddels door de Duitsers ontwikkelde
   radardetector (Metox) die een U-boot moest waarschuwen voor naderend vliegtuigen. Bovendien
   bleek de Duitse detector onbedoeld signalen uit te zenden die vervolgens weer door de geallieerde
   vliegtuigen gepeild konden worden.
   Vliegtuigpatrouilles in de Golf van Biskaje begonnen het de binnenkomende en uitvarende U-boten
   dan ook moeilijk te maken.

   De Duitsers begingen nu twee blunders:
     -Zij plaatsten luchtafweergeschut op de U-boot.
      De tactiek het schip te verdedigen had tot gevolg dat men niet direct tot een wellicht meer kansrijke
      snelduik overging.
      Nu bleef de geallieerde vlieger eenvoudig buiten bereik cirkelen, en riep een schip op. Als de U-
      boot alsnog probeerde te duiken viel het vliegtuig aan. De U-boot bemanningen noemden dit de
      "Slag om de seconden" (30-40 sec om van het kanon weg te komen en het brugluik achter zich te
      sluiten, en wie te laat was verdronk). Een direct ingezette snelduik met alléén een uitkijk op de
      commando-toren kostte slechts 20 seconden. Bovendien zou het vliegtuig minder tijd hebben
      gehad in een goede aanvalspositie te komen.
     -Duitse wetenschappers ontkenden de mogelijkheid van een centimeter-radar omdat het hen zelf
      niet gelukt was deze te ontwikkelen. Zij maakten een dergelijke fout al eerder met het H/F-D/F peil-
      apparaat.
      Het effect van deze blunders was dramatisch. In mei 1943 werd slechts 165.000 ton aan scheeps-
      ruimte tot zinken gebracht tegen 40 vernietigde U-boten. Een U-boot werd nu gemiddeld al na 1½
      patrouille tot zinken gebracht, wat overeenkomt met 60 zeedagen.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Dieptebomaanval in een snelle wending naar stuurboord door de Britse lichte kruiser Ceylon (1944).

   De slag om de Atlantische Oceaan zou voortduren, maar was in mei 1943 in feite beslecht.
   Duitsland trok daarop de U-boten terug in afwachting van nieuwe wapentechnologie. In een poging
   de balans weer in hun voordeel te laten doorslaan kwamen de Duitsers september 1943 met een
   nieuwe doelzoekende akoestische torpedo. De geallieerden bleken hetzelfde idee te hebben gehad.
   Zij hadden daarbij niet alléén een vanaf vliegtuigen te lanceren akoestische torpedo ontwikkeld, maar
   hadden ook geanticipeerd op de vermoede Duitse ontwikkeling door een tegenmaatregel voor te
   bereiden. De akoestische torpedo werd namelijk vrij gemakkelijk door de geallieerden geneutraliseerd
   achter de escorteurs geruismakers (Foxers) te slepen.
   Verder voerden de Duitsers in 1944 de door professor Walther ontwikkelde snorkel of snuiver in voor 
   onderwatervaart op de dieselmotor op periscoopdiepte (dit was ooit een Nederlandse vinding die de
   Duitsers in 1940 op een buitgemaakte Nederlandse onderzeeër aantroffen, maar die toen geen
   aandacht kreeg). De snorkel bleek echter bij kalme zee een radar-echo geven.
   Wel leidde de invoering van de snorkel tot grote aantallen fantoomaanvallen door vliegtuigen die in
   elke schuimstreek het spoor van een periscoop meenden te zien.
   Pogingen om periscopen, snorkel en zelfs rompen met rubber te bedekken, in de hoop de Asdic-
   ping en radar-golven te absorberen, waren maar gedeeltelijk effectief.
   Er werd ook een misleidingstechniek ontwikkeld, de "Pillenwerfer", die gelanceerd vanuit een lanceer-
   buis als een enorm bruistablet werkte en een valse Asdic-echo gaf, maar een ervaren technicus niet
   misleidde.
   Het scheepsontwerp zelf kende wel enkele veelbelovende ontwikkelingen:
     -De Type XXI' onderzeeërs haalden dankzij een hydrodynamische Walther-romp een onderwater-
      vaart van 16 knopen (of van 4 knopen gedurende ruim 3 dagen) bij 15½ knoop boven water, tegen
      een standaard Type VII' met 8 knoop onder water bij 17 knopen aan de oppervlakte.
      Zij kwamen echter te laat in dienst om de kansen voor de Duitsers te doen keren.
     -Boten van het type XVII met Walther-aandrijving liepen onder water zelfs 25 knopen, maar ook zij
      kwam te laat. Eén van de oorzaken was dat Hitler het voor deze turbine benodigde H2O2 wilde
      reserveren voor de V2-raket, en daarom de ontwikkeling stilzette.
      Bovendien waren er nog teveel problemen met het onstabiele en gevaarlijk procedé, waarbij
      stookolie werd verbrand met geconcentreerd H2O2. Als men de problemen tijdig had kunnen
      oplossen, zouden zij sneller zijn geweest dan de meeste escorteurs, en dat zonder de noodzaak
      naar de oppervlakte te komen om accu's op te laden.

   Juni 1944 veranderde Dönitz noodgedwongen de tactiek van de U-boten van een strategisch gevecht
   om de Atlantische Oceaan, in de taak tot binden van de geallieerde strijdkrachten.

   De invasie in Normandië (operatie Overlord) op D-day in 1944 beroofde de U-boten tenslotte van hun
   bases in de Golf van Biskaje en bij Bretagne. Zij moesten daarop naar Noorwegen uitwijken.
   Tijdens de invasie werden alle ter plaatse beschikbare U-boten, overigens met weinig succes, ingezet
   tegen de invasievloot.
   Het operatiegebied werd verder verkleind door geallieerde mijnenvelden in de Oostzee, waardoor
   proefvaarten en oefentochten werden belemmerd. Bovendien legden de geallieerden met dieplig-
   gende mijnen speciale mijnenvelden tegen onderzeeërs.

   Toen de oorlog eenmaal ten einde was bleken ruim 2000 geallieerde schepen door U-boten op de
   transatlantische route tot zinken te zijn gebracht, wat overeenkomt met ongeveer 1% van alle trans-
   atlantische scheepsbewegingen. Maar wij hebben het dan over de transatlantische route en genomen
   over de gehele oorlog. In het begin van de oorlog waren de verliezen daar echter enorm, evenals in
   de andere sectoren zoals de Noordelijke IJszee.
   In totaal verloren de geallieerden door toedoen van U-boten 6.840.000 ton aan scheepsruimte op de
   noordelijke Atlantische Oceaan, en 14.300.000 ton over alle sectoren samen. Daarnaast brachten zij
   ook 175 marineschepen tot zinken (de meeste Brits), en schoten zij 175 vliegtuigen neer.
   Het U-bootwapen was overigens zelf het zwaarst getroffen onderdeel van de Duitse Wehrmacht. Er
   gingen 785 U-boten ten onder, overeenkomend met bijna 70% van alle operationele U-boten. Toch
   had men nooit last een tekort aan vrijwilligers bij het onderzeeboot-wapen.
   Hoewel de geallieerden dicht bij een nederlaag zijn geweest, boekten zij in deze onderzeebootoorlog
   uiteindelijk toch veel betere resultaten dan in die van WO1.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De brug van een destroyer tijdens het escorteren van een konvooi (1941).

  ▪Strijd in de Noordelijke IJszee WO2   (menu,  verklarende woordenlijst)

   President Roosevelt van de V.S. drong sterk aan op intensivering van de hulp aan de Russen via de
   Noordelijke IJszee om de druk in het westen te verminderen met een sterk oostelijk front.
   Tegenstanders meenden echter dat met die goederen de Japanners bij Singapore tot staan zouden
   zijn gebracht en dat Rommel bij Tobroek verslagen zou zijn. Het eerste konvooi liep uit in september
   1941. De inbreng van de Russen zelf in deze oorlogsinspanning was minimaal.

   Bij hun konvooien voor de bevoorrading van de Russen van en naar Moermansk, een reis van
   ongeveer 3 weken, ondervonden de geallieerden behalve de dreiging van U-boten, ook die van
   landvliegtuigen en oppervlakteschepen (van torpedoboten tot zware eenheden).
   De ontwikkelingen waren dezelfde als op de Atlantische Oceaan, behalve die van de Asdic (Sonar),
   die niet goed werkte in het koude arctische water.
   Vaak werden koopvaarders tot hulpvliegdekschepen had omgebouwd door hen van een vliegdek en
   van Fairey Swordfish' dubbeldekkers met dieptebommen te voorzien.

   De terugtrekking van het pakijs maakte het mogelijk 's zomers een meer noordelijke route te volgen,
   dus verder van de Duitse kust, maar waarbij men het wel zonder dekking van de duisternis moest
   stellen.
   De oppervlaktevloot van de Duitse Kriegsmarine werd echter weinig ingezet als gevolg van een effec-
   tieve blokkade door de Engelse Home Fleet en de Duitse angst om haar kapitale schepen te riskeren.
   Wellicht begreep de Duitse admiraliteit ook dat het slagschip door de komst van radar, lange-afstands
   verkenningsvliegtuigen en carriers kwetsbaar was geworden. Vooral na het verlies van de Bismarck'
   en anders wel door het nieuws van de Aanval op Pearl Harbor', beide in 1941.
   De terugtrekking van de Duitse slagvloot in de Noorse wateren en de Oostzee, na de uitbraak (de
   Channel Dash) in 1942, onttrok  Britse slagschepen aan de escortetaak op de Atlantische Oceaan,
   bedreigde de konvooien op Moermansk en hielp Duitsland een geallieerde invasie in Noorwegen te
   voorkomen.
   En tenslotte verbood Hitler eind 1942 in een driftbui de verdere inzet van de Duitse oppervlaktevloot.
   Niettemin werden, met uitzondering van de Prinz Eugen', alle Duitse zware bodems door luchtaan-
   vallen tot zinken gebracht of zwaar beschadigd.

   Gevaarlijke uitbraken waren:
   -1939 (december)  (zie kaart')
      Ontsnapping van de pantserkruisers (vestzakslagschepen) Admiral Graf Spee' en Deutschland
      (later omgedoopt in Lützow) naar de zuidelijke Atlantische Oceaan, respectievelijk naar het
      noordelijke deel ervan, om als raider op kaapvaart te gaan.
      De Graf Spee werd in Slag bij de Rio de la Plata' tot zinken gebracht door de kruiser Exeter' en de
      lichte kruisers Ajax en Achilles'. De Deutschland keerde behouden terug.

   -1940
      De eerste en enige keer dat de Duitsers bijna hun gehele oppervlaktevloot inzetten had tot doel
      ondersteuning te bieden aan de bezetting van het neutrale Noorwegen. Met het verlies van diverse
      schepen moest de Kriegsmarine een hoge prijs betalen.

      Verschijning van de slagkruisers Scharnhorst en Gneisenau op de konvooi-route naar Moermansk.
      Nadat de Scharnhorst door een Engelse torpedobootjager was getorpedeerd trokken beide zich
      onverrichterzake terug.

      Uitbraak van de pantserkruiser (vestzakslagschip) Admiral Scheer en behouden terugkeer in 1941
      na een zeer succesvolle raid op de noordelijke Atlantische oceaan.
      In dezelfde periode vonden twee minder opvallende uitbraken van de zware kruiser Admiral Hipper
      plaats.

  -1941  (zie kaart')
      De Scharnhorst en de Gneisenau liepen uit voor een raid op de Atlantische Oceaan.
      Het lag in de bedoeling dat zij zich zo mogelijk met het vestzakslagschip Scheer, de zware kruiser
      Hipper en de nog uit te lopen smaldeel, bestaande uit het snelle slagschip Bismarck' en de zware
      kruiser Prinz Eugen', zouden verenigen. Op deze wijze zou er een sterk smaldeel gevormd worden
      dat de Britten mogelijk zou dwingen schepen uit de Middellandse Zee terug te trekken. Het leek
      voor de oppervlakteschepen tot een climax te komen, ware het niet dat de Scharnhorst en de
      Gneisenau voor reparaties de Franse haven Brest moesten binnenlopen (waar zij opdracht kregen
      het uitlopen van de Bismarck en Prinz Eugen af te wachten), en dat de de Scheer en de Hipper
      opnieuw moesten worden uitgerust.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Een salvo van de Bismarck' op de Hood', gefotografeerd vanaf de Prinz Eugen'.

      Het snelle slagschip Bismarck' en de zware kruiser Prinz Eugen' voeren uit voor een kaapvaart.
      Westelijk van IJsland ontmoetten zij de slagkruiser Hood' en het slagschip Prince of Wales', waarop
      de Bismarck de Hood in een enorme explosie al bij het vijfde salvo tot zinken gebracht.
      Was de Bismarck nu teruggekeerd, eventueel na uitschakelen van de Prince of Wales, dan had zij
      zich binnen enkele maanden kunnen verenigen met haar nieuwe zusterschip de Tirpitz.
      Omdat de Bismarck door de Prince of Wales beschadigd was, lag vereniging met eerdergenoemde
      vier bodems niet meer voor de hand en zette zij, na de Prinz Eugen te hebben weggestuurd, haar
      raid voort. 
      In de Jacht op de Bismarck die nu volgde werd zij verkend, liep vervolgens een torpedotreffer op
      die haar roer blokkeerde en werd tenslotte door de Engelse slagvloot vernietigd.
      De Prinz Eugen bereikte behouden de Franse havenstad Brest.

  -1942
      Kanaal-doorbraak (de Channel Dash) van de Scharnhorst, Gneisenau en Prinz Eugen vanuit Brest.
      Alle bereikten de thuishaven, zij het dat de eerste twee schade opliepen door op een mijn te lopen.
      De doorbraak is een tactische nederlaag voor de Britten, maar een strategische blunder voor de
      Duitsers omdat dit smaldeel nu geen bedreiging meer vormde voor de transatlantische konvooien
      en geen Britse slagvloot meer aan zich bond.

      Het snelle slagschip Tirpitz liept uit om het uitvarende konvooi PQ 12 naar Moermansk en het
      thuisvarende QP8 te onderscheppen. Torpedovliegtuigen van de Victorious vielen haar vergeefs
      aan. De luchtaanvallen brachten Hitler er echter toe de Tirpitz te laten terugkeren.

      Het snelle slagschip Tirpitz en de pantserkruisers (vestzakslagschepen) Lützow (voormalige
      Deutschland) en Admiral Scheer, en de zware kruiser Admiral Hipper liepen uit naar de Altenfjort bij
      de Noordkaap om het uitvarende konvooi PQ 17 te onderscheppen.
      De Admiraliteit, die inzag dat de verdediging van het konvooi de aanval slechts zou vertragen, gaf
      het nabij-escorte van kruisers opdracht zich terug te trekken en het konvooi te verspreiden. Gevolg
      was dat er in vijf dagen 21 van de 36 schepen ten prooi vielen aan U-boten en vliegtuigen.
      De Duitse oppervlakteschepen liepen wel uit, maar keerden nog diezelfde dag naar de haven terug.
      Het in de steek laten van het konvooi zou de Engelse marine nog lang door de koopvaardij worden
      verweten.
      Volgende konvooien kregen een escorte-carrier en een groot aantal torpedobootjagers mee, in de
      terechte veronderstelling dat de Duitsers geen torpedo-aanvallen op hun kapitale schepen zouden
      willen riskeren.

      De Admiral Hipper en de Lützow liepen vanuit de Altenfjord uit om een konvooi te onderscheppen.
      De Duitsers waren echter niet op de hoogte van de meer noordelijk liggende dekkingsmacht. Zij
      werden verrast, de Admiral Hipper werd getroffen en eenheden keerden terug.
      Hitler werd zo driftig dat hij het bevel gaf alle oppervlakteschepen om te smelten voor de staal-
      productie. Hoewel dat natuurlijk nooit gebeurde, was dit wel de laatste actie van de oppervlaktevloot
      tijdens de oorlog.
      De vloot kwam nu onder bevel van admiraal Dönitz, en de oorlog ter zee zou zich nu hoofdzakelijk
      beperken tot de acties van de U-boten.

  -1943
      Het slagkruiser Scharnhorst liep uit om een konvooi te onderscheppen in de Noordelijke IJszee. Zij
      werd echter zelf door de Duke of York onderschept en in een nachtgevecht mede dankzij de
      Engelse radargestuurde vuurleiding vernietigd.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

                            De Britse carrier Indomitable, die zojuist een Swordfish' heeft afgevlogen, bezig met het escorteren
                            van een strategisch konvooi naar het bedreigde Malta tijdens Operatie Pedestal in 1942. Daarachter
                            de Eagle, gezien vanaf het achterschip van de Victorious (op de voorgrond twee Sea Hurricanes' en
                            een Fairey Albacore).
                            De Eagle werd kort hierna door een Duitse U-boot tot zinken gebracht en het vliegdekvliegdek van de Indo-
                            mitable werd zwaar beschadigd door aanvallen van landvliegtuigen. Toen het gros van het escorte om
                            tactische redenen moest omkeren (nauw vaarwater en landvliegtuigen) vocht het uitgedunde konvooi
                            zich zonder luchtsteun verder en bereikte voor het grootste deel gehavend de Spitfire'-luchtdekking
                            van Malta. Ten koste van grote verliezen aan levens en materieel was Malta gered.

  ▪Strijd in de Middellandse Zee WO2   (menu,  verklarende woordenlijst)

   De gebeurtenissen in de Middellandse Zee werden bepaald door de beheersing van twee konvooi-
   routen:
     -Britten op Oost-West-route, Gibraltar - Malta - Alexandrië, 2000 mijl lang
     -Duitsers en Italianen op Noord-Zuid-route, bevoorrading Libië, 500 mijl lang
   De Britse vloot stond onder bevel van admiraal Cunningham die algemeen wordt beschouwd als de
   grootste Britse admiraal na Nelson.
   Bij deze operaties stond de strijd om het strategisch gelegen Malta centraal.
   Er werd strijd geleverd met oppervlakteschepen, onderzeeboten, carriers en op land gestationeerde
   vliegtuigen.
   De risico's voor onderzeeërs waren hier hoger dan elders. Zij moesten altijd opereren binnen het
   bereik van landvliegtuigen, en bleven bij kalme zee vanuit vliegtuigen zichtbaar tot een diepte van 15
   meter. Bovendien lekte er bij de Britse onderzeeërs olie uit de buitenboordse brandstoftank.

   Vanaf het moment dat Italië op 10 juni 1940 in de oorlog kwam tot de geallieerde invasie in Noord-
   Afrika in november 1942, had Italië op papier de sterkste vloot in de Middellandse Zee. De angst van 
   politici en admiraliteit om schepen te riskeren leidde echter tot inactiviteit en nederlagen. Het ontbrak
   de Italiaanse marine immers niet aan goed materieel of capabele en moedige zeelieden. Ook de
   Italiaanse onderzeedienst had door dat gebrek aan enthousiasme en door overplaatsing van hun
   beste gezagvoerders naar Bordeaux niet het succes dat van haar verwacht werd.
   Wel boekten de Italianen succes met kleine schepen die men wel durfde in te zetten, en vooral met
   aanvallen door kikvorsmannen.

   Toen Frankrijk capituleerde onttrokken enkele schepen zich aan de capitulatievoorwaarden door een
   geallieerde haven op te zoeken. Het gros viel echter in handen van het met de Duitsers collabo-
   rerende Vichy-bewind. In juli 1940 sommeerde de Britten de Vichy-vloot te demilitariseren. Toen die
   weigerde, werd zij in de haven van Mers-el-Kebir vanuit zee door het Britse geschut buiten gevecht
   gesteld.

   In augustus brachten de Britten vanaf een carrier een eerste zending van 12 Hurricanes' naar Malta,
   die er de luchtmacht (6 Gladiators' en 9 Swordfishes', alle dubbeldekkers) zouden komen versterken.
   In Engeland ging destijds het wat overtrokken verhaal dat Malta in juni 1940 tot aan de komst van de
   eerste Hurricanes 18 dagen moedig werd verdedigd door slechts 3 Gladiators met de namen Faith,
   Hope en Charity.
   Omdat de Italiaanse schepen weigerden buitengaats te komen besloten de Britten de Italiaanse vloot
   in de haven van Tarente aan te vallen. De aanval werd in november 1940 uitgevoerd door twee-
   dekker Fairey Swordfish torpedovliegtuigen van de carriers Ark Royal' en Illustrious. De toestellen
   hadden een maximum snelheid van slechts 222 km/uur, maar bleken uitstekend voor hun taak be-
   rekend. Eén slagschip moest na de aanval worden afgeschreven en twee werden er voor een half
   jaar buiten gevecht gesteld.
   Ook de Britse onderzeedienst, die opereerde vanuit bases in Gibraltar, Malta en Alexandrië, boekte
   grote successen.

   Bezorgd over de ontwikkelingen in het gebied van de Middellandse Zee besloot Hitler in januari 1941
   te interveniëren met het zenden van 300 toestellen, waaronder Stuka' duikbommenwerpers die spe-
   ciaal geoefend waren voor aanvallen op schepen.
   Dit resulteerde in ernstige beschadiging van de Illustrious die moest worden teruggetrokken waarop 
   de Formidable haar kwam vervangen.
   Terwijl Britse Swordfishes en onderzeeërs de Libië-konvooien aanvielen, vielen de Duitsers Malta
   aan.
   Veel Swordfishes werden vernietigd, maar de Ark Royal slaagde erin 82 Hurricanes naar Malta over
   te vliegen. Verder werden er tweemotorige Beaufighters lange-afstands gevechtsvliegtuigen gestatio-
   neerd als bescherming van de vlootoperaties.

   Onder druk van de Duitse offensieven moesten de Britten in april 1941 uit Griekenland worden ge-
   evacueerd. En in mei 1941 verloren de Britten ook Kreta waarna de Duitsers er vliegvelden aan-
   legden van waaruit de Luftwaffe aanvallen kon ondernemen op de konvooiroute tussen Egypte en
   Malta, de "Bomb Alley".
   De Britten brachten nu vliegtuigbenzine, levensmiddelen en medicamenten met onderzeeboten naar
   Malta, tot 1200 ton per keer en 65.000 ton in een jaar.
   De Duitsers stationeerden ook vliegtuigen op Sicilië, maar dat waren er zo weinig dat zij de aanval op
   Malta aan de Italiaanse luchtmacht moesten overlaten, en die kon deze taak absoluut niet aan.
   De Britten vielen de Noord-Zuid konvooiën vanuit Malta overdag aan met Blenheim bommenwerpers,
   en 's nachts met Swordfishes.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Fairey Swordfishes' boven de Britse carrier Ark Royal.

   In juni dwong de nijpende situatie de Britten Malta vanuit het westen onder escorte van de Ark Royal'
   te bevoorraden. De Italiaanse luchtmacht trachtte in te grijpen maar faalde. In september liep de
   Italiaanse vloot uit om een soortgelijk konvooi te onderscheppen, maar met hetzelfde resultaat.
   Hitler beval daarop Dönitz (tegen diens advies om geen Duitse U-boten te onttrekken aan Slag om de
   Atlantische Oceaan') tien U-boten naar de Middellandse Zee te sturen. Gevolg was dat In november
   de Ark Royal door een U-boot werd getorpedeerd en tot zinken werd gebracht.
   Bovendien stationeerden de Duitsers nu een sterke Luftwaffe-eenheid op Sicilië van waaruit Malta en 
   de westelijke aanvoerlijn werd aangevallen. Op Malta scholen de Britse onderzeeërs overdag op de
   bodem van de haven.
   In december bliezen drie Italiaanse kikvorsmannen op een soort bemande torpedo's zonder oorlogs-
   kop in een gewaagde actie met kleefmijnen enkele slagschepen in de haven van Alexandrië op. En
   doordat de Britten door het begin van de oorlog in de Pacific gedwongen werden materieel naar het
   Verre Oosten te verplaatsen, werd de Britse maritieme aanwezigheid in de Middellandse Zee nu wel
   minimaal.

   Eind 1941 werden de Duitsers tijdelijk verdreven uit Cyrenaica, van waaruit de Britten enige tijd de
   konvooien tussen Alexandrië en Malta konden beschermen.
   In februari 1942 was de luchtverdediging van Malta echter gedecimeerd tot een restant van slechts
   11 Hurricanes'. Daarom werden er vanaf de carriers Eagle en Argus 45 Spitfires' ingevlogen, later
   gevolgd door een zending vanaf de Amerikaanse carrier Wasp.
   Toch leek Malta verslagen nu de marinebasis van Malta na de hevige Duitse bombardementen vrijwel
   verdwenen en de onderzeebootbasis gesloten was. In mei verbeterde de situatie echter weer aan-
   zienlijk door de komst van 60 Spitfires, ingevlogen vanaf de carrier Wasp.

   In juni werd Malta tegelijk door een konvooi vanuit het oosten en vanuit het westen bevoorraad.
   Het konvooi uit het oosten werd geconfronteerd met de Italiaanse slagvloot en hevige luchtaanvallen,
   waarop men besloot terug te keren. Het konvooi uit het westen werd geëscorteerd door de carrier
   Eagle met 6 Hurricanes. Toen het grootste deel van het escorte bij de Straat van Sicilië moest
   terugkeren, werd het konvooi aangevallen door de Italiaanse vloot en door de Duitse luchtmacht.
   Doordat de Italiaanse vloot verzuimde zijn voordeel uit te buiten slaagden twee koopvaardijschepen
   Malta bereiken.
   In augustus moest een nieuw konvooi naar Malta worden gestuurd onder de codenaam "Operatie
   Pedestal". Het konvooi had een sterk escorte met de carriers Victorious, Indomitable' en Eagle. De
   Eagle werd echter door een U-boot tot zinken gebracht, en het vliegdek van de Indomitable raakte
   door luchtaanvallen ernstig beschadigd. Bovendien was de Straat van Sicilië te nauw voor de grote
   eenheden, vooral in aanwezigheid van zoveel landvliegtuigen, dus toen het grootste deel van de
   dekkingsmacht hier moest terugkeren viel het konvooi ten prooi aan vliegtuigen en onderzeeërs.
   Maar omdat de Italiaanse vloot weer eens niet ingreep en de escorte- en koopvaardijschepen zich
   goed weerden, bereikten toch diverse schepen de Spitfire-dekking van Malta, waaronder de held-
   haftig verdedigde olietanker Ohio.

   De geallieerde aanvallen met vliegtuigen en onderzeeërs op de Libië-konvooien vanuit zowel Malta
   als Alexandrië had tot gevolg dat Rommels offensief in Noord-Afrika door brandstofgebrek vastliep.
   De cruciale Slag bij El Alamein tegen Montgomery ging in oktober voor de Duitsers verloren. De
   herovering van de vliegvelden van Cyrenaica betekende tenslotte de definitieve redding van Malta.

   In oktober en november 1942 landden de Engelsen en Amerikanen onder Eisenhower in Marokko en
   Algiers, Operatie Torch (Toorts). In mei 1943 werden de Duitsers vanuit Tunesië geëvacueerd en
   deels gevangen genomen.
   In juli 1943 vonden vanuit Noord Afrika landingen plaats op Sicilië (Operation Husky, de grootste
   landingsoperatie van de oorlog) dat bij op de invasie in Italië als basis moest dienen voor vliegtuigen
   en schepen.
   In augustus 1943 landden de geallieerden in Zuid Frankrijk, en in september op het vaste land van
   Italië.

   De Engelse premier Churchill wilde in verband met de dreiging van de oprukkende communistische
   invloedsfeer doorstoten naar de Balkan ("de zachte onderbuik van Europa"). Roosevelt had Stalin
   echter beloofd het oostfront te ontlasten door een nieuw westelijk front te vormen, en zette daarom de
   landingen op Normandië door.
   Hoewel Chuchill haastig parachutisten in Griekenland liet landen om dat land binnen de westerse
   invloedsfeer te houden, had de grenslijn tijdens de Koude Oorlog honderden km's meer naar het
   oosten kunnen liggen.
   In februari 1945 werd de wereld tijdens de conferentie van Jalta door Roosevelt, Churchill en Stalin
   in invloed-sferen verdeeld, waarna de landen die binnen de invloedsfeer van de Sovjet-Uni lagen
   achter het IJzeren Gordijn van de Koude Oorlog verdwenen.





(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Zero-jagers' klaar op het vliegdek van de Japanse carrier Shokaku om te worden afgevlogen voor hun strike op de
 Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor', begin van de Amerikaanse betrokkenheid bij de Tweede Wereldoorlog (1941).

  ▪Oorlog in de Pacific WO2   (menu,  verklarende woordenlijst)
   (zie ook Carrier' en Vliegtuig')

   Met de Japanse inval in Mantsjoerije (1931) en in China (1937) brak in het Verre Oosten de Japans-
   Chinese oorlog uit (1937-1945). En het is hier dat de Japanse marine-piloten veel gevechtservaring
   zouden opdoen die aan het begin van WO2 van zo grote waarde bleek te zijn.
   Na het wegvallen van de Franse invloed in deze regio door de Franse capitulatie in Europa in 1940,
   zag Japan zijn kans schoon en nam in juni 1941 Frans Indochina in. Hierop volgde een handels-
   boycot van de V.S., Engeland en Nederland tegen Japan, waardoor dat land verstoken raakte van
   strategische materialen en olie.
   Onderhandelingen over de eis tot ontruiming van China en Indochina mislukten, waaruit Japan de
   conclusie trok dat er niets anders restte dan de olie gewapenderhand in Zuidoost-Azië te gaan halen.


   Aanval op Pearl Harbor  (zie kaart')   (menu,  verklarende woordenlijst)
   
   De daarmee onvermijdelijke oorlog begon op 7 december 1941 met een Japanse verrassingsaanval
   op de Amerikaanse marinehaven op Pearl Harbor. De Japanse aanvalscarriers vonden er de gehele
   Amerikaanse slagvloot, maar liepen de vliegdekschepen Lexington, Enterprise' en Saratoga mis om-
   dat die toevallig op zee waren. Tegelijk vond er een strike plaats op de Filipijnen met de kleine
   carriers Ryujo, Zuiho en Taiho, en vanaf Formosa (vanwege de grote afstand zo zuinig mogelijk
   vliegend, vlak boven de afglijsnelheid van 213 km/uur).
   De aanval op Pearl Harbor werd uitgevoerd door de carriers Kaga, Akagi', Hiryu', Soryu, Shokaku
   en Zuikaku onder vice-admiraal Nagoemo, en werd gelanceerd op 200 mijl noordelijk van Pearl
   Harbor. Er werden met een interval van een uur twee aanvalsgolven van samen 354 vliegtuigen
   afgevlogen, die op de radar van Pearl Harbor werden aangezien voor een verwacht squadron B-17
   bommenwerpers en wat later voor de vliegtuigen van de eigen carriers. De verwoesting was enorm,
   hoewel de olieopslagplaatsen, de dokken, de werven, de energiecentrales, de munitiedepots en de
   onderzeebootbunkers nog intakt waren.
   Verontrust door zijn onbekendheid met de locatie van de Amerikaanse carriers werd de geplande
   derde aanvalsgolf door Nagoemo echter afgelast. Hij vond het risico van een aanval zonder ver-
   rassingselement met de kans op een strike van de Amerikaanse carriers op zijn dan onbeschermde
   carriers te hoog. Want als hij zijn jagerscherm boven de vloot hield zouden de aanvallende duik-
   bommenwerpers en torpedovliegtuigen te kwetsbaar zijn.
   Wel verwijtbaar is dat hij verzuimde de Amerikaanse carriers met verkenners op te sporen en aan te
   vallen. Het zou Japan in 1942 bij Midway' uiteindelijk fataal worden.
   Van de 96 in de haven liggende schepen werden er 18 tot zinken gebracht of zwaar beschadigd,
   en van de 394 vliegtuigen gingen er 188 verloren en werden er 159 beschadigd.
   Er sneuvelden 2403 man en er raakten 1178 gewond. Alleen al op het slagschip Arizona vonden
   1102 man de dood.
   Van de getroffen schepen gingen echter slechts twee oude slagschepen definitief verloren (Arizona
   en Oklahoma). De overige zes slagschepen en veel andere grote schepen raakten wel voor lange tijd
   uit de roulatie, maar konden na gelicht te zijn worden hersteld. De Amerikaanse verliezen zouden
   veel hoger zijn geweest, zowel in levens als in schepen gemeten, wanneer de vloot buitengaats was
   aangevallen i.p.v. in een ondiepe haven.
   Onvoorzien neveneffect van het verlies van de slagvloot is dat de V.S. niet langer door het bezit
   van een achterhaald slagschip-concept werden afgeremd bij de modernisering van hun vloot. Zij 
   werden gedwongen hun militair-industrieel complex te ontplooien en konden bij de wederopbouw hun
   volle energie richten op de ontwikkeling van een nieuw concept, rekening houdend met de lessen die
   deze aanval hen leerde. Zij gingen over tot de bouw van grote aantallen carriers, het scheepstype dat
   Japan uiteindelijk op de knieën zou dwingen.
   Samenvattend kan men dan ook zeggen dat de aanval op Pearl Harbor voor Japan tactisch een
   succes was, maar strategisch een drama. Om bovengenoemde redenen, maar ook omdat het de V.S.
   in de oorlog met Duitsland trok.

   De aanval was het geesteskind van de briljante admiraal Yamamoto. Hij kende de V.S. goed omdat 
   hij er had gestudeerd en zich bij zijn werk voor de ambassade een goed beeld had kunnen vormen
   van het militaire en economische potentieel. Hij zag in dat Japan een oorlog tegen deze grootmacht
   op langere termijn zou verliezen en adviseerde zijn regering een oorlog met de V.S. te vermijden.
   Toen dat toch leek te gaan gebeuren, heeft hij het maximum uit zijn kennis en talent gehaald om
   Japan dan tenminste nog een kans te geven. Hij wist dat het militair-industrieel vermogen van de
   Amerikanen Japan de oorlog zou doen verliezen als deze langer dan 18 maanden zou duren, en
   moest dus wel onverwacht en hard toeslaan. Japan had de Britse aanval op de Italiaanse slagvloot
   met tweedekker Swordfish' carrier-torpedovliegtuigen in de haven van Tarente in november 1940
   grondig bestudeerd.Het gewaagde recept voor de aanval op Pearl Harbor was geboren.
   Maar waar Yamamoto voor had gewaarschuwd gebeurde. De ongelimiteerde Amerikaanse be-
   schikking over olie, grondstoffen, materieel en goed getraind personeel zou Japan uiteindelijk fataal
   worden.
   Vanaf zomer van 1943 werden 33 nieuwe Amerikaanse vliegdekschepen opgeleverd, 24 van de
   Essex-klasse, 9 van de kleinere Independence-klasse, en een groot aantal hulpvliegdekschepen.
   De Essex-klasse was wendbaarder dan zijn voorgangers, en had een betere pantsering, meer
   luchtdoelkanons en betere radar- en communicatieapparatuur. En op het vliegdek verscheen een
   nieuwe generatie jachtvliegtuigen, duikbommenwerpers en torpedovliegtuigen met uitstekend op-
   geleide vliegers.
   Japan kreeg door een tekort aan werfcapaciteit en een tekort aan grondstoffen pas vanaf voorjaar
   1944 enige aanvulling en had een toenemend gebrek aan brandstof en ervaren vliegend personeel.


(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

Drie dagen na Pearl Harbor ondergingen de Britten een soortgelijke afstraffing als de V.S., toen Japanse vliegtuigen
vanaf grote hoogte twee juist in deze wateren aangekomen zware bodems vernietigden, het slagschip Prince of Wales' 
(boven) en de slagkruiser Repulse' (1941). De carrier Indomitable' dat het eskader van luchtdekking had moeten voor-
 zien ontbrak omdat het bij haar proefvaart gestrand was, en de radar van de Prince of Wales was defekt. Het waren
de eerste zware eenheden die vrij varend in volle zee door de inzet van alleen vliegtuigen tot zinken waren gebracht.

   De situatie was aan het begin van de oorlog als volgt:
     -De V.S. gingen de oorlog in met zeven, tegen Japan negen grote aanvalscarriers, waar tegenover
      staat dat de V.S. op dat moment 11 carriers van de Essex'-klasse op stapel hadden staan.
      De Amerikanen hadden geen oorlogservaring, en geen expertise in nachtgevechten, onderzeeboot-
      oorlogsvoering (hun torpedo's faalden dramatisch) en onderzeebootbestrijding. Ook was er in de
      Pacific onvoldoende materieel beschikbaar. De V.S. bezaten dan wel zeven grote carriers en één
      kleine, maar er waren slechts drie grote carriers in de Pacific ter plekke.
      Zij hadden echter het voordeel te kunnen beschikken over radarapparatuur, en later ook over de
      gekraakte Japanse marinecode.
     -De Britten beschikten wel over die ervaring en expertise, maar hun aanwezigheid in de Pacific was
      minimaal.
     -Japan had oorlogservaring opgedaan in Indochina en was op alle tereinen van de oorlogsvoering
      sterker tot superieur, met uitzondering van de onderzeebootbestrijding. Bovendien had Japan, als
      enige, ervaring met amfibische operaties, en beschikte het over de uitstekende Long Lance-
      torpedo's. Het had echter geen radar.
      Japan had na de aanval op Pearl Harbor een groot maritiem overwicht, zowel in slagschepen als
      in vliegdekschepen. Zes grote en vier kleine carriers, alle in de Pacific gestationeerd, en beter dan
      de Amerikaanse carriers en ervaren in luchtoperaties. Het Japanse maritieme luchtwapen was
      superieur.
      Gezien hun afhankelijkheid van de invoer van olie en strategische materialen waren omvang en
      bescherming van hun koopvaardijvloot echter onvoldoende.
   De oorlog in de Pacific zou vooral worden gevoerd door vliegdekschepen en hun jachtvliegtuigen,
   torpedovliegtuigen en duikbommenwerpers. Vooral de gelijktijdige inzet van beide laatsten was
   dodelijk voor een schip. De bepalende factor was wie het eerst de ander verkende en wie het eerst
   een strike kon afvliegen. Het ontbreken van radar was dus voor Japan een ernstige handicap.
   Slagschepen zouden in deze moderne oorlog nauwelijks een rol spelen en hun taak zou zich voor-
   namelijk beperken tot luchtafweer en kustbeschietingen als voorbereiding op amfibische operaties.
   Elders in de wereld speelde het treffen tussen slagschepen nog wel een rol, zoals m.b.t. de inzet van
   oppervlakte-raiders zoals de Bismarck' en bij de strijd in de Middellandse Zee.

   De oorzaken waarom Japan de oorlog zou verliezen waren:
     -Oppercommando verdeelde de krachten teveel i.p.v. deze in overeenkomst met de gangbare
      militaire doctrines te concentreren. De V.S. manoeuvreerden veel compacter en concentreerden
      hun aanvalskracht beter.
     -De Japanners ontwierpen te ingewikkelde aanvalsplannen, die bij problemen bij een van de
      deeltaken als een kaartenhuis in elkaar stortten.
     -De Japanse marinecode werd al in het begin van de oorlog door de V.S. gekraakt, en dat was
      gedurende de gehele oorlog van doorslaggevend belang (o.a. in de Slag om Midway').
     -Japan ontwikkelde pas aan het eind van de oorlog radar.
     -Japan was geheel afhankelijk van de import van olie en strategische materialen. Expansie naar de
      brongebieden (o.a. Nederlands Indië voor de olie) was dus geen optie, maar een vereiste. De
      Amerikaanse vloot verslaan in de eigen thuiswateren behoorde niet tot de reële mogelijkheden.
      Toch bouwde Japan schepen voor beide opties, een aanvallende carriervloot en een verdedigende
      slagvloot (met luchtsteun van landvliegtuigen), wat ten koste ging van de omvang en slagkracht van
      beide.
     -Omvang en tonnage van de Japanse marine hadden vóór de oorlog ernstig te lijden onder de
      beperkingen van het Vlootverdrag van Washington'. Het verdrag beperkte hun marine tot slechts 3/5
      van de omvang van die van de Britten en de V.S. afzonderlijk. De tonnages werden dan ook stelsel-
      matig te laag door hen opgegeven.
      Het streven naar zware bewapening en hoge snelheid binnen deze restricties leidde in het begin
      van de oorlog tot licht gebouwde en weinig zeewaardige schepen.
      De noodzaak een oorlog op afstand te voeren om de import te verzekeren leidde na het wegvallen
      van de restricties tot de bouw van grote schepen met een grote actieradius, die daardoor kostbaar
      waren en een lange bouwtijd vergden.
     -Japan stond tegenover de veel grotere bouwcapaciteit en het bijna onbeperkte industrieel ver-
      mogen van de V.S. en moest de oorlog dus in de korte tijd van ca. 1½ jaar beslissen.
     -Japan beschikte over onvoldoende trainingscapaciteiten voor piloten.
      De Amerikanen onttrokken bovendien hun aces aan de strijd voor de training van nieuwe
      gevechtspiloten, terwijl Japan haar beste gevechtspiloten in de strijd hield, en dus verloor zonder
      dat zij hun kennis en ervaring konden doorgeven.
     -Onvoldoende bescherming van de handelsvloot door een tekort aan escorte-schepen en een 
      voldoende onderzeebootbestrijding. Zeker voor een land dat zo afhankelijk is van de import.



(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement)

De getorpedeerde Japanse escorte-destroyer Tade door de periscoop van de Amerikaanse onderzeeër Seawolf (1942)

   Onderzeebootoorlog   (menu,  verklarende woordenlijst)
   
   Japan begon de oorlog met een vracht-capaciteit van nauwelijks 6 miljoen ton aan scheepsruimte.
   Tot eind 1942 hadden de Amerikaanse onderzeeërs 500.000 ton scheepsruimte vernietigd. En dat
   ondanks een ontwerpfout van het magnetisch pistool waardoor de torpedo's vaak niet explodeerden.

   Het is overigens verbazend te zien hoe laconiek de Japanners omgingen met de onderzeeboot-
   bestrijding. In aanmerking genomen hoe afhankelijk zij waren van transport over zee om het
   moederland te voorzien van voedsel (20%), grondstoffen (88% van de ijzererts), kolen (24%) en olie
   (90%), en vooral om de verspreide garnizoenen in het door hen veroverde eilandenrijk van het
   nodige te voorzien. Steden en havens werden niet verduisterd, en men ging pas in 1943 over op
   konvooivaart, terwijl de Amerikanen er toen juist vanaf stapten, om reden van efficiency en om de
   escorteurs vrij te maken voor andere taken. Dat hield verband met de sterk verminderde dreiging,
   ook al omdat de Japanners er de voorkeur aan gaven hun onderzeeërs tactisch tegen marine-
   schepen in te zetten i.p.v. tegen koopvaardijschepen. Japan bouwde ook nauwelijks escorteschepen.
   Anders dan bij de geallieerden in de Atlantische Oceaan bezagen Japanse marinemensen de voor
   hen zo belangrijke koopvaardij met onverholen minachting. Misschien de reden waarom zij hun eigen
   koopvaardijvloot niet verdedigden en die van de V.S. niet aanvielen. Zij zagen hen eenvoudig niet.
   De Japanse onderzeedienst kon overigens ook niet wedijveren met die van de Duitsers.
   Vanaf eind 1942 begon Japan de meeste van haar onderzeeërs om te bouwen om de legergarni-
   zoenen op verafgelegen eilanden te voorzien van mensen en materieel.

   Toen de Amerikanen in 1943 hun onbetrouwbare torpedo's verbeterd hadden, boekten hun onder-
   zeeërs direct veel meer succes. Zij brachten dat jaar 1.800.000 ton scheepsruimte tot zinken, tegen
   een Japanse nieuwbouw van slechts 800.000 ton. Japan verloor dit jaar dus een miljoen ton aan
   scheepsruimte. Bovendien brachten Amerikaanse onderzeeërs enkele marine-eenheden tot zinken.
   De Amerikanen vielen in deze periode meestal individueel aan, maar ook wel in groepen van drie of
   vier onderzeeërs. Net als de Duitsers gaven zij de voorkeur aan bovenwater aanvallen, maar konden,
   anders dan de Duitsers, na een aanval om het konvooi heenvaren voor een nieuwe aanval. Zij be-
   schikten immers over radar, en de escorteurs niet.
   De onderzeeërs van de Gato'-klasse, die inmiddels ook over uitstekende radarinstallaties beschikten,
   opereerden in 1944 de helft van de tijd in wolfpacks. De sterk gestandaardiseerde Gato-klasse voer
   voornamelijk aan de oppervlakte, en was daarom ontworpen voor langdurige patrouilles bij een hoge
   en constante bovenwatervaart. De schepen hadden een lengte van 96,50 m en een waterverplaat-
   sing van 1500 ton en bezaten een grote torpedocapaciteit.

   In 1944 beliep het Japanse verlies aan scheepsruimte 4 miljoen ton, waarvan 2.500.000 ton door
   onderzeeërs. En het toenemend gebrek aan grondstoffen legde de nieuwbouw vrijwel stil. Er restte
   Japan nu nog slechts 3 miljoen ton aan scheepsruimte.
   Amerikaanse onderzeeërs waren overigens ook heel succesvol in hun acties tegen carriers en
   andere marinevaartuigen. Er werden tijdens de oorlog 8 carriers en 12 kruisers door onderzeeërs tot
   zinken gebracht.
   Japanse onderzeeërs brachten gedurende de hele oorlog slechts twee Amerikaanse carriers tot
   zinken, de Wasp en de reeds vleugellamme Yorktown', en enkele kleinere eenheden. En dat terwijl zij
   toch bij voorkeur werden ingezet tegen marine-doelen.
   Een typisch Amerikaanse verdediging tegen escorteurs was het kansrijke "down the throat shot", een
   vol torpedo-salvo recht op de toestormende escorteur. Deze techniek vereiste stalen zenuwen.

   De verliezen leidden in Japan tot voedseltekorten en een inzakkende productie van schepen en
   vliegtuigen. De import van ijzererts was nog slechts 1/3 van die van 1941.
   Door de olieschaarste liepen de schepen te weinig uit om de bemanningen te kunnen oefenen, en de
   vliegtuigbemanningen maakten te weinig vlieguren om voor ervaren gevechtspiloten te kunnen
   doorgaan.
   Eind 1945 was het grootste deel van de koopvaardijvloot tot zinken gebracht. Bij de capitulatie
   resteerden er nog slechts 231 koopvaardijschepen.

   Japan bouwde over het algemeen grote boten. Interessant was echter het kleine prototype No. 71
   (42 m lang en 213 ton zwaar) dat in 1937 een onderwatervaart haalde van 21 knopen, en de daaruit
   in 1945 ontwikkelde I201-klasse met een onderwatervaart van19 knopen. Deze had veel weg van de
   Duitse Type XXI (zie afbeelding'), maar kwam nooit in productie.
   Typerend voor Japan was de in 1944 ontwikkelde "Kaiten" Type 1 éénmansdwerg-onderzeeboot voor
   kamikaze-aanvallen. De Long Lance-torpedomotor gaf het een snelheid van 30 knopen. De Kaiten
   was bedoeld om te worden gelanceerd vanaf het dek van een onderzeeër, maar het bleek geen
   succes.
   Interessant waren ook de in augustus 1945 afgeleverde zeer grote Japanse onderzeeërs van de
   1400-klasse met twee bommenwerper-watervliegtuigen. Zij waren bedoeld om te worden ingezet
   tegen het Panama-kanaal.

(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Een B-25 Mitchell landbommenwerper onder Doolittle stijgt op vanaf de ver opgerukte Amerikaanse carrier Hornet om een bombardement op Tokyo uit te voeren (1941). Bomaanval op Tokyo Na de Aanval op Pearl Harbor' in december 1941 bombardeerden aangepaste Mitchel landbommen- werpers in april 1942 onder leiding van luitenant-kolonel Doolittle Tokyo vanaf de ver opgestoomde carrier Hornet, geëscorteerd door de Enterprise'. Omdat zij voortijdig werden verkend moesten de toestellen te vroeg vertrekken waardoor zij na hun missie door brandstofgebrek in zee verdwenen, of op het nippertje China bereikten, velen met een noodlanding. De aangerichte schade was verwaarloosbaar, maar het effect op het moreel van de Japanners (en van de Amerikanen) was enorm, en rechtvaardigde de aanval. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Nederlandse torpedobootjager Kortenaer brak in tweeën na een treffer van een Long Lance-torpedo tijdens de Slag in de Javazee' (1942). Slag in de Javazee (zie kaart') Een Nederlands-Amerikaans-Brits-Australisch smaldeel van 2 zware en 3 lichte kruisers en 9 torpedobootjagers onder schout-bij-nacht Karel Doorman werd door een Japans smaldeel van 2 zware en 2 lichte kruisers en 13 torpedobootjagers verslagen (vermaarde woorden van Doorman waren "All ships follow me"). Gebrek aan luchtsteun en de uitstekende Japanse Long Lance torpedo's gaven in deze slag de doorslag. De Nederlandse kruisers De Ruyter' en Java, de Amerikaanse Houston, de Engelse Exeter', de Australische Perth en de torpedobootjagers Kortenaer' (Ned) en Electra (Eng) gingen ten onder. De Japanners leden geen verliezen. Doorman kwam op het vlaggeschip, de lichte kruiser De Ruyter om het leven. Japan maakte op alle fronten grote vorderingen en breidde zich sterk in westelijke richting uit. In februari 1942 werd na de Slag in de Javazee oostelijk Nederlands Indië veroverd. In mei 1942 veroverde Japan de Filipijnen op generaal MacArtur.
(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Amerikaanse carrier Yorktown', vlak voor de Slag in de Koraalzee (1942), gezien vanuit een Devastator'. Aan dek staan Wildcats' klaar om af te vliegen. De carrier-oorlog in de Pacific Het vliegdekschip Saratoga moest zich na een torpedotreffer van een Japanse onderzeeër terug- trekken. De komst van de carrier Yorktown' uit de Atlantische Oceaan compenseerde dit verlies echter. Slag in de Koraalzee (zie kaart') (menu, verklarende woordenlijst) Japan wilde met een invasie bij Port Moresby op Australisch Nieuw Guinea de verbindingslijn tussen de V.S. en Australië verbreken. Dit leidde in mei 1942 tot de Slag in de Koraalzee. Japan beschikte over de aanvalscarriers Shokaku, Zuikaku en de lichte carrier Sjoho. De V.S. waren aanwezig met de Yorktown' en de Lexington. Zij hadden echter het voordeel de Japanse marinecode gekraakt te hebben, een voordeel dat zij de gehele oorlog zouden behouden. Op 7 mei vernietigde de Yorktown de Sjoho. Op 8 mei verkenden beide partijen elkaar, en voerden tegelijk een strike uit. De Lexington, Yorktown en Shokaku raakten beschadigd. De Lexington moest door de Amerikanen tot zinken worden gebracht. Tactisch had Japan de slag gewonnen, strategisch echter niet. De invasie op Port Moresby werd immers uitgesteld en de Japanse expansie werd tot stilstand gebracht. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Japanse carrier Akagi' aangevallen door B-17 landbommenwerpers vanuit Midway (1942) Slag om Midway (zie kaart') (menu, verklarende woordenlijst) Eind mei 1942 stoomde de Japanse vloot op naar Midway, met het doel de Amerikaanse carriers tot een gevecht te verleiden en Midway te veroveren. De Japanse aanvalsmacht bestond uit de carriers Akagi', Kaga, Hiryu' en Sorjoe onder vice-admiraal Nagoemo. De Shokaku was nog te zwaar beschadigd en de Zuikaku had niet voldoende vliegend personeel. Zij werden vergezeld door een invasiemacht met de lichte carrier Zuiho onder admiraal Kondo. Deze aanvalsmacht werd op grote afstand gevolgd door de slagvloot met de lichte carrier Hosho onder admiraal Yamamoto op het slagschip de Yamato'. De lichte carriers Ryujo en Junyo voerden tegelijkertijd een afleidingsaanval uit op de Aleoeten, ver naar het noorden. Yamamoto, die meende dat de Amerikaanse carriers nog in de Koraalzee waren, legde zestien onderzeeërs in een lange lijn oostelijk van Midway. Zij hadden de taak de eventuele komst van die carriers, als die toch in Pearl Harbor zouden liggen, te verkennen en aan te vallen. Deze versnippering van de vloot en de gecompliceerdheid van de operatie zijn fouten die Japan in deze oorlog vaker maakte. De V.S. manoeuvreerden veel compacter en concentreerden hun aanvals- kracht beter. De V.S. die door de gekraakte marinecode tevoren tot in detail van de aanval op de hoogte waren, hadden nog voor de Japanse onderzeeërs in positie waren hun carriers vanuit Pearl Harbor westelijk van hun verkenningslijn gebracht. Japan was absoluut niet op de hoogte van hun aanwezigheid, gesterkt door een subtiel spel van valse radioberichten die moesten suggereren dat de afleidingsaanval op de Aleoeten werkte. De Amerikanen hadden de beschikking over de Enterprise' en de Hornet onder schout-bij-nacht Spruance (Halsey was ziek), en de Yorktown' onder schout-bij-nacht Fletcher. De Yorktown was op de marinewerf van Pearl Harbor in de verbijsterend korte tijd van 3 dagen gerepareerd i.p.v. de geschatte 3 maanden. Op 4 juni viel Nagoemo bij het aanbreken van de dag op een afstand van 240 mijl Midway aan. De Amerikanen voerden vanaf Midway twee aanvallen uit op de door hen inmiddels verkende vloot van Kondo. De eerste met verouderde landvliegtuigen leed grote verliezen en de tweede met B-17 bommenwerpers maakte duidelijk dat horizontaal bombarderen, anders dan een aanval met duikbom- menwerpers, voor vrij manoeuvrerende wendbare oppervlakteschepen maar weinig gevaar oplevert. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Devastator' torpedovliegtuigen op het vliegdek van Amerikaanse carrier Enterprise, vlak voor de beslissende strikes op vier grote Japanse aanvalscarriers in de Slag om Midway (1942). De torpedovliegtuigen werden bijna alle neergehaald. Toen Nagoema zich na terugkeer van zijn strike klaarmaakte voor een tweede aanval op Midway, werden de Amerikaanse carriers door de Japanners verkend. Geconfronteerd met deze dreiging besloot hij zijn vliegtuigen te verwapenen met torpedo's, maar hij was te laat. Door de grote haast voerde het personeel de afgenomen bommen niet direct af. De dekken lagen vol explosieven en brandstof toen de Amerikaanse carriervliegtuigen boven de vloot verschenen. Deze waren twee uur eerder afgevlogen dan aanvankelijk bepaald met het doel de Japanse carriers op dit meest kwetsbare moment te kunnen treffen. Zo lanceerden de Hornet en de Enterprise' om 07.00 hun aanvalsvliegtuigen die de carriers door een Japanse koerswijziging pas na lang zoeken vonden. De Yorktown' lanceerde haar strike om 08.30 uur. Door een scherpe koerswijziging van Nagoemo misten de jagers en de duikbommenwerpers van de Hornet hem volkomen en werden bijna alle onbeschermde Amerikaanse torpedovliegtuigen zonder een enkele treffer door de Zero's' en het afweergeschut neergehaald. Zij leidden echter de aandacht af van de inmiddels naar beneden gierende duikbommenwerpers van de Enterprise die zich op de Kaga en de Akagi' storten. De veel kleinere groep van de Yorktown viel de Soryu aan. De Kaga, Akagi en Soryu werden met hun dekken vol explosieven getroffen en in zeer korte tijd vernietigd. De Zero's vlogen door hun gevecht met de torpedovliegtuigen te laag om te kunnen ingrijpen. De Hiryu voerde twee strikes uit op de Yorktown en beschadigden haar ernstig. Zij werd even later door een Japanse onderzeeboot tot zinken gebracht. Vliegtuigen van de Hornet en de Enterprise brachten in een tegenstrike de Hiryu' tot zinken. Ook nu stonden de dekken vol vliegtuigen die werden getankt en bewapend voor een volgende strike. Het bezit van radar zou de Japanners deze ramp wellicht hebben bespaard. De verkenning was noodgedwongen nog geheel in handen van patrouille-vliegtuigen en vooruitgeschoven torpedoboot- jagers. Yamamoto besloot de aanval op Midway te vertragen tot hij duidelijkheid had over zijn poging Spruance tot een nachtgevecht met Kondo en de rest van Nagoemo's eskader te verleiden. Toen hij begreep dat Spruance zich naar het oosten terugtrok, wist hij dat de slag verloren was en gaf hij order tot een algemene terugtocht. Ook de aanval op de Aleoeten werd afgebroken. Japan had voor de eerste maal in 400 jaar een zeeslag verloren. Met de slag om Midway nam de oorlog door de vernietiging van bijna alle grote Japans carriers een beslissende wending. De strijd was echter nog lang niet gestreden omdat Japan nog altijd de meeste schepen en de meeste carriers bezat. Het Amerikaans industriële en personele surplus zou van nu af echter de doorslag geven. Een stroom van nieuwe vliegdekschepen van de Essex'- en de Independence-klasse vanaf eind 1943, alle voor- zien van goed getraind personeel, markeert de omslag ondubbelzinnig. In afwachting daarvan kregen de V.S. in juni 1942 versterking in de vorm van de teruggekeerde aan- valscarrier Saratoga en de kleine carrier Wasp die daarvóór was ingezet bij de gevechten om Malta.
(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Het op de Japanners veroverde en vervolgens voor eigen gebruik voltooide vliegveld Hen- derson Field was geruime tijd een Amerikaans enclave op het verder door de Japanners bezette eiland Guadalcanal (1942). Let op het landingsgestel van deze Wildcat' dat bij dit type nog in de romp werd ingetrokken en niet in de vleugel. Slag om Guadalcanal In augustus 1942 veroverden de Amerikanen Tulagi (i.v.m. een Japanse basis voor watervliegtuigen) en een deel van Guadalcanal. Daar voltooiden zij het in aanbouw zijnde Japanse vliegveld, en her- doopten het in Henderson Field. De rest van Guadalcanal bleef voorlopig onder zware gevechten in Japanse handen. Omdat Fletcher wegens brandstofgebrek de Saratoga en de Enterprise' moest terugtrekken, was het gevechtsterrein met de vliegtuigen van Henderson Field overdag in handen van de Amerikanen, en 's nachts in handen van de Japanners die met bevoorradingsschepen een nachtelijke "Tokyo Expres" opzetten. Op 24 augustus vond de Slag bij de oostelijke Salomons Eilanden plaats. De Amerikaanse aanvals- carriers Saratoga en Enterprise onder Fletcher raakten in gevecht met Japanse carriers Shokaku en Zuikaku en lichte carrier Ryujo. De Saratoga bracht met een strike het "lokschip" de Ryujo tot zinken, waarop een strike van de Japanners de Enterprise licht beschadigde. De Japanse carriers trokken zich daarna terug. Op 31 augustus werd de Saratoga na een torpedotreffer van een Japanse onderzeeër gedwongen zich terug te trekken, en in september werd de Wasp getorpedeerd en tot zinken gebracht. De Hornet stond nu alléén tegenover twee grote en drie kleine Japanse carriers. De beschadigde Enterprise was echter in oktober weer terug. Op 26 oktober vond een zeeslag plaats bij de Santa Cruz Eilanden. De Enterprise en de Hornet ontmoetten de Japanse carriers Shokaku, Zuikaku, Zuiho en Junyo (de Hiyo had machine- schade). Twee Amerikaanse verkenningsvliegtuigen brachten de Zuiho tot zinken en vliegtuigen van de Enterprise en de Hornet beschadigden de Shokaku, terwijl een Japanse strike de Hornet ernstig beschadigde. Een nieuwe Japanse strike beschadigde de Enterprice, en een strike van de Junyo bracht de aangeslagen Hornet tot zinken. De Japanse carriers stoomden tenslotte voor reparaties weg naar het noorden. De vliegtuigen van de Enterprise werden naar Henderson overgevlogen en hielden samen met die van Henderson Field flink huis onder de Japanse marine, tot op 15 november de Slag om Guadal- canal tot een einde was gekomen en het eiland door de Japanners werd ontruimd. Tot de reparatie van de Enterprice hadden de Amerikanen intussen gedurende twee weken geen enkele carrier in de Pacific. In november 1943 kwamen echter de nieuwe aanvalscarriers Essex' en Independence, en het hulpvliegdekschip Bunker Hill in de Pacific aan. Zij zouden spoedig door vele van hun klasse gevolgd worden. Enkele carriers van de Essex-klasse kregen traditiegetrouw de oude namen Yorktown, Lexington, Hornet en Wasp. De Japanse nieuwbouw zou pas in het voorjaar van 1944 volgen. Admiraal Yamamoto sneuvelde 18 april 1943 op een inspectiereis boven de noordelijke Solomon- eilanden. Zijn toestel kon dankzij informatie van de codespecialisten worden neergeschoten door een eskader Lightning' lange afstands-landjagers. Half 1943 kwamen Halsey recht door de Pacific, en MacArtur via de Filipijnen onafhankelijk van elkaar in beweging. Halsey trok op volgens de "islandhopping strategie", waarbij hij alleen eilanden met een vliegveld aanviel en dat vliegveld vervolgens gebruikte om de aanval op het volgende eiland voor te bereiden. De andere eilanden liet hij ongemoeid en werden slechts geïsoleerd. Deze strategie bleek efficiënt, hield de snelheid erin en spaarde veel levens (aan beide zijden) en materieel.
Slag bij de Marianen, of Slag op de Filipijnse Zee In juni 1944 speelde zich in de Filipijnse zee bij de Marianen een tweedaagse slag af. Mitschers 9 grote en 6 lichte carriers met 890 vliegtuigen ontmoette Ozawa's 5 grote en 4 kleine carriers met 430 vliegtuigen. De Japanners hadden het voordeel van de veel grotere actieradius van hun vliegtuigen met een aanvalsbereik van 400 mijl, tegen de V.S. slechts 200 mijl. Bovendien konden zij hun aanvalsvliegtuigen tegen de oostelijke passaat in naar de Amerikanen toe afvliegen, waar de Amerikanen voor het lanceren van hun vliegtuigen van de vijand af moesten wen- den. Hun piloten waren echter, in tegenstelling tot die van het begin van de oorlog, slecht opgeleid. Ozawa voerde vier strikes uit en zag zijn luchtvloot daarbij met bijna 350 toestellen gedecimeerd worden, tegen een Amerikaans verlies van 30 vliegtuigen, en dat zonder zelf ook maar één Ameri- kaanse carrier te raken. Aan de andere kant brachten Amerikaanse onderzeeërs twee grote Japanse carriers tot zinken, waaronder de Shokaku. Mitscher liet vervolgens een riskante strike afvliegen op een afstand van 300 mijl, hoewel hij wist dat zijn vliegtuigen bij hun terugkeer hun eigen carriers mogelijk niet zouden halen en zij bovendien in het donker zouden moeten oplanden. Bij deze laatste aanval werd een grote carrier tot zinken gebracht en werden de Zuikaku en twee kleine carriers beschadigd. Ozawa hield nog slechts 34 toestellen op zijn vliegdekken over. De Amerikaanse piloten noemden deze slachting onder de Japanse vliegtuigen de "Turkey Shoot" van de Marianen (= kalkoenen-jacht). Mitscher leed echter een verlies van 80 toestellen toen zijn terugkerende vliegtuigen in het donker en veelal op zee moesten landen. Dit ondanks zijn besluit zijn carriers te riskeren door tegen de regels in op alle carriers de lichten te laten ontsteken. De strijd had de Japanners drie aanvalscarriers gekost, bijna alle vliegtuigen en, in tactische zin nog erger, veel van hun piloten. In augustus werden de eilanden Saipan en Guam veroverd, waarmee nu Japan zelf vanaf Guam binnen het bereik kwam van de zware Amerikaanse B29-bommenwerpers.
(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Het Amerikaanse slagschip Pennsylvania onder Oldendorf in 1944 nabij Leyte, in kiellinie met het slagschip Colorado, de zware kruisers Louisville en Portland en de lichte kruiser Columba. Slag in de Golf van Leyte (Filipijns eiland) (zie kaart') (menu, verklarende woordenlijst) De dreigende Amerikaanse verovering van de Filipijnen zou de Japanse carriers in de noordelijke thuiswateren isoleren van hun slagvloot in de Zuidoost-Aziatische wateren. De carriers zouden verstoken raken van brandstof, en de slagvloot van munitie. Japan besloot daarom in september 1944 tot weer zo'n typisch Japanse aanval, te gecompliceerd en met verdeling van haar slagkracht, net als bij Midway. De verschillende Japanse strijdmachten slaagden er dan ook niet in volgens plan tegelijk op het strijdtoneel te verschijnen. Een Japans eskader onder Ozawa naderde de Filipijnen uit het noordoosten met 2 grote en 2 kleine carriers (vrijwel zonder vliegtuigen) en 2 oude slagschepen (Northern Decoy Force). Hun taak was het eskader aanvalscarriers van Halsey bij Leyte weg te lokken. Een tweede eskader onder Koerita kwam met 5 nieuwe slagschepen, waaronder de Yamato' en haar zusterschip de Moesjasji, uit het zuidwesten naar Leyte voor een doorbraak via Straat Bernardino, noordelijk van Leyte (Center Strike Force). Hun taak was de Amerikaanse schepen en landings- vaartuigen ten oosten van het eiland Leyte aan te vallen. Een derde eskader onder Sjima kwam met zware kruisers uit het zuidwesten naar Leyte voor een doorbraak via Straat Surigao, zuidelijk van Leyte. En tenslotte naderde een vierde eskader onder Nisjimoera met 2 oude slagschepen uit het noord- westen, eveneens voor een doorbraak door deze straat (samen Southern Strike Force). De verdediging van dit zeegebied was in handen van Halsey (met 8 grote, 8 kleine carriers met 800 vliegtuigen en 6 nieuwe slagschepen) en Kinkaid (6 oude slagschepen onder Oldendorf en hulp- vliegdekschepen en amfibische vaartuigen voor de invasie op Leyte onder Spargue). Koerita werd verkend en door vliegtuigen van de carriers van Halsey gedwongen om te keren met verlies van de Moesjasji. De aanvalsgroep van Sjima die door Straat Surigao stoomde werd met grote verliezen door Olden- dorf teruggeslagen. De op korte afstand volgende Nisjimoera keerde tijdig om. De inmiddels weer teruggekeerde aanvalsgroep van Koerita vond echter een onbewaakte Straat Bernardino tussen haar en de zwakverdedigde Amerikaanse invasievloot. Dit was mogelijk door een misverstand tussen Halsey (die zich na het terugslaan van Koerita inderdaad door Ozawa 300 mijl noordwaarts had laten weglokken, waarbij hij 4 carriers tot zinken bracht waaronder de Zuikaku) en Kinkaid die voor Straat Surigao lag. Beiden dachten dat de ander de terugtrekkende, maar inmiddels weer aanvallende, aanvalsgroep van Koerita observeerde. Koerita zette een aanval in op de vrij weerloze invasievloot van Spargue, maar werd door fel aanvallende torpedobootjagers en door de vliegtuigen van de hulpvliegdekschepen gedwongen zich terug te trekken. De terugkerende Japanse vloten bleven onderhevig aan luchtaangevallen en leden aanzienlijke verliezen. De Slag in de Golf van Leyte, waaraan meer schepen deelnamen dan in de Slag bij Jutland', was de beslissende zeeslag die ondanks de Amerikaanse coördinatiefout bij Straat Bernardino het einde van de Japanse marine betekende. Het restant van de Japanse vloot werd in felle Amerikaanse aanvallen bij de Japanse havensteden Kobe en Koere geëlimineerd. De Slag bij Leyte had ook de twijfelachtige eer de Amerikanen in oktober 1944 voor het eerst kennis te laten maken met zelfmoordaanvallen van kleine vliegtuigen, de kamikaze of "goddelijke wind". Nadat de Amerikanen 3 carriers en 1 hulpvliegdekschip hadden verloren bij kamikaze-aanvallen, besloten zij de carriers tijdelijk terug te trekken op het zuidoostelijk gelegen atol Ulithi. Het gevaar van de kamikaze werd tenslotte beheersbaar door een hechte en overigens zelf zéér kwetsbare picketlinie (een wachtgroep) van torpedobootjagers etc. tot zo'n 60 mijl van de vloot voor vroegtijdige radar-detectie, door afstandspatrouilles en een continu boven de vloot aanwezig scherm van interceptiejagers, en door hevig luchtafweer. En verder door overdag in drie ploegen continue de Japanse vliegvelden aan te vallen om het opstijgen van de kamikazes te voorkomen. Het idee van deze "Big Blue Blanket"-tactiek (Hellcats' en Corsairs waren blauw geschilderd) was van de tactisch briljante Jimmy Thach, dezelfde als van de Thach-vlecht'. Hoewel de tactiek vanaf het begin al direct doeltreffend was, bleven kamikaze-aanvallen slachtoffers eisen, vooral toen zij in grote groepen (kikusui of drijvende chrysanten) gingen aanvallen. De Japan- ners offerden hierbij de helft van hun overgebleven vliegtuigen op, maar brachten in totaal 35 Ameri- kaanse schepen tot zinken en beschadigden er 288. Verovering van Iwo Jima en Okinawa De talrijke atollen werden volgens het principe van de "islandhopping strategie" veroverd of eenvoudig overgeslagen en geïsoleerd. Er is om veel eilanden zwaar gevochten, waarbij de verovering van Iwo Jima en Okinawa in 1945 exemplarisch zijn voor de verbetenheid waarmee de Japanners bereid waren de eilanden te ver- dedigden, en wel naarmate men Japan zelf naderde steeds vaak bijna tot de laatste man. Van de 22.060 Japanners die Iwo Jima verdedigden gaven er zich slechts 216 over, dat is ca. 1% van de bezetting, en dat op een eiland van nog geen 21 km². Op Okinawa werden er van de 117.000 man tellende bezetting slechts 7.400 gevangen genomen wat neerkomt op ca. 6,3% van de eilandbezet- ting. Velen pleegden zelfmoord en duizenden vonden de dood toen de Amerikaanse genie de toegang tot hun versterkte holen opblies en zij er levend begraven achterbleven. De ongelooflijke ver- liezen, vooral aan Japanse zijde, in tabel gezet: │ Iwo Jima │ Okinawa │ Japan V.S. │ Japan V.S. ─────────────┼────────────────────────────┼───────────────────────── Totaal │ 22.060 70.000 │ 117.000 183.000 Doden │ 6.812 │ 12.513 Gewonden │ 19.217 │ 38.916 Gevangen │ 216 │ 7.400 Overleving │ 1% 90,3% │ 6,3% 93,2% ─────────────┴────────────────────────────┴───────────────────────── Om de kamikaze-aanvallen het hoofd te bieden werd door de Amerikanen aan de periferie van de voor Okinawa geankerde vloot een radarpicketlinie gelegd. De verliezen bleven echter zwaar, vooral onder de picketschepen. De verovering van Iwo Jima en Okinawa vormden de laatste stap voor de in november 1945 ge- plande invasie van Japan. Iwo Jima (tussen Guam en Japan, ZO van Japan) ging dienen als basis voor de jagers en als uitwijkmogelijkheid voor de B-29 landbommenwerpers, die al vanaf november 1944 vanaf de Marianen opereerden. Okinawa (tussen de Filipijnen en Japan, ZW van Japan) functioneerde als marinebasis en als vliegbasis voor aanvallen op het zuidelijk deel van Japan.
(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De ondergang van het Japanse slagschip Yamato' in april 1945 staat symbool voor zowel het einde van Japan als maritieme grootmacht als ook voor het einde van het tijdperk waarin het slagschip een principale rol vervulde. Slotakkoord Nu begin 1945 de oorlog in Europa was gewonnen, kwamen ook de Britten met hun aanvalscarriers Indomitable', Victorious, Illustrious en Indefatigable naar de Pacific. Daar bleek dat de Britse bepantsering van vliegdek en hangar hun carriers aanzienlijk meer bescher- ming bood dan het houten vliegdek van de Amerikanen. Na een kamikaze-aanval herinnerde soms weinig meer dan een forse deuk van 10 cm diep aan de gebeurtenis en bleef het schip operationeel. Deze pantsering ging wel ten koste van het aantal gestationeerde vliegtuigen. De Britten verschenen juist op het ogenblik dat de Amerikaans carriers het onder de druk van de kikusui-kamikazes moeilijk begonnen te krijgen en de bemanningen uitgeput dreigden te raken. Er zou voortaan geen Japanse carrier meer uitlopen. Wel deed de keizerlijke marine op 7 april nog één zelfmoordaanval op Okinawa, en wel met 's werelds grootste slagschip de Yamato', slechts van olie voorzien voor een enkele reis. Het schip werd echter door luchtaanvallen vanaf Mitschers carriers vernietigd. Dat de Amerikanen daarbij slechts 10 toestellen verloren werd mede veroorzaakt door de Japanse ongeoefendheid in het bestoken van bewegende doelen. De ondergang van het Japanse slagschip Yamato staat symbool voor zowel het einde van Japan als maritieme grootmacht als ook voor het einde van het tijdperk waarin het slagschip een principale rol vervulde. Zij ging ten onder na minstens 8 torpedotreffers en 15 bominslagen van ca. 400 vliegtuigen van 8 carriers, in de inmiddels beproefde dodelijke mix van Hellcat' en Corsair' jachtvliegtuigen, Avenger' torpedovliegtuigen en Helldiver' duikbommenwerpers.
Hiroshima en Nagasaki De verovering van Guam in 1944 bracht Japan zelf binnen bereik van de Amerikaanse zware B-29 landbommenwerpers. Industrie, havensteden en de hoofdstad Tokyo werden zwaar getroffen. En tenslotte kwam de oorlog abrupt ten einde met het afwerpen van twee atoombommen, op 6 augustus 1945 op Hiroshima en 3 dagen later op Nagasaki. De laatste was eigenlijk bedoeld voor Kokura, maar daar aangekomen bleek het er te bewolkt... Het bombardement maakte 70.000 respectievelijk 40.000 directe slachtoffers, en op lange termijn een veelvoud daarvan. De intensieve bombardementen op Tokyo, met bewust veroorzaakte vuurstormen door een zorg- vuldig samengestelde anti-personele mix van brandbommen, waren overigens verantwoordelijk voor een alleszins vergelijkbaar onnoemelijk lijden en ook een vergelijkbaar aantal directe slachtoffers (84.000). Deze "conventionele" antipersonele bombardementen van burgerdoelen verdienen dan ook een zeker zo kritische beoordeling als de inzet van nucleaire wapens. De toenmalige beleidsmakers zaten blijkbaar niet zo met de gevolgen van een zwaar conventioneel bombardement en wij moeten ons realiseren dat het voor hen om gewoon weer een nieuwe en veel krachtiger bom ging. Van de lange termijneffecten zullen zij wellicht geen weet gehad hebben waardoor die toen bij de afweging het nieuwe wapen in te zetten geen rol zullen hebben gespeeld. Nietemin doet zich het cynische feit voor dat de verovering van Japan zelf, gezien de ervaringen op Iwo Jima en Okinawa', vele malen meer Amerikaanse én Japanse levens had gekost dan de inzet van deze atoomwapens, zelfs op de lange termijn. Japan beschikte immers nog over twee miljoen inzetbare militairen. En de Japanse plannen voor- zagen in een algehele mobilisatie waardoor grote aantallen ongetrainde en slecht bewapende burgers in de vuurlinie zouden zijn gekomen. En dan de te verwachten slachtoffers van de con- ventionele bombardementen op de haven- en industriesteden, en op Tokyo. Aan Amerikaanse zijde zouden naar schatting alléén al bij de landing van het zuidelijkste eiland Kyusju 69.000 van de betrokken 190.000 militairen (ruim 36%) gedood of gewond raken, en alleen al bij de eerste aanvallen op het hoofdeiland zouden ruim 500.000 Amerikaanse militairen betrokken zijn. Voeg daarbij het aantal slachtoffers als gevolg van de 3000 kamikaze-vliegtuigen waarover Japan nog beschikte en waarvan ongeveer 20% de geallieerde schepen zou bereiken. Een conventionele aanval op Japan zelf zou dus een paar honderdduizend geallieerde militairen en wellicht enkele miljoenen Japanse burgers en militairen het leven hebben gekost. Op 2 september 1945 werd op het slagschip Missouri' de overgave van Japan getekend en was de Tweede Wereldoorlog ten einde.
(Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Roem is niet alleen voorbehouden aan kapitale schepen. Hier de lichte kruisers Ajax (voorgrond) en Achilles tijdens de Slag bij de Rio de la Plata' in 1939 (zie gegevens') ▪Belangrijkste zeeslagen (menu, verklarende woordenlijst) -Slag bij Hampton Roads (1862) (menu, verklarende woordenlijst) Locatie - Kust van Norfolk Tussen - Monitor' (Federalen, Noordelijken) ↔ Merrimac (Geconfedereerden, Zuidelijken) Doel - Opheffen van de blokkade van de Zuidelijke havens Gevolg - Onbeslist gevecht, waardoor blokkade in stand bleef Opm: Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog was de blokkade van de Zuidelijke kust van groot economisch belang. Dit treffen was de eerste slag tussen pantserschepen. De slagafstand bedroeg slechts 30 m. De Monitor van de Noordelijken (ontwerp van Ericsson) had een draaibare geschutstoren, en werd naamgever voor een type toren-pantser schip met nauwelijks vrijboord en zonder ram. De Merrimac van de Zuidelijken, die na ombouw tot pantserschip eigenlijk Virginia heette, had een vaste kazemat en een ram. Zie Pantserschip' en Monitor'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Slag bij Lissa (1866) -Slag bij Lissa (1866) (menu, verklarende woordenlijst) Locatie - Eiland in de Adriatische Zee Tussen - Oostenrijk (Von Tegetthoff) ↔ Italië (Persano) Doel - Conflict tussen Oostenrijk en Italië Gevolg - Overwinning in deze zeeslag op Italië redde Oostenrijk niet van een nederlaag tegen Pruisen (bondgenoot van Italië in de Pruisisch-Oostenrijkse oorlog). Opm: Tijdperk van de ram-pantserschepen. Von Tegetthoff koos voor de ramtechniek, hoewel zijn schepen geen ram hadden (wel een bulb-steven). Hij moest echter wel omdat hij het tegen de pantserschepen van de Italianen moesten opnemen met gladloops breedzij kanons op deels ongepantserde schepen. De slag gaf ten onrechte een gunstige indruk van de mogelijkheden van de in deze slag enig- zinds gelukkig verlopen ramaanval. Wel bleek terecht de noodzaak van vuurkracht in de voorlijke sector. Zie Ramschip'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Slag Tsoesjima (1905) -Slag bij Tsoesjima (1905) (menu, verklarende woordenlijst) Locatie - Eiland bij Port Arthur Tussen - Japan (Togo op de Mikasa') ↔ Rusland (Rozjdestwenkij) Doel - Conflict om het bezit van de strategische kustgebieden op het Aziatische vaste land bij Japan, waaronder Port Arthur. Gevolg - Door de Japanse overwinning kwam Port Arthur in Japanse handen Opm: Onderdeel van de Russisch-Japanse Oorlog in het tijdperk van de pre-dreadnoughts. In de aanloop naar de slag moesten de Russen hun Baltische vloot vanuit St. Petersburg helemaal rond Kaap de Goede Hoop omvaren en waren zij gedwongen zich met 18.000 zeemijl op de log in de strijd te begeven. De gemengde bewapening van de pre-dreadnoughts bleek geen succes. Verder bleek een vlootescorte van torpedobootjagers onontbeerlijk. Zie Pre-dreadnought'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De Slag bij de Doggersbank (1915) -Slag bij de Doggersbank (WO1, 1915) (menu, verklarende woordenlijst) Locatie - Noordzee Tussen - Engeland (Beatty op de Lion') ↔ Duitsland (Von Hipper) Doel - Deel uitmakend van de Eerste Wereldoorlog Gevolg - Britse overwinning waarbij Duitsland een voorsprong verwierf in het ontwerp van de geschutstorens doordat alleen bij hen een gezamenlijke constructiefout van de torens aan het licht kwam. Opm: Zeeslag tussen slagkruisers in het tijdperk van de dreadnoughts. Fout in ontwerp van geschutstorens (die via kruitmagazijn met elkaar in verbinding stonden) kwam alléén bij de Duitsers aan het licht (Seydlitz) en niet bij de Engelsen. Zij verbeterden daarop als enige hun torenconstructie, wat de Engelsen tijdens de Slag bij Jutland' in 1916 en zelfs nog in 1941 met de Hood' bij de Jacht op de Bismarck' zouden moeten ondervinden. Verder bleek de kwetsbaarheid van trage pantserkruisers aan Duitse zijde met de ondergang van de Duitse Blücher. De kwetsbaarheid van de te lichte bepantsering van de slagkruisers kwam tijdens deze slag nog niet aan het licht. Zie Slagkruiser'. Zie uitgebreid Oorlogshandelingen oppervlaktevloot WO1 - Slag bij de Doggersbank'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Slag bij Jutland (1916) -Slag bij Jutland (WO1, 1916) (menu, verklarende woordenlijst) Locatie - Westelijk van het Skagerrak Tussen - Engeland (Grand Fleet onder Jellicoe op de Iron Duke') ↔ Duitsland (Keizerlijke Marine of Hochseeflotte onder Scheer) Doel - Opheffen van de blokkade van de Duitse havens Gevolg - Tactisch misschien gewonnen door Duitsland, maar strategisch door de Britten (immers blokkade gehandhaafd) Opm: Tijdperk van de super-dreadnoughts. Laatste grote zeegevecht tussen klassieke slagvloten (daarna werd de rol van het slagschip als meest principale schip door het vliegdekschip overgenomen). De kwetsbaarheid van de onvoldoende gepantserde slagkruiser werd aangetoond met het in de lucht vliegen van drie Engelse slagkruisers. Het concept van de slagkruiser zou op termijn worden verlaten. De ontwerpfout van de geschutstorens, die via het kruitmagazijn met elkaar in verbinding stonden, kwam nu ook bij de Britten aan het licht. Net als tijdens de Slag bij de Doggersbank' bleek de kwetsbaarheid van de te trage pantser- kruiser. Drie van zulke Engelse schepen gingen verloren. Aan Duitse zijde waren het betere pantser, de waterdichte indeling en de introductie van het torpedoschot succesvol. De super-dreadnoughts van de Engelse Queen Elizabeth-Klasse voldeden goed met betrek- king tot zowel snelheid als bescherming, en zetten met hun succes de ontwikkeling van de snelle slagschepen in. Er bleken zich problemen voor te doen met de Engelse pantsergranaten. Zie Dreadnought', Super-dreadnought' en Slagkruiser'. Zie uitgebreid Oorlogshandelingen oppervlaktevloot WO1 - Slag bij Jutland'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Duitse U-boten (U5 t/m U22, behalve de U10) in februari 1914 in de haven van Kiel. -Onderzeebootoorlog WO1 (menu, verklarende woordenlijst) Locatie - Noordzee en wateren rond Engeland Tussen - Engeland (Grand Fleet en koopvaardij) ↔ Duitsland (Keizerlijke Marine of Hochseeflotte) Doel - Onderzeebootoorlog tegen geallieerden en Britse blokkade van de Duitse havens Gevolg - De succesvolle Britse blokkade was van grote invloed op het beloop van de oorlog Opm: Zie Onderzeeboot'. Zie uitgebreid Onderzeebootoorlog WO1'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Slag bij de Rio de la Plata (1939) -Slag bij de Rio de la Plata (WO2, dec 1939) (menu, verklarende woordenlijst) Locatie - Braziliaanse kust Tussen - Engeland ↔ Duitsland Doel - Vernietiging van de als Duitse kaapvaarder opererende pantserkruiser Admiral Graf Spee' (zgn. vestzakslagschip) Opm: Eerste zeeslag van de Tweede Wereldoorlog. Engeland : Middelzware kruiser Exeter' (6x20 cm kanons) Lichte kruisers Ajax en Achilles' (beide 8x15 cm kanons) Duitsland: Vestzakslagschip Admiral Graf Spee (eigenlijk een pantserkruiser met diesel en zwaar geschut, 6x28 cm kanons). De Graf Spee was niet beter beschermd dan een 20½ cm kruiser van 10.000 ton, en had slechts twee torens, zodat zij haar vuur niet over meer doelen kon verdelen. De Engelsen ontkwamen aan vernietiging van hun licht bewapende eskader door goed te manoeuvreren. De Graf Spee stelde met haar radar-vuurleiding wel de Exeter tijdelijk buiten gevecht, een techniek waarin de Duitsers aan het begin van de oorlog nog een voorsprong hadden. De beschadigde Graf Spee week onder een rookgordijn uit naar Montevideo, maar mocht er van de neutrale autoriteiten van Uruguay niet blijven en kon ook niet uitbreken. Kapitein Langsdorff liet de Graf Spee op bevel van Hitler in het mondingsgebied van de Rio de la Plata tot zinken brengen op grond van door de Britse geheime dienst verspreide geruchten over aanzienlijke versterking van het smaldeel. Zie Kruiser'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) De jacht op de Bismarck (1941) -Jacht op de Bismarck (1941) (menu, verklarende woordenlijst) Locatie - Wateren rond Engeland Tussen - Engeland (Homefleet) ↔ Duitsland (Kriegsmarine, Lütjens) Doel - Vernietiging van het als Duitse kaapvaarder opererende snelle slagschip Bismarck' Opm: De Bismarck en de zware kruiser Prinz Eugen' liepen uit om samen met de slagkruisers Scharnhorst en Gneisenau die in Brest lagen op kaapvaart te gaan (Unternehmen Rhein-- übung = Rijnoefening). Westelijk van IJsland ontmoetten zij de Engelse slagkruiser Hood' en het snelle slagschip Prince of Wales' van de King George V-klasse. De Hood werd met het 5e salvo op grote afstand en met grote elevatie door de Bismarck in een enorme explosie tot zinken gebracht, wellicht door de te lichte horizontale pantsering. Er waren slechts 3 overlevenden. Zuidwestelijk van Ierland werd de Bismarck door een torpedo van een Fairey Swordfish' torpedovliegtuig van de Ark Royal' getroffen. Zij raakte stuurloos door roerschade en werd tenslotte door de Engelse slagvloot, waaronder de slagschepen King George V en Rodney', vernietigd. Zij ging met haar bevelhebber admiraal Lütjens onder. De Prinz Eugen bereikte veilig de Franse havenstad Brest. Zie Snel slagschip'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Konvooieren en blokkade van de Duitse havens bleken in de Slag om de Atlantische Oceaan (1940 - 1944) succesvolle tactieken te zijn. -Slag om de Atlantische Oceaan (WO2, 1940-1944) (menu, verklarende woordenlijst) Tussen - Geallieerden ↔ Duitsland Doel - Duitse blokkade Engeland met onderzeeërs (olie, wapens en proviand) Gevolg - Duitse bokkade van Engeland was niet volledig en hield niet stand Opm: Jarenlange strijd van geallieerde korvetten, torpedobootjagers en hulpcarriers tegen Duitse U-boten. De inzet van de Duitsers was meer scheepsruimte tot zinken te brengen dan de geallieerden konden bijbouwen en tegelijkertijd meer U-boten te bouwen dan er vernietigd werden. Konvooivaart, seriegebouwde Liberty- en Victory-schepen, technologie (asdic, radar) en luchtmacht speelden daarbij een grote rol. Het oorlogsjaar 1942 was voor de geallieerden zeer kritiek. Tenslotte keerden de kansen toen de "air-gap" in het midden van de Atlantische Oceaan met lange afstandsvliegtuigen en hulpcarriers (tot vliegdekschepen omgebouwde vrachtschepen) kon worden gedicht. Zie Onderzeeboot', Carrier', Torpedobootjager', Escortevaartuig' en Vliegtuig'. Zie uitgebreid Strijd om de Atlantische Oceaan'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Aanval op Pearl Harbor (1941) -Aanval op Pearl Harbor (WO2, 1941) (menu, verklarende woordenlijst) Locatie - Pacific (Hawaii-eilanden, oostelijk van Midway) Tussen - Japan ↔ Verenigde Staten Doel - Verrassingsaanval op de Pacific marinehaven van de V.S. Gevolg - V.S. lijden zware, maar niet fatale verliezen en komen in oorlog met Japan en Duitsland. Opm: De aanval markeert het begin van de oorlog in de Pacific en het begin van de Amerikaanse deelname aan die in Europa. De Amerikaanse carriers ontliepen de aanval omdat zij bij toeval op zee waren, en van de slagvloot bleken er na lichten en repareren uiteindelijk slechts twee slagschepen definitief verloren te zijn gegaan. Zie Carrier' en Vliegtuig'. Zie uitgebreid Oorlog in de Pacific'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Slag in de Javazee (1942) -Slag in de Javazee (WO2, 1942) (menu, verklarende woordenlijst) Tussen - Japan ↔ Nederland, Amerika, Engeland, Australië Doel - Japanse verovering van Nederlands Indië Gevolg - Door de Japanse overwinning lag Nederlands Indië open voor invasie Opm: Een Nederlands-Amerikaans-Brits-Australisch smaldeel kruisers onder de Nederlandse schout-bij-nacht Karel Doorman werd door een Japans smaldeel verslagen (vermaarde woorden van Doorman waren "All ships follow me"). Geallieerden - Zware kruisers Exeter' (Eng) en Houston (VS) Lichte kruisers De Ruyter' en Java (Ned), Perth (Aus) Negen torpedobootjagers (4x VS, 3x Eng, 2x Ned) Japan - Twee zware kruisers, twee lichte kruisers, dertien torpedobootjagers Het geallieerd gebrek aan luchtverkenning en de uitstekende Japanse Long Lance torpedo's gaven de doorslag. De Nederlandse lichte kruisers De Ruyter en Java, de Amerikaanse Houston, de Engelse Exeter, de Australische Perth en de torpedobootjagers Kortenaer' (Ned) en Electra (Eng) gingen ten onder. De Japanners leden geen verliezen. Doorman kwam op het vlaggeschip De Ruyter omhet leven. Zie Kruiser'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Slag in de Koraalzee (1942) -Slag in de Koraalzee (WO2, 1942) (menu, verklarende woordenlijst) Locatie - Pacific (noordoostelijk van Australië) Tussen - Verenigde Staten ↔ Japan Doel - Afstoppen Japanse aanval met een dreigende landing op Port Moresby op Nieuw Guinea Gevolg - Tactisch misschien gewonnen door Japan, maar strategisch door de V.S. (de Japanse opmars werd immers gestuit) Opm: Eerste grote slag tussen vliegdekschepen. Zie Carrier' en Vliegtuig'. Zie uitgebreid Oorlog in de Pacific - Slag in de Koraalzee'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Slag om Midway (1942) -Slag om Midway (WO2, 1942) (menu, verklarende woordenlijst) Locatie - Pacific (westelijk van Pearl Harbor, halverwege de Pacific) Tussen - Verenigde Staten ↔ Japan Doel - Vernietiging van elkaars carriervloot Gevolg - Beslissende Amerikaanse overwinning in de oorlog in de Pacific, waarbij alle grote Japanse carriers tot zinken werden gebracht. Opm: De V.S. hadden het voordeel van het bezit van radar en van de gekraakte Japanse marine- code. Zij voerden ook een betere strategie (de Japanse operatie verdeelde de vloot en was zoals bij hen gebruikelijk te gecompliceerd). Japan bleef op papier de sterkste zeemacht, maar kwam de slag toch niet meer te boven door gebrek aan olie, onvoldoende nieuwbouwcapaciteit voor carriers, onvoldoende nieuwe typen vliegtuigen, gebrek aan geoefende vliegers en onvoldoende opleidingscapaciteiten. De V.S. daarentegen beschikten over een onuitputtelijk militair-industrueel complex (carriers van de Essex'-klasse vanaf 1943), en verwierf geleidelijk een luchtoverwicht door nieuwe typen jachtvliegtuigen en goed opgeleide piloten. Zie Carrier' en Vliegtuig'. Zie uitgebreid Oorlog in de Pacific - Slag om Midway'. (Source Wikimedia Commons - Verantwoording/Acknowledgement) Slag in de Golf van Leyte (1944) -Slag in de Golf van Leyte (WO2, 1944) (fonetisch: lait'ee) (menu, verklarende woordenlijst) Locatie: Pacific (oostkust van de Filipijnen) Tussen - Verenigde Staten ↔ Japan Doel - Vernietiging van de Amerikaanse landingseenheden bij Leyte Gevolg - Amerikaanse overwinning markeert het definitieve einde van Japan als marine-grootmacht Opm: Net als bij de Slag om Midway' verdeelde de Japanners de vloot in een te gecompliceerde operatie. Het offerde zelfs het restant van haar carriers op als afleidingsmanoeuvre. Laatste treffen van slagschepen in de Pacific. Zie Snel slagschip', Carrier' en Vliegtuig'. Zie uitgebreid Oorlog in de Pacific - Slag in de Golf van Leyte'. Verklarende woordenlijst (Historische stoomvaart, aangevuld met enkele begrippen uit de zeilvaart) (menu) ▪Woordenlijst (menu, maten en gewichten) Getal - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z Getal (menu, begin verklarende woordenlijst) A (menu, begin verklarende woordenlijst) Aanhouden - Koers houden op een ander schip of op een wal-kenmerk. Aanmeren of aanleggen - Schip naar de wal brengen en vastleggen. Aanslaan - Een zeil vastzetten aan een stag of aan een rondhout. Ace (of aas) - Vlieger die minimaal vijf overwinningen op zijn naam heeft staan. Achterlader - Kanon dat via een sluitstuk aan de achterkant geladen wordt. Achterlijker dan dwars - Een object of een schip bevindt zich achter een denkbeeldige dwarslijn. Actieradius - Maximale vaar- of vliegafstand zonder bunkeren/bijtanken, met ingecalculeerde terugkeer. Affuit - Installatie voor montage van een stuk geschut. Afhouden - Koers zetten weg van een ander schip of van een walkenmerk. Afmeren of ontmeren - Schip losmaken en naar open water brengen (ook wel afmeren i.p.v. aanmeren). Afslaan - Een zeil losnemen van een stag of van een rondhout. Afvaart - Schepen die weg (gaan) varen / Schepen die met de stroom mee varen / Het afvaren. Afvallen - Van de wind afsturen. Afvaren - Schip ergens vandaan varen / Met de stroom mee varen (↔ opvaart en opvaren). Afvliegen - Vliegtuigen vanaf een carrier laten opstijgen. Air-gap - Zeegebied dat zover van de vliegvelden ligt dat er geen luchtdekking mogelijk is. Akoestische mijn - Mijn die door schroefgeruis detoneert. Akoestische torpedo - Door schroefgeruis naar het doel geleide torpedo. All-big-guns - Hoofdbewapening van één kaliber geschut (dus geen gemengde hoofdbewapening). Alles-of-niets pantsering - Een zware middengordel maar dun aan de stevens. Altitude - Vertikale hoekmeting ten opzichte van de horizon (hoogte- of breedtemeting met een sextant). Amfibische operatie - Operatie om mariniers en materieel vanuit zee op een vijandige kust te zetten. Anker - Installatie om het schip met een kabel of een ketting aan de zeebodem vast te leggen. Ankeren - Schip met een anker aan de zeebodem vastleggen. Ankergerei of grondtakel - Anker met al zijn benodigdheden. Ankertros - Kabel die het anker met het schip verbindt. Artillerie of geschut - Kanonbewapening. Artillerie-tactiek - Zeegevecht op afstand, gevolg van geschutsopstelling en linie-tactiek. Asdic of sonar (V.S.) - Echo-detectiesysteem voor geluid ("ping"), voor gebruik onder water. Astronavigatie - Positiebepaling op basis van hoogtemeting van hemellichamen boven de kim. ASV - Geallieerd kortegolf-radar voor aan boord van vliegtuigen, niet detecteerbaar met Duitse Metox. B (menu, begin verklarende woordenlijst) Bak - Vóóropbouw boven het niveau van het bovenste doorlopende dek. Bakboord - Links, in vaarrichting kijkend. Bakdek - Dek boven de bak. Baksen - Zijdelings draaien van een kanon. Ballast - Gewicht onder in het schip om de stijfheid te verhogen en het schip te trimmen. Barbette - Niet overdekte, en dus relatief lichte, gepantserde draaibare geschutsopstelling. Bark - Zeilschip met minstens 3 masten, waarvan alleen de achterste langs- en de rest dwarsgetuigd. Barkentijn - Als bark, maar dan meer dan één van de achterste masten langs- en de rest dwarsgetuigd. Batsman of landingsofficier - Officier die met bats een op een carrier landend vliegtuig "binnenpraat". Batterij - Geschuts-eenheid. Beleggen - Vastzetten van een lijn. Benedenwinds, onder of onderwinds - Het zeegebied aan lij van de koerslijn. Bereik - Max. vaar-/vliegafstand zonder bunkeren/bijtanken, zonder ingecalculeerde terugkeer / Dracht. Bestek - Positiebepaling. Binnen (lopen of vallen) - Haven of ree (aandoen). Blok - Katrol. Blokkeren - Vanuit zee afsluiten van de toegang tot havens en zeegaten. Boeg - Voorschip. Boegspriet - Vanaf de boeg schuin naar voren stekend rondhout. Boiler - Ketel die stoomdruk genereert door water te verhitten. Boord - Staand deel van de scheepswand tussen reling en kim. Boven of bovenwinds - Het zeegebied aan loef van de koerslijn. Bovenstrooms - Het zeegebied aan de zijde, of een koers naar de zijde waarvandaan de stroom komt. Bovenstroomse koers - Koers die een stroom doodvaart. Breedtegraad, latitude of parallel - Positiebeschrijving in graden noord of zuid van de evenaar. Breedzij (brede zij) of volle laag - Alle lagen geschut van één scheepszijde samen. Brigantijn - Tuigage met 2 masten, waarvan de voorste dwars-, en de achterste langsgetuigd is. Brik - Tuigage met 2 masten, beide dwarsgetuigd, vaak ook met achter een onder-gaffelzeil. Brug - Commando- en navigatiecentrum van een schip. Bruto-registerton - Volume van het gehele schip, incl. de gesloten opbouw (Moorsomton = 100 ft³). Buitengaats - Op zee. Buizen - Het aan dek komen van zeewater. Bulb-steven - Hydrodynamisch gunstige uitstulping in de vorm van een afgeronde ram. Bunkeren - Brandstof innemen. C (menu, begin verklarende woordenlijst) Cable - Lengtemaat voor afstand en troslengte → 185,2 m (≈ 1/10 nautische mijl). CAM (Catapult Aircraft Merchantmen) - Schip met katapult voor een Hurricane, maar zonder vliegdek. Carrier of vliegdekschip - Schip met als hoofdfunctie het afvliegen en oplanden van vliegtuigen. Carriervliegtuig - Vliegtuig dat door ontwerp en/of uitrusting bedoeld is voor operaties vanaf een carrier, waarvoor speciale eigenschappen zoals landen met lage snelheid en goed zicht, groot vliegbereik, invouwbare vleugels, robuust landingsgestel en een vanghaak voor de remkabels. Cat - Tuigage met 1 langsgetuigde mast, met alléén een grootzeil, dus zonder voorzeilen. Catamáran - Schip met 2 gelijkwaardige rompen, zéér snel door hoge (zeiloppervlak / gewicht)-ratio. Chronometer - Zeer nauwkeurige klok voor lengte-bepaling door vergelijken locale tijd met GMT. Cilinder - Tweezijdig afgesloten buisdeel om druk om te zetten in beweging, en omgekeerd. Citadel of kazemat - Gepantserd centraal scheeps-compartiment (commando, batterij, machine etc). Classificeren - Indelen van schepen op basis van hun inzetbaarheid. Commando-toren - Opbouw van een onderzeeboot. Compound machine - Zuigermachine met hogedrukcilinder expanderend in grotere lagedrukcilinder. Condensor - Installatie die hete stoom afkoelt om er water aan te onttrekken. Contactmijn - Mijn die bij aanvaring detoneert. Contactpistool - Mechanisme dat torpedo bij raken van het doel doet detoneren. Corioliskrachten - Aardrotatie-gebonden kracht die lucht- en oceaanstromen doet afbuigen. Crash-barrier - Dwars over het vliegdek gespannen kabels ter bescherming van het dekpark. D (menu, begin verklarende woordenlijst) Debarkeren - Ontschepen. Declinatie - Afwijking van de middags-zonshoogte t.o.v. de 90° hoogte-bepaling aan de evenaar. Deel - Plank. Deinzen - Op de wind achteruit varen. Dekhuis of kajuit - Overdekte verblijfplaats. Deklandingsspiegel - Installatie die een op een carrier landend vliegtuig informeert over de glijhoek. Dekpark - Deklocatie voor parkeren van vliegtuigen. Destroyer, torpedobootjager of jager - Snel en wendbaar zeewaardig schip ter bescherming slagvloot. Deviatie - Miswijzing kompas door scheepsgebonden factoren, met name de aanwezigheid van ijzer. Dieptebom - Anti-onderzeeboot-explosief dat op een vooringestelde diepte tot explosie komt. Diesel-elektrische aandrijving - Dieselmotor drijft via generator, accu's en elektromotor de schroef aan. Dieselmotor - Verbrandingsmotor met zelfontbranding door compressie, dus veilig en betrouwbaar. Dok - Installatie om schepen droog te leggen voor reparaties onder de waterlijn. Dompen - Naar beneden draaien van een kanon. Doubleren - Tegenstander aan weerszijden met meerdere schepen tegelijk onder vuur nemen. Dracht - Het bereik (geschoten afstand) van een kanon. Dreadnought - Kapitaal schip, begin 20e eeuw vanaf stapelloop gelijknamig schip in 1906. (pantser, all-big-guns (30½-34½)+10 mm, stoomturbine, bulb-steven, geen tuigage) Drift - Het op de wind wegdrijven / Het door de wind onder de gestuurde koers gedrukt worden. Drijfriem - Riem die de rotatie van een as overbrengt op een andere as. Drijfstang - Stang die de bewegingen van de zuiger omzet in die van de krukas, en omgekeerd. Dual-purpose kanon - Kanon met grote elevatie, waardoor geschikt tegen zowel zee- als luchtdoelen. Dubbeling - Extra buitenhuid ter bescherming van een houten huid tegen paalworm en ijsschotsen. Duikbommenwerper - (Carrier-)vliegtuig ontworpen voor bomaanvallen in duikvlucht. Duim of inch - Lengtemaat → Engels 2,54 cm / Amsterdams (oud) 2,57 cm . Dwars- of vierkant getuigd - Tuigage met zeilen die met de bovenrand aan een ra zijn aangeslagen. Dwarsscheeps - In de breedte van het schip. E (menu, begin verklarende woordenlijst) Eenheid - Marineschip. Eiland - Aan uiterst stuurboord van romp van carrier geplaatste uitbouw voor brug en schoorstenen. Eleveren - Op en neer draaien van een kanon. Embarkeren - Inschepen. Escorteren - Begeleiden en beschermen met bewapende schepen. Escortevaartuig - Hulpcarrier, torpedobootjager, fregat of korvet voor konvooi-begeleiding. Eskader of taskforce - Zelfstandig deel van de slagvloot of van de slaglinie. Exentriekstang - Stang die beweging van de krukas omzet in die van de stoommachine-regulatieschuif. F (menu, begin verklarende woordenlijst) Foot of voet - Lengtemaat → Eng. 30,8 cm / A'dam (oud) 28,3 cm / Rijnland (oud) 28,2 cm (≈ 12 inch). Flottielje - Groep kleinere schepen van één soort (torpedobootjagers, onderzeeërs, mijnenvegers etc). Flushdeck - Geheel naar achteren doorgetrokken bakdek. Foot of voet - Lengtemaat → Eng. 30,8 cm / A'dam (oud) 28,3 cm / Rijnland (oud) 28,2 cm (≈ 12 inch). Fregat (zeiltijd) - Schip met één doorlopend geschutsdek en minstens 20 stukken. Fregat (stoomtijd) - Werktuigelijk voortbewogen marineschip van 2000 tot 6000 ton. Frontlinie - Tactische manoeuvre waarbij de linieschepen in één lijn naast elkaar opvaren. G (menu, begin verklarende woordenlijst) Gaffel - Rondhout bovenaan een langszeil, dat met één uiteinde aan de mast ligt. Gaffelzeil - Met vóór-, en bovenrand aan mast en gaffel aangeslagen zeil. Gangboord - Smal dekdeel tussen reling en opbouw. Gasturbine - Hoog renderende betrouwbare machine waarbij verbrandingsgassen een rotor aanblazen. Gemengde bewapening - Hoofdbewapening van meer dan één kaliber kanons, dus ook middelzwaar. Geschut of artillerie - Kanonbewapening. Geschutsdek - Dek dat als platvorm functioneert voor de artillerie. Geschutstoren of toren - Overdekte, en dus relatief zware, gepantserde draaibare geschutsopstelling. Getrokken-loopsgeschut - Geschut met loopbewerking die cilindrische kogels om hun as laat roteren. Gefechtskehrtwendung - Gelijktijdige wending van alle schepen in de linie i.p.v. één voor één. Gevechtsmast - Stalen driepoot- of kooimast voor artilleriewaarneming en vuurleiding. Geveegd - Geleidelijk overgaand van gekromd naar vlak (vb. verloop onderwaterschip modern jacht). Giek - Rondhout onderaan een langszeil, dat met één uiteinde aan de mast ligt. Gieren - Slingeren rond de verticale as. Gladloopsgeschut - Geschut met onbewerkte loop voor ronde kogels. Glazen slaan - Scheepstijd aangeven door elk halfuur een serie slagen op de scheepsbel te slaan. GMT - Greenwich Mean Time, de astronomische tijd op de nul-meridiaan (nul-lengtegraad). Granaat - Explosieve cilindrische kogel voor een kanon met getrokken loop. Grijsbaard - Lange schuimende opgestuwde golf (bij Kaap Hoorn tot wel 60 voet hoog = 18 m). Grondtakel of ankergerei - Grondtakel met al zijn benodigdheden. Grootcirkelroute - Rechte lijn op de globe, gebogen op de Mercator-projectie, verlopende koers op zee. Grootspant - Dwarsdoorsnede van de romp ter plaatse van de grootste breedte. Gros - Hoofdmacht van een slagvloot. H (menu, begin verklarende woordenlijst) Hangar - Overdekte parkeer- en onderhoudslocatie voor vliegtuigen, vanaf dek met liften bereikbaar. Hedgehog - Anti-onderzeeboot mortier dat 24 kleine bommen ver voor de eigen boeg uitwierp. Hek - Achterschip. Hekrad - Schoepenrad voor stoomaandrijving achter het achterschip. Helling - Naar het water aflopende wal van de scheepswerf t.b.v. de stapelloop (te water lating). Helmstok of helmhout - Stuurstok. Hennegatskoker - Buisconstructie waardoor de roerpen (roerkoning) van een doorgestoken roer loopt. H/F-D/F (Huff-Duff) - Peilen van radio-communicatie tussen U-boten en met het centrale commando. Hieuwen - Aanhalen van een lijn. Hoekdek - Uitbouw aan bakboord van het vliegdek om buiten de hartlijn op een carrier te landen. Hoog - Kant waar de wind vandaan komt (hoger aan de wind = onder kleinere hoek naar de wind toe). Hulpmotor - Motor voor secundaire voortstuwing op zeilschepen. Hulptuigage - Tuigage op stoomschepen uit gebrek aan vertrouwen en uit gebrek aan kolenstations. Hulpvliegdekschip of hulpcarrier - Tot vliegdekschip verbouwde koopvaarder. Hut - Nachtonderkomen. Hydrofoon - Richtingsgevoelige geluidssensor voor gebruik onder water. I (menu, begin verklarende woordenlijst) Inch of duim - Lengtemaat → Engels 2,54 cm / Amsterdams (oud) 2,57 cm. Inscheren - Een lijn door een schijfblok voeren. Islandhopping strategie - Alleen eilanden met een vliegveld veroveren en de rest overslaan en isoleren. J (menu, begin verklarende woordenlijst) Jachtbommenwerper - (Carrier-)vliegtuig voor bevechten luchtoverwicht en voor aanval gronddoelen. Jachtvliegtuig of jager - (Carrier-)vliegtuig voor bevechten luchtoverwicht. Jager of jachtvliegtuig - (Carrier-)vliegtuig voor bevechten luchtoverwicht. Jager, torpedobootjager of destroyer - Snel en wendbaar zeewaardig schip ter bescherming slagvloot. K (menu, begin verklarende woordenlijst) Kaaieren - Combinatie van stampen, rollen en gieren. Kabel of tros - Dik touw. Kajuit of dekhuis - Overdekte verblijfplaats. Kaliber - Maat voor een kanon en de ermee verschoten munitie (t/m 18e eeuw in pnd, daarna cm-inch). Kamikaze - Japanse zelfmoordstrijder. Kanon (mv. kanons) of stuk - Geschut, ingedeeld naar kaliber (t/m de 18e eeuw in pond, daarna cm-inch). Kanonneerboot - Matig tot ondiep, klein bewapend vaartuig voor gebruik in kustgebieden of op rivieren. Kapitaal schip - Bepalende schepen in vuurkracht en pantser (carriers, slagschepen, slagkruisers). Kardoes - Houder voor het drijf-explosief van eenkanon. Katapult - Installatie om een van een carrier startend vliegtuig extra snelheid of lading mee te geven. Kattenrug - Negatieve zeeg, ontworpen of als gevolg van doorzakken door te zware stevens. Kazemat of citadel - Gepantserd centraal scheeps-compartiment (commando, batterij, machine etc). Kenteren - Omslaan (geen enkel schip is overigens onkenterbaar, het is hoogstens zelfrichtend). Kiel - Geballaste driftbeperkend in het kielvlak liggende plaat. Kielbalk - Lengtebalk waarop het romp-skelet van stevens en spanten wordt opgericht. Kiellinie - Tactische manoeuvre waarbij de linieschepen in één lijn achter elkaar aanvaren. Kielvlak - Het vertikale dwarsscheepse midden van het schip (in de hartlijn, dus niet midscheeps). Kielwater of zog - Verstoord water achter een varend schip. Kikusui - Aanval van grote aantallen kamikaze-vliegtuigen tegelijk om de verdediging te verzadigen. Kim - Deel van de scheepswand waar het staande boord overgaat in het liggende vlak / Horizon. Kits - Tuigage met 2 masten, beide langsgetuigd, de achterste mast iets korter en vóór de stuurstand. Klaren - Op orde brengen. Klipper - Zeer snel houten zeilschip met klipperboeg, volschip getuigd (1850 -1880). Klipperboeg - Concave boeg met optimale aansnijding en genoeg oprichtend vermogen bij dompeling. Kluisgat - Huiddoorvoer waardoor de ankertros het schip verlaat. Kluiverboom of kluifhout - Rondhout om een boegspriet mee te verlengen. Knikspant of sharpie - Geknikte grootspant met vlakke - of V-bodem door gebruik multiplex platen. Knoop - Scheepssnelheid in zeemijlen per uur (1,85 km/h = ca. 0,5 m/s). Koekoek of schijnlicht - Lage opbouw met een luik voor ventilatie en ontsnapping. Komaliewant - Eetgerei. Kombuis - Keuken. Kompas - Noordwijzend instrument. Konstabel - Verantwooordelijk voor het militair materieel. Konvooi - Groep samen opvarende handelsschepen, al dan niet begeleid door de marine. Koopvaardij - Handelsscheepvaart. Koopvaardij-vliegdekschip of MAC (Merchant Aircraft Carriers) - Tanker of graanschip met vliegdek. Koppen - Aantal bemanningsleden. Korvet (zeiltijd) - Schip met één doorlopend geschutsdek en minder dan 20 stukken. Korvet (stoomtijd) - Werktuigelijk voortbewogen marineschip van 500 tot 2000 ton. Kotter - Tuigage met 1 mast, langsgetuigd, met een grootzeil en meerdere voorzeilen (achter elkaar). Krengen - Een schip voor onderhoud van het onderwaterschip (kim en vlak) op de zijde trekken. Krimpen - Omlopen van de wind tegen de klok in. Krombaangeschut - Geschut voor grote elevatie (mortieren tegen kustdoelen). Kruiser - Middelgroot oorlogsschip met middelbaar geschut voor snelheid en actieradius. Kruissnelheid - Meest efficiënte snelheid m.b.t. snelheid, bereik (brandstofverbruik), slijtage en comfort. Kruisvuur - Tegenstander vanaf één zijde met meerdere schepen tegelijk gebakst onder vuur nemen. Krukas - Excentrische as die heen-en-weer gaande bewegingen omzet in roterende, en omgekeerd. L (menu, begin verklarende woordenlijst) Laag - Kant waar de wind naartoe waait / Eén rij geschut in de scheepszijde ("Een laag lossen"). Laf - Te lijgierig. Lagedruk-expansie-machine - Zuigermachine met 2x expansie in een grotere lagedrukcilinder. Landen - Aanleggen / Mariniers aan land brengen./ Oplanden (carrier). Landingsofficier of batsman - Officier die met bats een op een carrier landend vliegtuig "binnenpraat". Landingsvaartuig - Boot met landingklep in de boeg voor amfibische operaties met mariniers of tanks. Landvast of meerlijn - Lijn om kleine boten vast te leggen. Landvliegtuig - Vliegtuig dat door ontwerp en/of uitrusting bedoeld is voor operaties vanaf vliegvelden. Langsgetuigd - Tuigage met zeilen die niet met de bovenrand aan een ra zijn aangeslagen. Langsscheeps - In de lengterichting van het schip. Langszeil - Elk zeil dat niet met de bovenrand aan een ra is aangeslagen. Lateraal - Dwars op de drift-richting (vb. onderwaterschip biedt laterale weerstand tegen de drift). Latitude, breedtegraad of parallel - Positiebeschrijving in graden noord of zuid van de evenaar. Lengtegraad, longitude of meridiaan - Positiebeschrijving in graden west of oost van Greenwich. Lenspomp - Pomp voor het lens (leeg) pompen van het schip. Lichten - Boven water brengen van een gezonken vaartuig. LCU - Landing Craft Utility, landingsvoertuig van 200 ton voor zwaar materieel zoals tanks. LCVP - Landing Craft Vehicle and Personne, landingsvoertuig voor één peleton mariniers en jeeps. Lier - Werktuig om een lijn mee te hieuwen. Lij - Onderwinds, de kant waar de wind naartoe waait. Lijgierig - Neiging naar lij te draaien (af te vallen). Lijnmotor - Vloeistofgekoelde vliegtuigmotor met de cilinders achter elkaar langs de krukas. Linie - Op een lijn liggende groep schepen, vaak een kiellinie of een frontlinie. Linieschip -- Tot 1906 (Dreadnought) aanduiding zwaarste oorlogsschepen, daarna "slagschip". Linie-tactiek - Achter elkaar in kiellinie vechten om elkaars schootsveld vrij te houden. Loef - Bovenwinds, de kant waar de wind vandaan komt. Loefgierig - Neiging naar loef te draaien (op te loeven). Loeven of oploeven - Naar de wind opsturen. Log - Instrument om de vaart door het water te meten. Longitude, lengtegraad of meridiaan - Positiebeschrijving in graden west of oost van Greenwich. Load - Maat voor volume → 1 volgroeide eikenboom. Lopend want - Lijnen voor het bedienen van de tuigage. Loxodroom - Gebogen lijn op de globe, rechte lijn op kaart met Mercator-projectie, vaste koers op zee. Luikhoofd - Verhoogde rand rond een luikopening in het dek. M (menu, begin verklarende woordenlijst) MAC (Merchant Aircraft Carriers) of koopvaardij-vliegdekschip - Tanker of graanschip met vliegdek. Magnetische mijn - Mijn die bij verstoring van het magnetisch veld detoneert. Magnetisch pistool - Mechanisme dat torpedo bij verstoring van het magnetisch veld doet detoneren. Marine - Zeestrijdkrachten. Marinier - Zeesoldaat. Meerlijn of landvast - Lijn om kleine boten vast te leggen. Meerkabel - Kabel om schepen vast te leggen. Mercator-kaart - Kaart volgens hoekgetrouwe projectie waardoor een vaste koers een rechte lijn vormt. Meridiaan, lengtegraad of longitude - Positiebeschrijving in graden west of oost van Greenwich. Merk - Merkteken op vóór- en achtersteven voor de diepgang in voeten ("schip ligt op zijn merk"). Metox - Duitse radar-detector voor aan boord van U-boten. Midscheeps - Het scheeps-midden, meestal langsscheeps, soms dwarsscheeps (in het kielvlak). Mijl, zeemijl of nautische mijl - Lengtemaat voor afstand (1,85 km = 1 equatoriale breedte-minuut). Mijn - Op de zeebodem verankerd, onder het wateroppervlak drijvend explosief. Mijnenlegger - Voor het leggen van mijnen ingericht oppervlaktevaartuig of onderzeeboot. Mijnenveger - Voor het opruimen van mijnen ontworpen schip van hout, aluminium of polyester. Mijnenveld - Door de aanwezigheid van mijnen gesperd zeegebied. Moesson - Seizoensgebonden steady wind door temperatuurverschil boven land en zee. Monding - Uiteinde van de ziel van een kanon. Mondingssnelheid - Snelheid van een kogel of een granaat bij verlaten van de kanonsloop. Mondingsvuur - Explosievlam en lichtschijnsel bij het afvuren van een kanon. Monitor - Zware, door gering vrijboord niet zeewaardige pantserbatterij, geen tuigage, half 19e eeuw. Monohull - Schip met een enkelvoudige romp. Mortier - Krombaangeschut met zeer korte loop. Motortorpedoboot - Torpedoboot met een explosiemotor. Muiterij - Opstand tegen het scheepsgezag. Multihull - Schip met een meervoudige romp (catamaran of trimaran). N (menu, begin verklarende woordenlijst) Nautische mijl, zeemijl of mijl - Lengtemaat voor afstand → 1,85 km (= 1 equatoriale breedte-minuut). Navigatie - Kunde om de positie te bepalen/schatten en het schip naar een andere positie te brengen. Netto-registerton - Volume van de ladingsruimte voor vracht en passagiers (Moorsomton = 100 ft³). Nulmeridiaan - Meridiaan over Greenwich, dus de 0° meridiaan. O (menu, begin verklarende woordenlijst) Octant - Instrument voor astronavigatie met nauwkeurige hoogtemeting tot 45°. Officier - Hogere leidinggevende bij de marine (vb. kapitein en stuurlieden). Onder, onderwinds of benedenwinds - Het zeegebied aan lij van de koerslijn. Ondermast - Rondhout voor het voeren van razeil of langszeil, mits er ook een steng wordt gevoerd. Onderofficier - Lagere leidinggevende bij de marine (vb. konstabel en provoost). Onderstrooms - Het zeegebied aan de zijde, of een koers naar de zijde waarheen de stroom gaat. Onderwaterschip - Zich onder water bevindende scheepsdelen (romp, aangezette kiel en roer) Onderwinds, onder of benedenwinds - Het zeegebied aan lij van de koerslijn. Onderzeeboot of onderzeeër - Diesel-elektrische aanvalsboot voor oppervlakte- en onderwatervaart. Ontmeren of afmeren - Schip losmaken en naar open water brengen (ook wel afmeren i.p.v. aanmeren). Ontplooien - Slagorde innemen. Opbouw - Alles boven het niveau van het bovenste doorlopende dek. Open water of ruim vaarwater - Voldoende wateroppervlak om zelfstandig te manoeuvreren / Zee. Oplanden - Vliegtuigen op een carrier laten landen. Opleggen - Schip ontdoen van geschut, rondhouten en tuigage. Oploeven of loeven - Naar de wind opsturen. Opvaart - Schepen die komen aanvaren / Schepen die tegen de stroom in varen / Het opvaren. Opvaren - Schip ergens naar toe varen / Tegen de stroom in varen (↔ afvaart en afvaren). Overgaan - Schuiven van ballast of lading. P (menu, begin verklarende woordenlijst) Palaver - Uitgebreide bespreking. Pantser - Bijzondere kwaliteit staalplaatversterking tegen granaatinslag van romp, dek of opbouw. Pantserdekkruiser - Kruiser met pantserdek dat schuin afliep tot onder de waterlijn. Pantserkruiser - Idem, maar met een pantsergordel, dus een verkleind slagschip, vanaf eind 19e eeuw. Pantserschip - Begin pantsering kapitaal stoomschip (ijzer op hout, later ijzeren romp), half 19e eeuw. Parallel, breedtegraad of latitude - Positiebeschrijving in graden noord of zuid van de evenaar. Paravaan - Uitwaaierend deel van het veegtuig van een mijnenveger. Passaat - Steady wind door drukverschil op keerkringsbreedte (23½°) en evenaar (→ NO en ZO, 4-6B). Patria - Vaderland ("naar Patria terugkeren"). Patrijspoort - Van glas voorziene koperbeslagen ronde opening in kajuitwand of scheepsromp. Peiling - Meting (afstand, diepte, hoek). Pelorus - Schijf voor het meten van horizontale hoeken t.o.v. de scheeps-as (voor kompas-peilingen). Periscoop - Spiegel-instrument om vanuit een ondergedoken onderzeeër boven water te kijken. Picketlinie - Linie van torpedobootjagers etc. vóór de geankerde vloot voor vroegtijdige (radar)detectie. Planeren - Toestand waarbij het schip een golf opwekt die langer is dan zijn functionele waterlijnlengte. Plafond - Maximale vlieghoogte van een (carrier-)vliegtuig. Plunjer of zuiger - Beweegbare afsluiter in een cilinder. Pond - lbs (liber) - Maat voor massa → Engels 494 g / Engels (oud) - 454 g / Hollands (oud) - 480 g. Poolster - Vrijwel recht in het noorden staande ster (breedte-bepaling op het noordelijk halfrond). Poort - Opening in de cilinder voor de toevoer of de afvoer van stoomdruk. Pre-dreadnought - Kapitaal schip, eind 19e eeuw tot 1906, voorganger van de dreadnought. (pantser, gemengde bewapening 30½+(15-20½)+7,6 mm, ram-steven, zuigermachine, geen tuigage) Presenning - Zwaar zeildoek voor het afdichten van de luikhoofden. Pressen - In dienstverband dwingen. Principale schip - Meest bepalende scheepklasse (eerst het slagschip en vanaf 1942 de carrier). Provoost - Verantwoordelijk voor de discipline. Q (menu, begin verklarende woordenlijst) Quadruple-expansie machine - Zuigermachine met 4x expansie in een steeds grotere lagedrukcilinder. R (menu, begin verklarende woordenlijst) Ra - Rondhout aan bovenrand dwarszeil. Radar - Echo-detectiesysteem voor elektromagnetische golven, voor gebruik boven water. Raider - Schip voor de kaapvaart op civiele doelen. Raket - Lucht-torpedo met reactiemotor. Ram - Zwaar massief-ijzeren uitsteeksel onderaan de voorsteven. Ramschip - Ontworpen voor ramtactiek toen half 19e eeuw het pantser het tijdelijk won van de granaat. Rank - Schip is niet stijf en niet stabiel genoeg, waardoor het gemakkelijk kentert. Ra-zeil - Met de bovenrand aan een ra aangeslagen rechthoekig tot trapeziumvormig zeil. Ree of rede - Ankergebied buitengaats. Reep - Zwaar touw (vb. voor het hijsen van een ra of een steng). Regulatieschuif - Schuif die de stoomdruk over de poorten van een dubbelslags stoomcilinder verdeelt. Reling - Verhoging op de dekrand om overboord vallen of - spoelen te voorkomen. Remkabel - Over het dek van een carrier gespannen kabels om een landend vliegtuig te remmen. Riem - Roeispaan. Roer - In het kielvlak liggend en om een verticale as draaiend blad om het schip mee te sturen. Roer aan loef of aan lij - Tot / na 1924 → Richting denkbeeldige helmstok / stuurwiel. Roerganger - Bemanningslid dat het roer bedient en geen leidinggevende, dus ook geen stuurman. Roerkoning - Roeras die op het achterschip door een hennegatskoker loopt ("doorgestoken roer"). Rollen - Slingeren rond de lengte-as. Romp - Onderwaterschip zonder kiel en roer, vrijboord, geïntegreerde opbouwX en dekken. Rompsnelheid - De theoretisch hoogste snelheid die een niet-planerend schip kan lopen = √(5,9 x L) knoop. Rondhout - Ronde paal voor masten, ra's, boegspriet etc. (vaak aangeduid met boom, hout of spriet). Rondspant - Gebogen grootspant. Ronselen - Op oneigenlijke wijze in dienstverband brengen. Rookgordijn - Rookveld om eigen schepen of hun bedoelingen aan het zicht te onttrekken. Rotatiemotor - Vliegtuigmotor waarvan